Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2557

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.259.689_01
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHARL:2017:9881
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Pandrecht. Vordering rechtstreeks voortvloeiend uit bestaande rechtsverhouding..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0235
JOR 2020/272 met annotatie van Loesberg, E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.259.689/01

arrest van 11 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid [de Holding]

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna genoemd: [appellante] ,

advocaat: mr. C. Vermeulen

tegen:

de maatschap naar burgerlijk recht MAATSCHAP

[de Maatschap 1] .

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna genoemd [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R. van Biezen,

op de bij oproepingsexploot van 19 mei 2019 ingeleide voortzetting van het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden van het vonnis van 23 september 2018 door de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, kamer voor kantonzaken, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het voormelde vonnis.

2 Het geding in hoger beroep en in cassatie

Het verloop van de procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord

  • -

    het arrest van het hof van 14 november 2017.

[appellante] heeft van voormeld arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 februari 2019 dit arrest vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof. Beide partijen hebben een memorie na verwijzing genomen. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

De Hoge Raad is uitgegaan van de volgende feiten:

( i) [geïntimeerde] is een maatschap van accountants en fiscalisten. [appellante] heeft vanaf enig moment haar boekhouding laten verzorgen door de maatschap [de Maatschap 2] (hierna: [de Maatschap 2] ).

(ii) Op 6 november 2007 heeft [geïntimeerde] als kredietgever met een aantal kredietnemers, waaronder [de Maatschap 2] , een 'Rekening-courantovereenkomst met kredietfaciliteit' gesloten (hierna: de rekening-courantovereenkomst). Art. 7 van deze overeenkomst luidt, voor zover in deze zaak van belang, als volgt:

"Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van het

in artikel 1 genoemde krediet als opgenomen in

bijlage 1, of het resterende gedeelte daarvan met

rente en eventuele kosten, geven kredietnemers allen

ieder voor zich aan kredietgever in pand al hun activa

Onder dit pandrecht op deze activa wordt in ieder

geval verstaan pandrechten op alle immateriële vaste

activa, op alle goodwill, op alle aandelen, op alle

goederen zoals alle huidige en toekomstige

(bedrijfs)vorderingen op derden, zoals deze op enig

tijdstip zijn samengesteld. (...)"

(iii) De rekening-courantovereenkomst is op 8 december 2010

geregistreerd bij de belastingdienst in Arnhem.

(iv) In 2012 heeft [de Maatschap 2] in totaal € 11.033,07 aan [appellante]

in rekening gebracht voor verrichte werkzaamheden. Het gaat

om de volgende facturen:

Factuurnummer datum vervaldatum bedrag

[factuurnummer 1] 19-7-2012 18-8-2012 € 4.359,72

[factuurnummer 2] 22-8-2012 21-9-2012 € 378,42

[factuurnummer 3] 11-9-2012 11-10-2012 € 2.065,54

[factuurnummer 4] 13-11-2012 13-12-2012 € 4.229,39

( v) [de Maatschap 2] heeft, na daartoe te zijn veroordeeld bij vonnis in kort geding van 21 augustus 2012, op 24 augustus 2012 een debiteurenlijst aan [geïntimeerde] afgegeven. Op deze debiteurenlijst is de hiervoor onder (iv) als eerste genoemde vordering vermeld. [geïntimeerde] heeft deze debiteurenlijst geregistreerd op 29 augustus 2012.

(vi) In een brief van [geïntimeerde] aan [appellante] van 5 september 2012

staat het volgende:

"(...) Bij overeenkomst d.d. 6 november 2007 heeft

[ [de Maatschap 2] ] ons een pandrecht verleend op al haar

activa, en dus ook al haar bestaande en toekomstige

vorderingen. Dit pandrecht strekt mede tot de

vordering (en) die (...) [de Maatschap 2] op u heeft of zal

krijgen.

Wij stellen u van deze verpanding op de hoogte,

aangezien (...) [de Maatschap 2] in haar verplichtingen jegens

ons tekortschiet, althans wij goede grond hebben te

vrezen dat zij jegens ons tekort zal schieten. Door

onderhavige mededeling (een mededeling ex. Artikel

3:246 BW) gaat de inningsbevoegdheid van (...) [de Maatschap 2]

over op ons. Elke betaling die u verricht aan (...)

[de Maatschap 2] is onverschuldigd en ontslaat u niet van de

verplichting het verschuldigde bedrag aan ons te

voldoen (u betaalt dan dus twee keer).

(...)

Inmiddels heeft de gerechtsdeurwaarder bij proces¬

verbaal d.d. 24 augustus jl. namens (...) [de Maatschap 2] de

pandlijst aan ons overhandigd, welke pandlijst (...)

[de Maatschap 2] uit hoofde van het kortgeding vonnis d.d.

21 augustus jl. heeft moeten overhandigen.

De pandlijst is geregistreerd op 29 augustus jl..

Bijgaand in afschrift (een deel van) de

geregistreerde pandlijst.

Indien en voor zover (...) [de Maatschap 2] jegens u

incassomaatregelen heeft getroffen, dan kunt u haar

resp. haar advocaat deze brief tonen.

