Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2590

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
200.239.546_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur, ontbonden maar onverdeelde gemeenschap, recht van deelgenoot om huur te innen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF s-HERTOGENBOSCH

Team handel

zaaknummer gerechtshof 200.239.546/01

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant 5633610 CV EXPL 17-129)

arrest van 18 augustus 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie/verweerster in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.J.M. Cliteur te ‘s-Hertogenbosch,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

laatstelijk wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie/eisers in reconventie,

hierna: gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud [geïntimeerden]

advocaat: mr. C.T. Klepper te Hardinxveld-Giessendam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 31 juli 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de processen-verbaal van comparitie van 16 oktober 2018, 10 januari 2019 en 21 januari 2019;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op 29 september 2012 hebben [ex-partner] (hierna: [ex-partner] ) en [geïntimeerden] een huurovereenkomst gesloten (hierna: de huurovereenkomst) waarbij [geïntimeerden] per 1 december 2012 van [ex-partner] huurt het appartement aan de [adres] te [plaats] (hierna: het appartement).

2.2.

In artikel 6 van de huurovereenkomst is bepaald dat het onderhoud en de reparaties aan de buitenzijde van het gehuurde voor rekening komen van verhuurder als reparatie en/of vervanging noodzakelijk is als gevolg van normale slijtage. In artikel 10 van de huurovereenkomst is vermeld dat er een maandelijks vooruit te betalen huurprijs van

€ 1.750,00 verschuldigd is (exclusief gas, water, elektra en gemeentelijke belastingen) te betalen op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van [ex-partner] . Artikel 10.4 vermeldt voorts dat huurder zich bij de betaling van de huur niet zal beroepen op verrekening, tenzij de rechter hem daartoe heeft gemachtigd. In artikel 11 staat dat bij ondertekening van dit contract door de huurder de waarborgsom van € 3.500,00 (zijnde twee maanden huur) wordt betaald, de eenmalige administratiekosten van € 0,00 en de huurprijs, inclusief het voorschot voor leveringen en diensten en de kosten voor de bijkomende leveringen en diensten ad € 1.750,00, totaal € 5.250,00. Tenslotte bepaalt artikel 18 dat indien huurder in gebreke blijft met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door verhuurder gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van huurder zijn. Het tweede lid van artikel 18 bepaalt dat de ingevolge door dit artikel door huurder aan verhuurder te betalen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn op het moment dat verhuurder haar vordering op huurder uit handen geeft en 15% bedragen vermeerderd met het geldende btw-percentage van de uit handen gegeven vordering.

2.3.

[ex-partner] was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [appellante] . Bij beschikking van 25 september 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de

echtscheiding tussen [appellante] en [ex-partner] uitgesproken en is in het kader van de

boedelverdeling het appartement aan [appellante] toebedeeld. De echtscheidingsbeschikking is op 7 maart 2014 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

2.4.

In de periode van april 2016 tot en met september 2016 heeft [geïntimeerden] maandelijks een bedrag van € 500,00 ingehouden op de huur wegens niet werkende elektrische rolluiken en een voortdurend tikkend geluid daarvan.

2.5.

Tot en met juli 2016 heeft [geïntimeerden] de huurbetaling op de “en/of rekening” van [appellante] en [ex-partner] verricht.

2.6.

In juli 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde 2] verzocht om de huur voortaan op de door haar genoemde bankrekening te voldoen. Vanaf 1 oktober 2016 heeft [geïntimeerden] geen huurpenningen meer betaald.

2.7.

Per 28 februari 2017 heeft [geïntimeerden] het appartement verlaten, waarna het appartement is verkocht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg (in conventie, na eiswijziging) – samengevat – gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van € 17.540,93 en de incassokosten van

€ 2.127,41 dan wel gebaseerd op de WIK van € 892,21, een en ander vermeerderd met wettelijke rente. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij gerechtigd is tot de ontvangst van deze bedragen omdat de eigendom van het appartement in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap aan haar is toebedeeld en zij sindsdien de verhuurder is.

3.2.

[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg in conventie betwist dat [appellante] gerechtigd is de vordering te innen en gesteld dat zij niet bevrijdend kan betalen aan [appellante] . Voorts heeft zij (in reconventie) – samengevat – gevorderd betaling door [appellante] van € 5.250,00 aan borgsom (voor zover deze niet verrekend kan worden) en € 10.000,00 voor gederfd huurgenot.

3.3.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 11 oktober 2017:

[appellante] toegelaten tot het bewijs:

(i.) dat zij vanaf juli 2013 volledig eigenaar is geworden van het appartement en dat [geïntimeerden] enkel aan haar bevrijdend kon betalen;

(ii) dat een huurprijs van € 1.900,00 per maand is overeengekomen.

[geïntimeerden] is toegelaten tot het bewijs:

(i) van de omvang van haar betalingen aan de VVE wegens de eigen bijdrage voor het appartement;

(ii) tot het bewijs dat bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom door [geïntimeerden] is betaald van € 5.250,00 naast de eerste huurtermijn.

3.4.

