Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
200.277.640/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beschikking waarbij verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak: 13 augustus 2020

Zaaknummer: 200.277.640/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/353213 / EX RK 19-201

in de zaak van

[NV] NV,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] (België),

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. P.E. Mazel te Amsterdam,

tegen

Beter Bed BV,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Beter Bed ,

advocaat: mr. J.M.J. Arts te Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Naar aanleiding van het verzoek (in eerste aanleg) van [appellante] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht heeft de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, op 27 maart 2020 een beschikking gegeven en daarbij het verzoek van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, tot op dat moment aan de zijde van Beter Bed begroot op € 639,00 aan griffierecht en € 1.086,00 aan bijdrage in het salaris van de advocaat.

1.2.

[appellante] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Bij verzoekschrift (in hoger beroep) met bijlagen, ingekomen ter griffie van dit hof op 29 april 2020, heeft [appellante] het hof verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog toe te wijzen waarom [appellante] in eerste instantie heeft verzocht en Beter Bed te veroordelen in de kosten van dit geding in beide instanties.

1.3.

Beter Bed heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie op 22 juni 2020.

1.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 februari 2020 alsmede van de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door de advocaat van Beter Bed overgelegde spreekaantekeningen.

1.5.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens [appellante] de heer [personeelsdirecteur] (personeelsdirecteur van [appellante] ) en de heer [juridisch medewerker] (juridisch medewerker [appellante] ), bijgestaan door mr. Mazel en diens kantoorgenoot, mr. D. van de Kamp,

  • -

    namens Beter Bed , de heer [financieel directeur] (financieel directeur van Beter Bed ), bijgestaan door mr. L. Geldof, kantoorgenoot van mr. Arts.

2 De gronden van het verzoek

Het hof verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat om het volgende.

- [appellante] produceert en levert matrassen, onder andere aan Beter Bed .

- Op 5 oktober 2017 waarschuwt BASF Polyurethanes GmbH (hierna: BASF), een toeleverancier van [appellante] , dat een door haar gefabriceerd en geleverd ingrediënt nodig voor de fabricage van matrassen (Lupranate T 80 A) een te hoog gehalte van de gevaarlijke en mogelijk kankerverwekkende stof dichloorbenzeen bevat.

- In reactie op deze waarschuwing heeft [appellante] de levering van matrassen aan Beter Bed stopgezet en daarbij Beter Bed opgeroepen de reeds geleverde matrassen eerst te testen alvorens deze aan consumenten door te leveren. Op 19 oktober 2017 berichtte BASF dat er (toch) geen gevaar voor de volksgezondheid bestond waarop [appellante] op 20 oktober 2019 aan Beter Bed berichtte dat de fabricage en levering van matrassen weer hervat zou worden.

- Beter Bed stelt als gevolg van de waarschuwing en oproep tot testen van BASF alsmede van de leverstop van [appellante] schade te hebben geleden en stelt hiervoor [appellante] , op basis van de overeenkomst tussen partijen alsmede van de toepasselijke algemene voorwaarden van Beter Bed , aansprakelijk.

- Omdat partijen een en ander niet in der minne hebben weten te schikken heeft Beter Bed [appellante] in rechte betrokken waarbij zij een verklaring voor recht vordert dat [appellante] aansprakelijk is voor de door haar veroorzaakte schade met een verwijzing naar de schadestaatprocedure. In diezelfde door Beter Bed gestelde schade wenst [appellante] thans middels een voorlopig deskundigenonderzoek meer inzicht te krijgen.

- Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] tot het hiertoe gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek afgewezen en daartoe als volgt overwogen:

“4.2. Primair voert Beter Bed aan dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat het in strijd is met de goede procesorde (prematuur) is. De rechtbank sluit zich hierbij aan. In de bodemprocedure staat de aansprakelijkheid van [appellante] en het causale verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de schade nog niet vast. De omvang van de schade is iets dat pas, nadat over de aansprakelijkheid en het causale verband een beslissing is genomen (eventueel nog) aan de orde zal komen. Op dit moment is derhalve nog niet duidelijk of de omvang van de schade überhaupt dient te worden vastgesteld en of beantwoording van die vraag (derhalve) aan een deskundige dient te worden voorgelegd. Een voorlopig deskundigenonderzoek is dus op dit moment, in dit stadium van de bodemprocedure, prematuur en in strijd met de goede procesorde. Verder is er een bevoegdheidsincident aanhangig gemaakt, zodat ook de bevoegdheid van de rechtbank nog niet vast staat. Om deze redenen wijst de rechtbank het verzoek dan ook af.

