Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2595

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
200.256.313_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:9136
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koop zonweringschermen; koper mocht verwachten dat de schermen in beginsel gedurende de garantietermijn probleemloos zouden functioneren. Na afloop van die termijn en voor de rest van de levensduur van de schermen heeft de koper rekening te houden met periodiek onderhoud en relatief kleine reparaties van (onderdelen van) de schermen die door gebruik onderhevig zijn aan slijtage. Koper mocht er bij het sluiten van de overeenkomst dus niet zonder meer van uitgaan dat onderhoud en herstel van de onderdelen ook na de garantietermijn en voor de rest van de levensduur van de schermen niet nodig zou zijn. Geen non-conformiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.256.313/01

arrest van 18 augustus 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J. van Berk te Nijmegen,

tegen

1 vennootschap onder firma [de v.o.f. ] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [de vennootschap 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.G. Spijker te Boxmeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 december 2018 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 20 september 2017, 20 december 2017 en 26 september 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [de v.o.f. ] als gedaagde (hierna: de bestreden vonnissen).

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds [appellant] en anderzijds gezamenlijk als [geïntimeerden] . Geïntimeerden zullen, waar relevant, ook ieder individueel worden aangeduid als [de v.o.f. ] respectievelijk [de vennootschap 1]

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5945618 / CV EXPL 17-3850)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het arrest in incident van 16 juli 2019;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] met producties 7 tot en met 13;

  • -

    de memorie van antwoord van [de vennootschap 1] , tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord van [appellant] in incidenteel hoger beroep;

  • -

    het door [de v.o.f. ] gezuiverde verstek;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep van [de v.o.f. ] , tevens akte in incidenteel hoger beroep van [de vennootschap 1] ;

  • -

    de antwoordakte in incidenteel hoger beroep van [appellant] , met productie 14.

Bij rolbericht van 16 december 2019 heeft mr. Spijker zich gesteld voor [de v.o.f. ] en daarmee het aanvankelijk tegen [de v.o.f. ] verleende verstek gezuiverd. Bij een tweede rolbericht van 16 december 2019 heeft mr. Spijker namens [de v.o.f. ] en [de vennootschap 1] verzocht te mogen reageren op stellingen ingenomen door [appellant] in diens memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Vervolgens heeft mr. Spijker op 11 februari 2020 namens [de v.o.f. ] en [de vennootschap 1] een processtuk met als opschrift “memorie van antwoord” genomen waarin wordt ingegaan op de stellingen van [appellant] uit de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Daarop heeft [appellant] gereageerd met een antwoordakte van 17 maart 2020.

Het hof beschouwt - zoals hierboven reeds vermeld - het processtuk van 11 februari 2020, gelet op de inhoud daarvan en het verzoek van mr. Spijker van 16 december 2019, in de eerste plaats als een akte van [de vennootschap 1] in het incidenteel hoger beroep. Het hof beschouwt het processtuk van 11 februari 2020 in de tweede plaats als een memorie van antwoord van [de v.o.f. ] in het principaal hoger beroep. Volgens de rolbeslissing naar aanleiding van het verschijnen van [de v.o.f. ] in de procedure, diende deze immers op 11 februari 2020 een memorie van antwoord te nemen in het principaal hoger beroep. Het hof houdt het er daarom voor – mede gelet op de titel die het stuk heeft meegekregen – dat dit processtuk tevens als memorie van antwoord van [de v.o.f. ] in het principaal hoger beroep heeft te gelden. Het voorgaande betekent overigens dat [de v.o.f. ] – anders dan [de vennootschap 1] – geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a) [appellant] heeft in 2008 bij [bedrijfsnaam] zonwering gekocht ten behoeve van zijn woning voor een bedrag van € 4.450,- inclusief btw.

b) Het betreft zes zonneschermen van het type AlboScreen windvast, te weten een groot scherm en drie kleine schermen voor de voorgevel en twee kleine schermen voor de achtergevel (productie 14 antwoordakte [appellant] ):

c) De schermen zijn door [geïntimeerden] geleverd en gemonteerd op 28 maart 2008. [geïntimeerden] heeft op de schermen vijf jaar garantie gegeven.