Hierbij verzoeken wij u zorg te dragen voor tijdige

betaling van de in de bijlage opgenomen facturen op

rekeningnummer (...) ter attentie van [de Maatschap 1]

te [vestigingsplaats 2] . Voor zover de

betalingstermijn reeds is verstreken, sommeren wij u

hierbij binnen 5 dagen na heden het verschuldigde

bedrag over te maken op de wijze als hiervoor

uiteengezet. Bij gebreke daarvan zullen wij

incassomaatregelen nemen. (...)"

(vii) In een brief van [de Maatschap 2] aan [appellante] van 9 september 2012 staat het volgende:

" (...) Voor zover ons bekend heeft u van [de Maatschap 1]

een brief gehad waarin zij

u sommeren te betalen op een door hen beheerste

bankrekening.

Het moge duidelijk zijn dat wij verbolgen zijn over

deze acties van [de Maatschap 1] . Het geeft geen pas dat

u als cliënt betrokken wordt. Daarvoor bieden wij u

onze welgemeende excuses aan.

Wij zijn helaas wel genoodzaakt hieronder in te gaan

op de brief van de heer [geïntimeerde] .

De heer [geïntimeerde] verzuimt te vermelden dat in het

kortgeding (vonnis van 21 augustus jl.) [de Maatschap 1] .

een (gedeeltelijke) betaling heeft gevorderd van de

vordering die zij meent te hebben. We hebben met

succes dit bestreden en de kort geding rechter heeft

deze vordering afgewezen. Op dit moment heeft [de Maatschap 1]

geen opeisbare vordering en derhalve ook geen

grond om een pandrecht jegens u in te roepen.

(...)

Wij verzoeken u dan ook uw facturen te betalen op

bankrekening (...) ten name van [de Maatschap 2] onder

vermelding van het factuurnummer (...)"

(viii) Na ontvangst van deze brief heeft [appellante] de eerste drie van de hiervoor onder (iv) vermelde facturen aan [de Maatschap 2] betaald.

(ix) [de Maatschap 2] is op 2 april 2013 in staat van faillissement

verklaard.

( x) In een door onder meer [geïntimeerde] aanhangig gemaakte procedure tegen de curator van [de Maatschap 2] heeft de rechtbank Gelderland bij onherroepelijk geworden vonnis van 28 mei 2014 als volgt beslist:

"(...) 8.2 verklaart voor recht dat door de maatschap

[geïntimeerde] op 8 december 2010 een rechtsgeldig pandrecht

is gevestigd, onder andere op vorderingen op

debiteuren van de maatschap [de Maatschap 2]

;

8.3

verklaart voor recht dat alle vorderingen van de

maatschap [de Maatschap 2] op de

debiteuren die staan vermeld op de volgende

pandlijsten rechtsgeldig aan de maatschap [de Maatschap 1]

zijn verpand:

a. (...)

b. (...)

c. 29 augustus 2012 onder nummer 4.2006959.004 [Hoge

Raad: dat is de hiervoor onder (v) vermelde

debiteurenlijst] ;

8.4

verklaart voor recht dat de maatschap [de Maatschap 1]

na openbaarmaking van haar

pandrechten inningsbevoegd is geworden ten aanzien

van de door de maatschap [de Maatschap 2]

verpande debiteuren en dat deze

debiteuren uitsluitend bevrijdend kunnen betalen aan

de maatschap [de Maatschap 1] ;

8.6

verklaart voor recht dat het pandrecht ook

betreft onderhanden werk, zijnde die werkzaamheden

die wel door de maatschap [de Maatschap 2]

zijn uitgevoerd maar per datum

faillissement nog niet waren gefactureerd; (...)."

(xi) Door middel van een brief van 4 juni 2014 heeft [geïntimeerde]

[appellante] op de hoogte gebracht van het hiervoor onder (x)

genoemde vonnis.

(xii) In een brief van 6 januari 2015 van [geïntimeerde] is [appellante]

aangemaand tot betaling van de vier facturen, vermeerderd

met incassokosten. Verder staat in deze brief:

" (...) U heeft ondanks uw bekendheid met de

openbaarmaking van het pandrecht op 6 september 2012

door cliënte ervoor gekozen om in weerwil van haar

pandrecht te handelen en u heeft op 9 oktober 2012,

op 6 november 2012 en op 19 december 2012 3 facturen

aan [de Maatschap 2] overgemaakt ad totaal € 6.803,68. Dit is

geen bevrijdende betaling en u bent dit bedrag tot op

heden verschuldigd aan cliënte. (...) Daarnaast heeft

u factuurnummer [factuurnummer 4] ad € 4.229,39 d.d.

13 november 2012 onbetaald gelaten. (...)"

3.2

In deze procedure vordert [geïntimeerde] op grond van haar pandrecht veroordeling van [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van het totaalbedrag van de vier facturen (genoemd hiervoor in

3.1

onder (iv)) ter grootte van € 11.033,07, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag.