4.3.

Verder wijst de rechtbank erop dat de vragen, zoals die door [appellante] in haar verzoek zijn voorgesteld zich niet, althans onvoldoende, lenen voor beantwoording door een deskundige. De vragen zien vooral op het causale verband tussen de schade en de aansprakelijkheid. Deze vragen zijn bij uitstek bedoeld voor beantwoording door een bodemrechter.”

3.2.

[appellante] is in hoger beroep gekomen omdat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank. Zij voert daartoe, kort gezegd, het navolgende aan. Bij incidenteel vonnis van 26 februari 2020 heeft de rechtbank haar bevoegdheid aangenomen. Ook is het in een procedure als deze niet nodig dat er al een zaak aanhangig is. Verder stelt [appellante] dat er van misbruik van recht geen sprake is. Van een onevenredigheid van betrokken belangen is ook geen sprake. Beter Bed is een beursgenoteerde vennootschap en de schade is meer dan tweeëneenhalf jaar geleden ontstaan. Men mag aannemen dat Beter Bed de door haar gestelde schade inmiddels wel kan, maar niet wil becijferen, althans de omvang van de schade niet aan [appellante] bekend wil maken. Het belang van [appellante] om mogelijk niet tot in lengte van jaren te moeten procederen over de aansprakelijkheid legt volgens [appellante] wel degelijk gewicht in de schaal. Beter Bed mag een processtrategie ontwikkeld hebben, het staat [appellante] vrij zich daartegen te verzetten.

Verder is de rechtbank niet gebonden aan de door [appellante] voorgestelde vragen, over welke vragen Beter Bed overigens in het geheel geen inhoudelijke opmerkingen heeft gemaakt.

Daarbij heeft de Hoge Raad al op 2 februari 1990 bepaald dat het een rechter vrij staat om zich ook omtrent zuiver juridische vragen door en deskundige te laten voorlichten.

Ook vraagt [appellante] zich af waarom de rechtbank van oordeel is dat de door [appellante] voorgestelde vragen vooral op oorzakelijk verband en aansprakelijkheid zouden zien. De hoofdmoot van de in het verzoek vermelde vragen heeft betrekking op de hoogte van de beweerdelijk door Beter Bed geleden schade. Alleen al vanwege het feit dat ieder document dat enige schade aan de zijde van Beter Bed schraagt ontbreekt, is het onbegrijpelijk dat de rechtbank overweegt dat het verzoek van [appellante] vooral om de causaliteit zou gaan. Het verzoek van [appellante] voldoet aan de vereisten van artikel 203, lid 2 sub b Rv.

Tot slot wijst [appellante] er op dat veel expertiseberichten een oordeel bevatten over causaliteit en (in mindere mate) aansprakelijkheid. Dat doet niet af aan de bruikbaarheid van dergelijke berichten. Hoewel deze berichten dikwijls de grondslag vormen voor een definitieve schadeafhandeling staat het eenieder vrij te betogen dat de deskundige het niet bij het rechte eind heeft en dat de schade in werkelijkheid hoger of lager is. De bodemrechter heeft dan het laatste woord.

3.3.

Hieraan is namens [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, nog het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan dat door de rechtbank in de bodemprocedure inmiddels een comparitie van partijen is gelast, en wel op 1 december 2020. Verder geeft [appellante] aan dat daags voor de zitting bij het hof een overleg heeft plaatsgevonden tussen BASF en Beter Bed waarbij is afgesproken dat Beter Bed de stukken, die [appellante] nu door een deskundige onderzocht zou willen zien, wel aan BASF zal doen toekomen. [appellante] wil deze kwestie zo snel mogelijk uit de wereld hebben en is dan ook bereid om te schikken. Maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat Beter Bed de schade die zij stelt te hebben geleden, door middel van onderliggende bescheiden onderbouwt. Ook is het nog maar de vraag of bij het vaststellen van deze schade de algemene voorwaarden van Beter Bed wel van toepassing zijn.