d) Sinds twee jaar na de levering zijn er schermen defect geraakt. Het gaat telkens om een gebroken nylonkoord in de zijgeleiding van het scherm, dat ervoor dient te zorgen dat het doek van het scherm altijd gespannen staat en niet gaat klapperen in de wind.

e) [geïntimeerden] heeft de respectieve defecten telkens verholpen.

f) In oktober 2016 raakte het koord van een van de klein schermen defect. Dit is niet meer door [geïntimeerden] gerepareerd.

g) Bij brief van 17 oktober 2016 heeft [appellant] [geïntimeerden] in gebreke gesteld. [geïntimeerden] is een termijn geboden van 14 dagen na dagtekening van de brief voor deugdelijk herstel of kosteloze vervanging. [geïntimeerden] heeft hieraan geen gevolg gegeven.

h) [appellant] heeft daarop het bedrijf [bedrijf] Zonwering ingeschakeld. [bedrijf] heeft een offerte uitgebracht ter hoogte van € 8.152,- inclusief btw. De offerte ziet op het leveren en monteren van zes nieuwe, zogenaamde zipscreens.

3.2.1.

In deze procedure heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van:

- een bedrag in hoofdsom van € 8.152,-, vermeerderd met wettelijke rente

- een bedrag van € 946,95 aan buitengerechtelijke kosten

- de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] hem ondeugdelijke schermen heeft geleverd en niet in staat is gebleken om de schermen alsnog deugdelijk te laten werken. [appellant] heeft zich genoodzaakt gezien een ander bedrijf in te schakelen teneinde alsnog goed werkende schermen te verkrijgen. [geïntimeerden] dient de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 20 september 2017 heeft de kantonrechter overwogen dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst voorlichting door een deskundige gewenst is, waarna bij tussenvonnis van 20 december 2017 de heer [ingenieur] , verbonden aan [de vennootschap 2] is benoemd tot deskundige. Deze deskundige heeft op 14 juni 2018 rapport uitgebracht.

3.2.4.

In het eindvonnis van 26 september 2018 heeft de kantonrechter op basis van het deskundigenrapport geoordeeld dat sprake was van een gebrek, welk gebrek volgens de deskundige kan worden hersteld met het aanbrengen van kwalitatief betere koorden en het periodiek controleren van de functionaliteit van de geleidingsrollen en het zo nodig vervangen daarvan. De daarmee gemoeide herstelkosten worden door de deskundige geraamd op € 1.000,- (rov. 2.8). De kantonrechter heeft de door [appellant] geleden schade op dit bedrag vastgesteld. De kantonrechter heeft [geïntimeerden] veroordeeld tot betaling van € 1.000,- in hoofdsom en € 150,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] voor het overige afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in de zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vonnissen en tot het hoofdelijk toewijzen van zijn vorderingen jegens [de v.o.f. ] en [de vennootschap 1]

3.3.2.

[de vennootschap 1] heeft in het incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd tegen het eindvonnis van 26 september 2018 (memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, punt 22) en geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis en tot het alsnog volledig afwijzen van de vorderingen van [appellant] .

Geschiktheid koorden

3.4.1.

Met grief II van het principaal hoger beroep voert [appellant] aan dat de koorden van de schermen ongeschikt zijn. De koorden zijn niet bestand tegen de druk die op de koorden komt te staan als de koorden over de geleidingsrollen rollen. De koorden degraderen waarschijnlijk versneld doordat ze continu blootstaan aan zonlicht, aldus [appellant] . Wat de betreft de mogelijkheid tot herstel voert [appellant] aan dat het vervangen van de geleidingsrollen het gebrek van de koorden niet kan herstellen. Het telkens vervangen van de koorden kan, (mede) gelet op de daarmee gepaard gaande overlast voor [appellant] , niet van hem gevergd worden, aldus [appellant] .

In antwoord op grief II, en met de daarmee samenhangende grief in het incidenteel hoger beroep, betwist [de vennootschap 1] dat sprake is van een gebrek aan de koorden en dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij verwijst hierbij naar de bevinding van de deskundige dat het aantal koordreparaties per scherm beperkt is geweest. Bovendien, als sprake zou zijn van een tekortkoming, dan zou [geïntimeerden] slechts gehouden zijn tot herstel van het gebrek althans tot betaling van het bedrag dat nodig is om het gebrek te herstellen. Dat heeft [geïntimeerden] telkens gedaan. [appellant] vordert thans echter geen (kosten van) herstel maar een bedrag voor de aanschaf van een compleet nieuwe en met zipsystemen uitgeruste zonwering. De grondslag daarvoor ontbreekt, aldus [de vennootschap 1]

Het hof begrijpt uit de hele procesgang en de inhoud van de memorie van antwoord van [de v.o.f. ] dat zij zich aan wenst te sluiten bij deze betwisting.