3.3

De Hoge Raad heeft het volgende overwogen in rov. 5.2:

De processtukken in de feitelijke instanties laten immers geen andere conclusie toe dan dat [geïntimeerde] zich in deze procedure steeds op het standpunt heeft gesteld dat met de hiervoor in 3.1 onder (ii) genoemde rekening-courantovereenkomst alleen de vestiging van een

stil pandrecht is beoogd. Daarbij is [geïntimeerde] weliswaar ervan uitgegaan dat dit op 8 december 2010 geregistreerde stille

pandrecht door de hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde mededeling van 5 september 2012 is 'omgezet' in een 'openbaar pandrecht', en dat hiermee de voor vestiging van een stil pandrecht geldende beperking van art. 3:239 lid 1 (slotpassage) BW ten aanzien van toekomstige vorderingen van [de Maatschap 2] op [appellante] niet meer aan de orde was, maar dit

standpunt van [geïntimeerde] is, gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, niet door het hof gevolgd. Dat standpunt is bovendien onjuist. Indien is beoogd met de pandakte alleen een stil pandrecht te vestigen, biedt die akte immers geen grondslag voor vestiging van (ook) een openbaar pandrecht ('zie hiervoor in 3.6.3), en kan de mededeling de reikwijdte van de akte niet uitbreiden en dus geen openbaar pandrecht tot stand brengen.

3.4

Na verwijzing dient tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] op 8 december 2010 alleen een stil pandrecht heeft gevestigd, de datum waarop de pandakte van 6 november 2007 is geregistreerd. Daarmee rijst de vraag of reeds op 8 december 2010 een rechtsverhouding bestond waaruit het recht op betaling van de onderhavige facturen rechtstreeks is voortgevloeid. [appellante] heeft dit in de memorie van grieven onder 16, 23 en 53-57 betwist. Zij heeft onder 16 gesteld dat zij haar boekhouding sinds 2011 liet verzorgen door [de Maatschap 2] en onder 23 dat de werkzaamheden van [de Maatschap 2] pas in 2012 zijn aangevangen. [geïntimeerde] heeft terecht erop gewezen dat die laatste stelling niet juist kan zijn. Uit de door [appellante] als productie 13 overgelegde factuur blijkt dat het gaat om werkzaamheden tot en met december 2011. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] enkele facturen overgelegd waarin aan [appellante] soortgelijke (boekhoudkundige) werkzaamheden worden gefactureerd als in de onderhavige facturen. Deze facturen vermelden ook hetzelfde debiteurnummer: [debiteurnummer] . Het enige verschil is dat de facturen afkomstig zijn van [de Maatschap 1] te [vestigingsplaats 3] , doch dit is de rechtsvoorgangster van [de Maatschap 2] . [appellante] heeft in haar memorie na verwijzing geen enkele verklaring gegeven voor het bestaan van deze facturen, die erop wijzen dat er al eerder een rechtsverhouding bestond. Dit had echter wel op haar weg gelegen. Op grond van het vorenstaande neemt het hof als onvoldoende betwist aan dat het onderhavige recht op betaling van de facturen voortvloeit uit een reeds op 8 december 2010 bestaande rechtsverhouding.

3.5

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [de Maatschap 2] waarop de facturen betrekking hebben rechtsgeldig waren verpand aan [geïntimeerde] . Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] op 5 september 2012 haar pandrecht bekend gemaakt heeft aan [appellante] . Vanaf dat moment was [geïntimeerde] als enige inningsbevoegd. Dat [appellante] desondanks de facturen aan [de Maatschap 2] heeft betaald, komt voor haar risico. [appellante] had bovendien alle reden om voorzichtig te zijn, nu [geïntimeerde] in haar brief ook melding had gemaakt van het feit dat het proces-verbaal d.d. 24 augustus 2012 van de deurwaarder, onder meer het volgende inhoudt:

mij begeven naar het adres [adres] te [plaats] , alwaar ik sprak met de heer [bestuurder 1] , zijnde één van de de facto bestuurders van gerekwireerde sub 3 ( [de Maatschap 2] , hof), die mij desgevraagd een door hem en de heer [bestuurder 2] getekend overzicht ter hand stelde, welke naar verklaring van de heer [bestuurder 1] voornoemd volstaat als een debiteurenlijst die kan dienen als pandlijst en waarvan het origineel aan dit proces-verbaal is gehecht.”

Hieruit blijkt anders dan [appellante] betoogt dat deze debiteurenlijst bedoeld was als pandakte, die ook als zodanig op 29 augustus 2012 is geregistreerd. De factuur van 19 juli 2012 stond op deze lijst vermeld.

3.6

Het vonnis van de kantonrechter moet dus worden bekrachtigd op de gronden als in 3.4 uiteengezet. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep inclusief de procedure na verwijzing. Deze kosten worden begroot op het griffierecht van € 1.937,00 en op het salaris advocaat van € 1.788,00 (2 punten <memorie van antwoord en memorie na verwijzing> x tarief I ad €894,00). De totale proceskostenveroordeling in hoger beroep beloopt € 3.725,00.

4 De uitspraak

Het hof:

Het hof, rechtdoende

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op een bedrag van € 3.725,00;

verklaart dit arrest wat deze veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst voor zover nodig af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en A.C. Metzelaar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2020.

griffier rolraadsheer