[appellante] heeft inmiddels afspraken met BASF gemaakt, maar daarbij is de door Beter Bed geclaimde schade tot op dit moment buiten beschouwing gebleven. Wel heeft BASF [appellante] de vrijheid gegeven om met Beter Bed te schikken zodra de hoogte van de schade exact vast komt te staan. Mogelijk dat BASF [appellante] op enig moment ook voor alle, dan wel een gedeelte van de door Beter Bed geclaimde schade gaat vrijwaren, maar daarvan is nu nog geen sprake. Dat [appellante] , hoewel zij iedere aansprakelijkheid jegens Beter Bed op dit moment betwist, in beginsel toch bereid is om met Beter Bed te schikken komt, omdat zij haar commerciële relatie met Beter Bed graag wil voortzetten. [appellante] wil alleen niet schikken voor het bedrag dat op dit moment door Beter Bed zonder enige nadere onderbouwing genoemd is, namelijk ruim € 300.000,00. Daarbij komt dat met het door BASF gefabriceerde en door [appellante] verwerkte schuim Lupranate T 80 A uiteindelijk ook helemaal niets aan de hand bleek te zijn. [appellante] heeft dus ook helemaal niets verkeerd gedaan. [appellante] is op basis van een eigen inschatting van mening dat de werkelijk door Beter Bed geleden schade ergens tussen de € 45.000,00 en € 90.000,00 zal liggen en voor dat bedrag wil [appellante] , als daarmee de kwestie definitief uit de wereld is, schikken. Maar het op voorhand erkennen van de aansprakelijkheid komt in dit geval feitelijk neer op het tekenen van een blanco cheque en daartoe is [appellante] niet bereid.

Het is juist dat [appellante] niet is ingegaan op de uitnodiging van Beter Bed om op het kantoor van Beter Bed gezamenlijk de documenten te bekijken op basis waarvan Beter Bed de door haar geleden schade begroot heeft. Het gaat dan bijvoorbeeld om facturen, werkroosters en annuleringsbrieven. [appellante] zou van deze documenten graag vooraf kopieën ontvangen om te bezien of het wel zinvol is een (eigen) deskundige naar Beter Bed af te laten reizen. Beter Bed heeft deze documenten echter niet (ook niet in kopie) voorafgaand aan een dergelijk overleg aan [appellante] ter hand willen stellen. Daar komt bij dat Beter Bed matrassen inkoopt van acht verschillende matrasfabrikanten die alle hun schuim bij BASF inkopen. [appellante] vraagt zich af hoe het op het punt van de gestelde schade dan zit met de aansprakelijkheid van die overige zeven toeleveranciers. Beter Bed geeft hier geen informatie over.

3.4.

Beter Bed heeft bij verweerschrift, kortgezegd, het volgende betoogd. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het verzoek van [appellante] prematuur is, omdat in de bodemprocedure de aansprakelijkheid van [appellante] en het causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de daardoor geleden schade nog niet vast staat. Het is daarom nog steeds niet duidelijk of de omvang van de schade überhaupt moet worden vastgesteld. Het verzoek van [appellante] is prematuur en (mede daardoor) in strijd met de goede procesorde. Het feit dat op het bevoegdheidsincident inmiddels is beslist doet hieraan niets af. Het verzoek van [appellante] heeft bovendien geen betrekking op feiten of omstandigheden die van beslissend belang zijn voor de beslechting van het geschil in de bodemprocedure. In deze procedure staat immers nog niet vast of [appellante] aansprakelijk is.

Ook heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd waarom een deskundigenbericht nodig zou zijn om te beoordelen of het raadzaam is de procedure voort te zetten. [appellante] geeft slechts aan dat zij overweegt de aansprakelijkheid te erkennen als de schade van Beter Bed gering of nihil is, maar geeft niet aan niet hoe laag het schadebedrag precies moet/mag zijn en wat de consequenties van deze erkenning zouden zijn. Daarbij heeft [appellante] al de nodige onderbouwing van Beter Bed gekregen. Beter Bed heeft ook anderhalf jaar lang getracht de kwestie met [appellante] te schikken, maar [appellante] heeft al deze tijd de boot afgehouden.

Beter Bed vraagt in de bodemprocedure uitdrukkelijk om een verwijzing naar de schadestaat. Hiervoor hoeft zij slechts de mogelijkheid van schade als gevolg van wanprestatie aannemelijk te maken en is zij niet gehouden de omvang van deze schade (onderbouwd) te noemen. In de dagvaarding heeft Beter Bed de mogelijkheid van schade al voldoende aannemelijk gemaakt en daarbij ook een (geschatte) schadeomvang genoemd.

