Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2584

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
20/00042
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5408, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting vanwege het gebruik van de openbare weg met een auto met buitenlands kenteken. Belanghebbende slaagt deels in de op haar rustende last om aannemelijk te maken dat de auto haar niet feitelijk ter beschikking stond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-09-2020
V-N Vandaag 2020/2164
FutD 2020-2616
V-N 2020/57.31.11
NTFR 2020/2689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00042

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 december 2019, nummer BRE 17/228, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) over de periode 11 juli 2013 tot en met 24 mei 2016 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking een boete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.5.

De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift is op 1 mei 2020 doorgestuurd aan de inspecteur.

1.6.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is sinds 11 juli 2013 ingeschreven in de basisregistratie personen (voorheen: gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens).

2.2.

Op 25 mei 2016 is tijdens een controle op de openbare weg geconstateerd dat belanghebbende een auto bestuurt van het merk Ford Focus met het buitenlands kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Belanghebbende had op dat moment de auto feitelijk tot haar beschikking en zij had op dat moment haar hoofdverblijf in Nederland.

2.3.

Belanghebbende heeft voor de auto geen aangifte mrb gedaan en evenmin heeft zij voor de auto mrb voldaan.

2.4.

De auto is eigendom van een neef van belanghebbende, [de neef] , die in Polen woont (hierna: de neef). De neef was eigenaar van de auto van 16 juni 2011 tot 22 december 2016. De auto is door de neef verzekerd in Polen.

2.5.

In het kentekenregister is opgenomen dat belanghebbende sinds 1 augustus 2016 een auto op haar naam heeft staan. Het kentekenregister vermeldt verder dat de partner van belanghebbende sinds 18 januari 2017 een auto op zijn naam heeft staan. Voor 1 augustus 2016 hadden belanghebbende en haar partner geen auto op hun naam staan. Over het reizen naar het werk voorafgaand aan 1 augustus 2016 heeft belanghebbende tijdens de zitting van de rechtbank het volgende verklaard:

“- periode van april 2013 tot november 2013: ik werkte bij [werkgever 1] en reed met een collega

mee vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] ;

- periode van november 2013 tot oktober 2014: ik kreeg een woning in [woonplaats] ; ik

kon naar [werkgever 1] in [plaats 3] en kon met een collega meereizen;

- periode van oktober 2014 tot juni 2015: ik had een uitkering;

- periode van juni 2015 tot november 2015: ik werkte bij [werkgever 2] in [plaats 2] en ging met de

bus vanuit [woonplaats] naar [plaats 3] ; daar werd ik opgehaald om samen naar [plaats 2] te

gaan; daarna heb ik ontslag genomen;

- periode van november 2015 tot mei 2016: ik heb gewerkt in [plaats 3] ; ik reed mee met

een collega;

- periode van mei 2016 tot juli 2016: ik had een uitkering;

- vanaf augustus 2016: ik heb een eigen zaak en van dat geld heb ik een auto gekocht.

Toen ik startte met mijn eigen zaak heb ik meteen een auto aangeschaft.”.

De verklaring van belanghebbende wordt door de inspecteur niet betwist.

2.6.

Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van [A] . In die verklaring staat dat (i) de neef van begin 2013 tot eind 2016 fulltime werkzaam was bij [werkgever 3] , gevestigd in [plaats 4] (Polen), (ii) de neef in de periode 7 mei 2016 tot 28 augustus 2016 in Nederland verbleef en hier werkzaam was als chauffeur voor het vervoer van arbeidskrachten tussen Nederland en Polen en (iii) de neef in de periode 7 mei 2016 tot 28 augustus 2016 drie keer in Polen is verbleven voor een korte vakantie.

2.7.