3.4.2.

Het hof stelt voorop dat een geleverde zaak moet beantwoorden aan de overeenkomst. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen (art. 7:17 leden 1 en 2 BW).

[geïntimeerden] heeft vijf jaar garantie gegeven op de zonneschermen. Dat betekent dat [appellant] mocht verwachten dat de schermen in beginsel in ieder geval vijf jaar probleemloos zouden functioneren, althans dat [geïntimeerden] eventueel toch opgekomen problemen gedurende deze periode zou verhelpen. Na afloop van die termijn en voor de rest van de levensduur van de schermen heeft [appellant] echter ermee rekening te houden dat periodiek onderhoud aan de schermen nodig is. Daarbij horen ook relatief – gelet op de (aanschaf)waarde van de schermen – kleine reparaties van (onderdelen van) de schermen, zoals de geleidingskoorden, die door gebruik onderhevig zijn aan slijtage. [appellant] mocht er bij het sluiten van de overeenkomst dus niet zonder meer van uitgaan dat onderhoud en herstel/vervanging van de koorden ook na de garantietermijn en voor de rest van de levensduur van de schermen niet nodig zou zijn.

3.4.3.

[appellant] heeft een overzicht gegeven van de reparaties die zijn uitgevoerd aan de koorden van de schermen sinds de levering in 2008 (productie 10 bij memorie van grieven). De door [geïntimeerden] gegeven garantie duurde dus tot en maart 2013.

Het grote scherm is tijdens de garantieperiode drie keer gerepareerd. [geïntimeerden] heeft aan [appellant] voor de tweede reparatie € 81,11 in rekening gebracht. Vervolgens is het grote scherm na afloop van de garantieperiode nogmaals gerepareerd in juni en juli 2014 waarbij de koorden zijn vervangen. De kosten hiervan voor [appellant] bedroegen € 56,25. Nadien heeft het grote scherm kennelijk zonder problemen gefunctioneerd, zoals ook de deskundige heeft geconstateerd. Pas in juni 2019 zijn de koorden van het grote scherm weer vervangen, ditmaal door [bedrijf] , voor circa € 95,- (1/3 x € 290,- voor drie schermen in totaal).

Aan de kleine schermen trad voor het eerst een probleem op in oktober 2015. De koorden van twee kleine schermen werden gerepareerd door [geïntimeerden] , de kosten voor [appellant] bedroegen € 66,55. Vervolgens raakten in augustus 2016 twee kleine schermen aan de voorgevel defect. Deze werden door [geïntimeerden] gerepareerd, waarbij de kosten voor [appellant] € 148,23 bedroegen. In oktober 2016 raakte nog een klein scherm defect. Dit werd niet meer door [geïntimeerden] gerepareerd. In mei/juni 2019 werden de koorden van de twee kleine schermen in de achtergevel gerepareerd/vervangen door [bedrijf] voor circa € 90,- per stuk.

3.4.4.

Zoals gezegd, mocht [appellant] verwachten dat de schermen in de garantieperiode in beginsel probleemloos zouden functioneren. Dat betekent dat [appellant] ervan uit mocht gaan dat kosten voor reparaties die in deze periode toch nodig bleken, niet voor zijn rekening zouden komen. Niettemin heeft [geïntimeerden] de kosten voor de tweede reparatie aan het grote scherm wel in rekening gebracht. [appellant] vordert echter geen vergoeding van deze kosten.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de frequentie van de reparaties aan de koorden en de hoogte van de daarmee voor [appellant] gemoeide kosten, niet zodanig zijn dat de schermen vanwege de periodieke noodzaak tot herstel of vervanging van de koorden, niet beantwoordden aan de overeenkomst. Na de reparatie van het grote scherm in 2013 en 2014, waarvan [geïntimeerden] de kosten op € 56,25 na zelf heeft gedragen, was circa vijf jaar lang geen reparatie of vervanging van de koorden van het grote scherm nodig. Voor de kleine schermen leidt het hof uit het door [appellant] gegeven overzicht af dat sinds de aanschaf in 2008 tot in elk geval medio 2019, en dus in een periode van meer dan tien jaar, per scherm slechts één of twee keer herstel of vervanging van de koorden heeft plaatsgevonden. Uit het gegeven overzicht en de daarop gegeven toelichting kan niet worden afgeleid dat van een of meer kleine schermen de koorden meer dan twee maal zijn hersteld/vervangen, terwijl de daarmee gemoeide kosten steeds beperkt zijn te noemen. Met een dergelijke frequentie van klein onderhoud en reparatie na afloop van de garantieperiode diende [appellant] rekening te houden. Dat levert dus geen tekortkoming op van [geïntimeerden] .