Beter Bed heeft BASF inmiddels ook in rechte betrokken. Deze procedure loopt parallel aan de procedure tegen [appellante] . Beter Bed heeft een legitiem belang, omdat schade die mogelijk door BASF zal worden vergoed mogelijk in mindering kan strekken op het van [appellante] te vorderen bedrag en andersom. Vanuit het oogpunt van een goede procesorde is het dan ook efficiënter om eerst over de aansprakelijkheid te oordelen, nog daargelaten de extra kosten die met het gelasten van een mogelijk zinloos deskundigenonderzoek gemoeid zijn.

Verder stelt Beter Bed dat zij wel degelijk heeft aangevoerd dat de door [appellante] geformuleerde vragen zich niet lenen voor beantwoording door een deskundige. Dit omdat die vragen vooral zien op het causale verband tussen schade en aansprakelijkheid. Daarbij spelen ook de algemene voorwaarden van Beter Bed een belangrijke rol en partijen twisten over de vraag of die algemene voorwaarden tussen partijen van toepassing zijn. Het is aan de rechter en niet aan een deskundige om te oordelen of die algemene voorwaarden van toepassing zijn.

[appellante] vraagt ook om een voorlopig deskundigenbericht en niet om een regulier deskundigenbericht. Een voorlopig deskundigenbericht dient vooral voor het veiligstellen en vergaren van bewijs en kan alleen worden gebruikt voor feiten die zich voor bewijslevering lenen en niet voor het verkrijgen van een juridische beoordeling die is voorbehouden aan de rechter. De functie van een regulier deskundigenbericht is het voorlichten van de rechter.

Indien het hof het verzoek van [appellante] alsnog toe zou wijzen sluit Beter Bed zich aan bij het standpunt van [appellante] dat volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige. Daarbij verzoekt Beter Bed het hof dan een deskundige te benoemen met een gedegen kennis en ervaring op het gebeid van de Retail sector, het taxeren van bedrijfsschade en financiële verslaglegging. Daarnaast formuleert Beter Bed een aantal vragen die zij aan de te benoemen deskundige voor zou willen leggen en verzoekt het hof te bepalen dat beide partijen de kosten van het onderzoek bij helfte zullen dragen, maar dat [appellante] als verzoekende partij ex artikel 195 Rv het voorschot dient te voldoen.

Dat Beter Bed de stukken waaruit de omvang van de door haar geleden schade kan worden herleid wel naar BASF gaat sturen maar niet naar [appellante] komt omdat, nadat er met beiden gesproken was, vanuit BASF wel enige toenadering kwam, maar niet vanuit [appellante] .

3.5.

Hieraan is namens Beter Bed bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, kortgezegd, nog het volgende toegevoegd. [appellante] is nooit ingegaan op het voorstel van Beter Bed om ten kantore van laatstgenoemde de schadeposten samen door te nemen. Er is wel een gesprek met BASF geweest, en het is Beter Bed bekend dat BASF ook in deze procedure feitelijk op de achtergrond de regie voert. Daarbij vraagt Beter Bed zich bovendien nadrukkelijk af wat het belang van [appellante] bij het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek nog is indien BASF [appellante] gaat vrijwaren voor de door Beter Bed geleden en geclaimde schade.

Verder heeft Beter Bed tijdens de mondelinge behandeling haar verweerschrift toegelicht en volhard bij wat daarin is opgenomen.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft, dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vgl. HR 30 maart 2007, NJ 2007/189, ECLI:NL:HR:2007:AZ5448).

3.6.2.

Uit de stukken en uit wat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door partijen is aangedragen blijkt dat in de bodemprocedure de door Beter Bed gestelde aansprakelijkheid van [appellante] en ook het causale verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de door Beter Bed gestelde schade nog niet vast is komen te staan. De omvang van de schade, zoals [appellante] die conform onderhavig verzoek middels een voorlopig deskundigenonderzoek wil laten vaststellen, is iets dat pas nadat over de aansprakelijkheid en het causale verband een beslissing is genomen (mogelijk) nog aan de orde zal komen. Op dit moment is daarom nog niet duidelijk of de omvang van de schade überhaupt op enig moment (nog) zal dienen te worden vastgesteld en of beantwoording van die vraag dan aan een deskundige dient te worden voorgelegd.

Een voorlopig deskundigenonderzoek is op dit moment, gelet op stadium waarin de bodemprocedure zich bevindt -en mede gezien de door het hof hierna onder 3.6.4. gemaakte belangenafweging-, naar het oordeel van het hof prematuur en om die reden in strijd met de goede procesorde.

3.6.3.