Bij eindvonnis van 14 februari 2018 heeft de kantonrechter [appellante] niet geslaagd geoordeeld in de hiervoor onder 3.3. sub i omschreven bewijsopdracht en is de vordering van [appellante] (in conventie) afgewezen. Vervolgens heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerden] (in reconventie) eveneens afgewezen omdat voor die vordering wegens de afwijzing van de vordering in conventie geen grondslag bestaat.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

[appellante] heeft drie grieven aangevoerd en vordert in hoger beroep haar vordering zoals in eerste aanleg gewijzigd bij akte van 31 mei 2017 alsnog toe te wijzen. [geïntimeerden] heeft niet gegriefd tegen de beslissing in de reconventie.

4.2.

[appellante] heeft tijdens de enquête in eerste aanleg afgezien van het leveren van bewijs van haar stelling dat zij vanaf juli 2013 volledig eigenaar is geworden van het appartement en dat [geïntimeerden] enkel aan haar bevrijdend kon betalen (zie daartoe het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 november 2017). [appellante] heeft bij memorie van grieven (zie pagina 2) toegelicht dat zij niet kan bewijzen dat zij enig eigenaar is geworden van het appartement omdat [ex-partner] niet is ontslagen uit de hoofdelijkheid. Naar het hof begrijpt wordt hiermee bedoeld dat [ex-partner] door de hypotheekhouder op het appartement niet ontslagen werd uit aansprakelijkheid zodat in overeenstemming met de tussen [appellante] en [ex-partner] gemaakte afspraken, de goederenrechtelijke afwikkeling ten aanzien van de eigendom van het appartement niet heeft plaatsgevonden. Daarmee staat voldoende vast dat [appellante] tot het einde van de huurovereenkomst (1 maart 2017) nooit enig eigenaar van het appartement is geweest. Om verhuurder van een zaak te zijn is het niet vereist daarvan ook de eigenaar te zijn. Onbetwist staat echter vast dat [ex-partner] bij het aangaan van de huurovereenkomst met betrekking tot het appartement de verhuurder was. Niet is gesteld noch is anderszins komen vast te staan dat [appellante] [ex-partner] als verhuurder is opgevolgd. Nu (goederenrechtelijke) overdracht van het aandeel van [ex-partner] aan [appellante] niet heeft plaatsgevonden is de huur ook niet langs deze weg op [appellante] overgegaan. Het appartement viel in de huwelijksgemeenschap. De huwelijksgemeenschap is weliswaar ontbonden, maar de verdeling van die gemeenschap is ten aanzien van het appartement kennelijk niet geëffectueerd. Dit betekent dat sprake is van een gemeenschap tussen [appellante] en [ex-partner] , waarop titel 7 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Dit betekent ook dat de huurpenningen niet aan [appellante] persoonlijk toekomen maar aan de gemeenschap van [appellante] en [ex-partner] . Dat het appartement in het kader van de boedelverdeling aan [appellante] is toebedeeld doet aan de onverdeeldheid van de gemeenschap niet af omdat het appartement, ook volgens [appellante] , niet aan haar geleverd is door [ex-partner] en derhalve sprake is van een onverdeelde gemeenschap (zie ook artikel 3:186 BW). Op grond van artikel 3:170 BW geschiedt het beheer van een gemeenschappelijk goed door de deelgenoten gezamenlijk waarbij onder beheer tevens valt het aannemen van een aan de gemeenschap verschuldigde prestatie. Anders gezegd tot inontvangstname van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties zijn alleen de deelgenoten tezamen bevoegd (zie ook: HR 18 maart 1994, ECLI:NL:HR:1999:ZC2868). Het feit dat de deelgenoten gezamenlijk één vorderingsrecht hebben (in dit geval het recht op betaling van de huurpenningen), betekent dat een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap slechts dat ene (gehele) vorderingsrecht kan betreffen. Voormeld feit sluit uit dat een of meer deelgenoten voor zichzelf een rechterlijke uitspraak kunnen verkrijgen ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de vordering (HR 5 maart 1999, NJ 1999/383). De omstandigheid dat [geïntimeerden] [appellante] in vrijwaring kan oproepen indien [geïntimeerden] alsnog door [ex-partner] wordt aangesproken tot betaling van huurpenningen doet daaraan niet af reeds omdat niet is gesteld op welke grond [appellante] hen zou moeten vrijwaren.

Dit betekent voor de vordering in deze zaak dat [appellante] niet gerechtigd is zonder [ex-partner] in rechte betaling te verlangen door [geïntimeerden] en dat haar vordering door de kantonrechter dan ook terecht is afgewezen.

Daarmee is een nadere beoordeling van en beslissing over de hoogte van de tussen partijen overeengekomen huur niet meer van belang.

4.3.

Dit betekent dat alle grieven falen.

4.4.

Het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd

4.5.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,00

- salaris advocaat € 4.296,00 (4 punt x tarief € 1.074,00)

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

5.1.

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 februari 2018;

5.2.

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] . vastgesteld op € 726,00 voor verschotten en op € 4.296,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

5.3.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

griffier, rolraadsheer