Tot de stukken van het geding behoren verder:

- een verklaring van 7 april 2020 van [B] namens [bedrijf] gevestigd in [plaats 5] (Polen) inhoudende dat de auto in de periode 16 juni 2011 tot 22 december 2016 regelmatig in de garage is geweest voor onderhoud en reparaties;

- een verklaring van [C] van 8 april 2020 gevestigd te [plaats 6] (Polen) inhoudende dat de auto door de neef gedurende de periode 16 juni 2011 tot 22 december 2016 is verzekerd;

- een verklaring van het regionaal bestuur in [plaats 5] van 8 maart 2018 inhoudende dat de auto gedurende de periode 16 juni 2011 tot 22 december 2016 eigendom was van de neef;

- een verklaring van de gemeente [plaats 5] van 7 april 2020 inhoudende dat de neef staat ingeschreven op het adres [adres] , [plaats 7] (Polen);

- een verklaring van het regionaal keuringsstation in [plaats 5] van 7 april 2020 inhoudende dat de auto in de jaren 2011 tot en met 2016 telkens in de maand juni periodiek is gekeurd.

2.8.

Met dagtekening 16 november 2016 is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 3.553. De naheffingsaanslag is berekend over de tijdvakken van 11 juli 2013 tot en met 24 mei 2016. Gelijktijdig is een boetebeschikking gegeven van € 3.553.

2.9.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag en boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.10.

De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 60. De rechtbank is tot deze vermindering gekomen, omdat de rechtbank van oordeel is dat slechts voor de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. De boetebeschikking is door de rechtbank eveneens verminderd tot € 60.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de naheffingsaanslag, na de vermindering daarvan door de rechtbank, naar het juiste bedrag vastgesteld?

II. Is de boete, na vermindering door de rechtbank, passend en geboden?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De naheffingsaanslag

4.1.

Artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet mrb) maakt naheffing van mrb mogelijk bij constatering van het feit dat met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland, terwijl voor dat motorrijtuig geen mrb is betaald. Dat een dergelijke situatie zich hier heeft voorgedaan is tussen partijen niet in geschil. Wel is in geschil de hoogte van de naheffingsaanslag.

4.2.

Voor de buitenlands-kenteken-gevallen bedoeld in artikel 34 Wet mrb bepaalt artikel 13 Wet mrb de aanvang van het naheffingstijdvak. Het naheffingstijdvak vangt – voor zover van belang – aan met ingang van de dag waarop degene die het voertuig feitelijk ter beschikking heeft, is ingeschreven in de basisregistratie personen en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later.1 Dit vermoeden geldt tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan. In dat geval vangt het tijdvak aan met ingang van laatstbedoelde datum. Voor het door belanghebbende te leveren tegenbewijs dat de auto haar in Nederland op een later moment ter beschikking stond dan 11 juli 2013, is voldoende dat belanghebbende dit aannemelijk maakt.2

4.3.

De naheffingsaanslag is door de rechtbank verminderd tot € 60. De rechtbank acht belanghebbende voor de periode 11 juli 2013 tot en met 6 mei 2016 geslaagd in de op haar rustende last om aannemelijk te maken dat de auto haar niet feitelijk ter beschikking stond. Voor de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016, de periode dat de neef in Nederland verbleef, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet het tegenbewijs heeft geleverd.

4.4.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de naheffingsaanslag ten onrechte heeft beperkt tot de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016. De eigen verklaring van belanghebbende en de verklaring van een familielid, in dit geval de neef, zijn volgens de inspecteur op zichzelf beschouwd van onvoldoende gewicht om te kunnen dienen als tegenbewijs van het feitelijk ter beschikking staan. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur verzuimd om objectief verifieerbare gegevens over te leggen die haar verhaal ondersteunen. De inspecteur heeft enkele voorbeelden genoemd van dergelijke gegevens, waarbij door de inspecteur is opgemerkt dat overlegging van die gegevens niet zonder meer leidt tot de conclusie dat belanghebbende het tegenbewijs heeft geleverd.

4.5.