Daarbij overweegt het hof bovendien dat, als in de bodemprocedure op enig moment de aansprakelijkheid van [appellante] en het causale verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de door Beter Bed gestelde schade komen vast te staan, de bodemrechter ook zal moeten oordelen of de algemene voorwaarden van Beter Bed van toepassing zijn. Het al dan niet van toepassing zijn van deze voorwaarden is of kan van aanzienlijke invloed op de omvang van de door Beter Bed gestelde schade zijn. Over de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden is in de bodemprocedure ook nog niet beslist. Ook deze omstandigheid is van belang voor het oordeel van het hof dat het verzoek van [appellante] prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde is.

3.6.4.

Daar komt bij dat [appellante] geen gebruik gemaakt heeft van het aanbod van Beter Bed om de stukken die door Beter Bed ten grondslag zijn gelegd aan de berekening van de door haar geleden schade ten kantore van Beter Bed te [vestigings- en kantoorplaats] in te komen zien. [appellante] wilde pas op deze uitnodiging ingaan als de stukken die door Beter Bed bij die gelegenheid aan [appellante] ter inzage zouden worden gegeven op voorhand (in kopie) door Beter Bed aan [appellante] zouden worden toegezonden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] hierover verklaard dat zij vooraf zeker wilde weten dat het zenden van een delegatie naar [vestigings- en kantoorplaats] , gelet op de aard en inhoud van deze stukken, zinvol zou zijn. Het hof kan deze redenering van [appellante] niet volgen, omdat [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook heeft aangegeven te beseffen dat er aan het door haar verzochte voorlopig deskundigenonderzoek naar dezelfde stukken een fors bedrag aan voorschot voor de deskundige verbonden zal zijn, waarbij [appellante] bovendien aangaf bereid te zijn dit voorschot, als verzoekende partij, volledig te dragen. Bovendien staat deze (proces)houding van [appellante] naar het oordeel van het hof ook op gespannen voet met de ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedane mededeling van [appellante] dat zij, met name vanuit commercieel oogpunt, deze kwestie zo snel mogelijk wil afronden, dat zij haar goede zakenrelatie met Beter Bed wil behouden en dat zij in beginsel ook bereid is de zaak te schikken. In dit kader overweegt het hof verder dat de comparitie van partijen in de bodemprocedure, die in beginsel als (hoofd)doel heeft het beproeven van een schikking tussen partijen , ook niet op korte termijn plaats zal gaan vinden, omdat die zitting is bepaald op 1 december 2020. In dit licht valt niet in te zien waarom, bij afweging van alle belangen, van [appellante] niet kan worden verwacht dat zij op het kantoor van Beter Bed de door Beter Bed aan haar schadeclaim ten grondslag gelegde bescheiden gaat inzien en bestuderen in het kader van het bereiken van een in het bijzonder ook door [appellante] gewenste minnelijke regeling. Een dergelijk overleg en onderzoek zal sneller en met minder kosten kunnen gebeuren dan in het geval dat er een voorlopig deskundigenbericht wordt gelast, wat ook omstandigheden zijn waarmee het hof bij de afweging van de belangen van partijen en de beoordeling rekening dient te houden.

3.6.5.

Daarbij merkt het hof op dat voornoemde stukken inmiddels al wel door Beter Bed aan BASF gezonden zijn, althans dat Beter Bed hiervoor op korte termijn zorg zal dragen. Omdat er mogelijk sprake is van het verstrekken van een vrijwaring door BASF aan [appellante] met betrekking tot de (volledige) door Beter Bed geclaimde schade acht het hof

-nog steeds onder de gemaakte belangenafweging- het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek ook om die reden prematuur en in strijd met de goede procesorde. Het is immers niet uitgesloten dat op basis van de door Beter Bed aan BASF gezonden stukken BASF en [appellante] op hun beurt tot overeenstemming komen met betrekking tot de door BASF aan [appellante] te vergoeden tegemoetkoming in de door Beter Bed bij [appellante] geclaimde schade en dat Beter Bed dan akkoord gaat met het op grond hiervan door [appellante] aan Beter Bed gedane schikkingsvoorstel.

3.6.6.

Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep bekrachtigen met aanvulling van de gronden en zal daarbij [appellante] , als de in het ongelijk gestelde partij, conform verzoek van Beter Bed zoals bij verweerschrift gedaan, veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, begroot op € 760,00 aan griffierecht en € 2.148,00 aan salaris gemachtigde. Het hof zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van dit geding in hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Beter Bed worden begroot op € 760,00 aan griffierechten en op € 2.148,00 aan salaris advocaat;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, A.P. Zweers-van Vollenhoven en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2020.