Onjuiste voorlichting

3.5.1.

Met grief I in het principaal hoger beroep voert [appellant] aan dat [geïntimeerden] hem onjuist heeft voorgelicht over het toepassen van zonwering met koorden. Als gevolg daarvan is [appellant] overgegaan tot de aanschaf van zonwering met koorden, terwijl die niet geschikt waren voor zijn woning. Op dat moment waren wél de hiervoor geschikte zipscreens beschikbaar. [geïntimeerden] heeft [appellant] daarover niet geïnformeerd althans onjuist voorgelicht. Dit is een tekortkoming van [geïntimeerden] , aldus [appellant] .

3.5.2.

Het hof verwijst naar wat hiervoor onder 3.4.2 e.v. is overwogen. Daaruit volgt dat de schermen voldoen aan wat [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De aard en frequentie van het herstel van de koorden maken de schermen niet ongeschikt als zonwering voor de woning van [appellant] . Verder rustte op [geïntimeerden] als verkoper geen (precontractuele) verplichting om [appellant] te informeren over andere, duurdere of betere producten, zoals de zipscreens, als alternatief voor de door [geïntimeerden] aangeboden schermen met koorden. [appellant] had daar als koper zelf onderzoek naar moeten doen. Ook in dit opzicht is dus geen sprake van een tekortkoming van [geïntimeerden] .

CE-markering

3.6.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] opgemerkt dat op de door [geïntimeerden] geleverde zonwering geen CE-markering is aangebracht hoewel dat wel vereist was. [appellant] heeft aan deze opmerking geen conclusie verbonden. Reeds daarom gaat het hof aan deze stelling voorbij. Bovendien, voor zover [appellant] hiermee heeft beoogd te stellen dat het ontbreken van een verplichte CE-markering een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerden] oplevert, overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft niet gesteld dat hij schade lijdt als gevolg van deze gestelde tekortkoming. Zonder toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet in waarom het ontbreken van de CE-markering op de zonwering van [geïntimeerden] noodzaakt tot volledige vervanging van deze zonwering voor de door [appellant] gewenste zipscreens. De gestelde tekortkoming kan dus niet leiden tot toewijzing van de vordering van [appellant] .

Conclusie en proceskosten

3.7.1.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven in het principaal hoger beroep falen. Daaruit volgt eveneens dat de grief van [de vennootschap 1] in incidenteel hoger beroep slaagt. Het eindvonnis van 26 september 2018 zal worden vernietigd en de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerden] zullen alsnog worden afgewezen.

3.7.2.

[appellant] is de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld in beide instanties.

3.7.3.

De kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [de v.o.f. ] worden begroot op € 2.000,- voor de door [de v.o.f. ] gedragen kosten van de deskundige. De kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de v.o.f. ] worden begroot op € 726,- aan griffierecht en op nihil voor salaris advocaat.

3.7.4.

De kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de vennootschap 1] worden begroot op € 726 aan griffierecht en € 759,- (1 punt x tarief I) aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep, en € 569,25 (1,5 punt x tarief I x ½) aan salaris advocaat voor het incidenteel hoger beroep, in totaal € 2.054,25.

4 De uitspraak

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het eindvonnis van 26 september 2018 (zaak-/rolnummer 5945618 / CV EXPL 17-3850);

opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de v.o.f. ] op € 2.726,-, en aan de zijde van [de vennootschap 1] op € 2.054,25, en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, S.C.H. Molin en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 augustus 2020.

griffier rolraadsheer