Het hof stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld, het onder 4.1 en 4.2 geschetste juridisch kader van toepassing is. Gelet op dat juridisch kader is voldoende dat belanghebbende aannemelijk maakt dat of in hoeverre de auto haar niet feitelijk ter beschikking stond. De vrije bewijsleer brengt met zich dat de rechter vrij is in de keuze van de bewijsmiddelen en de waardering daarvan. De stelling van de inspecteur dat in een geval als het onderhavige de verklaringen van een belanghebbende en een familielid onder alle omstandigheden van onvoldoende gewicht zijn om te voldoen aan voornoemde bewijslast, wordt daarom door het hof verworpen. Weliswaar zal in een dergelijke situatie in veel gevallen objectief verifieerbaar bewijs vereist zijn voordat een belanghebbende voldoet aan de bewijslast, maar gelet op de vrije bewijsleer is dat niet zonder meer het geval. Overigens heeft belanghebbende bij het verweerschrift in hoger beroep diverse verklaringen van derden overgelegd (zie 2.6 en 2.7). Op basis van de stukken van het geding komt het hof tot het volgende oordeel.

4.6.

Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de auto haar in de periode 11 juli 2013 tot en met 6 mei 2016 niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Niet in geschil is dat de auto eigendom was van de neef die in Polen woont en dat de auto ook in Polen was verzekerd. Verder volgt uit de door belanghebbende overgelegde verklaringen van derden dat de auto in Polen jaarlijks werd gekeurd en dat reparaties en onderhoud in Polen werden uitgevoerd. Belanghebbende heeft tijdens de zitting van de rechtbank verklaard hoe zij in de periode 11 juli 2013 tot en met 6 mei 2016 naar haar werk is gereisd. De inspecteur heeft over die verklaring gezegd dat die niet door hem wordt betwist. Gelet op dit alles acht het hof belanghebbende voor de periode 11 juli 2013 tot en met 6 mei 2016 geslaagd in het door haar te leveren tegenbewijs.

4.7.

Voor de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 komt het hof in navolging van de rechtbank tot een ander oordeel. De neef verbleef in die periode namelijk (regelmatig) met de auto in Nederland. In dat licht bezien zijn de verklaringen van belanghebbende, haar neef en de overige bewijsmiddelen van onvoldoende gewicht of onvoldoende specifiek om de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016, of een deel daarvan, buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto haar gedurende de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 niet feitelijk ter beschikking stond.

4.8.

De naheffingsaanslag is terecht opgelegd voor zover die ziet op de periode 7 mei 2016 tot en met 24 mei 2016. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen en heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 60. Het hof zal de vermindering van de naheffingsaanslag tot dit bedrag dan ook bevestigen.

Boete

4.9.

Bij naheffing op grond van artikel 34 Wet mrb kan ingevolge artikel 37 Wet mrb een verzuimboete als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) worden opgelegd wegens het niet op aangifte voldoen van mrb. Op grond van paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) kan voor deze beboetbare gedraging een boete worden opgelegd van maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald, met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c AWR.

4.10.

Gelet op het hiervoor gegeven oordeel over de naheffingsaanslag moet de boete in elk geval worden verminderd tot € 60. Het hof acht een boete van € 60 ook passend en geboden. Anders dan binnenlandse kentekens staan buitenlandse kentekens niet in Nederland geregistreerd. Daardoor is de inspecteur bij buitenlandse kentekens veel beperkter in zijn controlemogelijkheden en afhankelijker van de mate waarin de houder van een motorrijtuig uit eigen beweging zijn verplichtingen in het kader van de Wet mrb nakomt. De Hoge Raad heeft in de onder 4.2 vermelde arresten van 5 april 2019 overwogen dat voor de vraag of de boete passend en geboden is, onder meer van belang is de omstandigheid dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van een berekeningsvoorschrift. In het onderhavige geval ziet het hof, mede gelet op de duur van de periode waarop de naheffingsaanslag uiteindelijk betrekking heeft, daarin geen aanleiding om de boete te verminderen. Overige omstandigheden dat de boete niet passend en geboden is, zijn gesteld noch gebleken.

4.11.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep tegen de boete is overschreden. Gelet op het bedrag van de boete (€ 60) wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.3

Tussenconclusie

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 532, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de toekenning van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde forfaitaire bedragen.

4.15.

Het hof stelt de vergoeding op 1 (punt)4 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 525.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 538;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 525.

De uitspraak is gedaan door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Artikel 13, lid 2, Wet mrb.

2 Hoge Raad 5 april 2019, nrs. 18/02986 en 18/02987, ECLI:NL:HR:2019:482 en 483.

3 Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7.

4 1 punt voor het verweerschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.