Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2554

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.245.613_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:3009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-08-2020
FutD 2020-2349
NLF 2020/1858 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.245.613/01

Arrest van 11 augustus 2020

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als: [appellante],

advocaat: mr. Y.E.J. Geradts te Amsterdam,

tegen

de Ontvanger van de Belastingdienst,

mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 juli 2018 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 6 juni 2018, in de verzetprocedure ex artikel 17 Invorderingswet 1990 (Iw) tussen [appellante] als eiseres en de Ontvanger als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/331842 / HA ZA 18-172)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep,

  • -

    het tegen de Ontvanger verleende verstek,

  • -

    de memorie van grieven, met producties,

  • -

    de zuivering van het verstek,

  • -

    de memorie van antwoord, met producties,

  • -

    de akte uitlating van de zijde van [appellante] , met producties,

  • -

    de antwoordakte van de zijde van de Ontvanger.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

Aan [appellante] zijn dertig (naheffings)aanslagen loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting opgelegd over de jaren 2014 tot en met 2017. Deze aanslagen zijn niet, althans slechts deels betaald door [appellante] .

3.2.

In de loop van 2016 en 2017 heeft de Ontvanger dertig dwangbevelen voor deze aanslagen uitgevaardigd. Betaling door [appellante] is (grotendeels) uitgebleven.

3.3.

Op 3 november 2017 is door de belastingdeurwaarder een “Exploot Hernieuwd bevel tot betaling” aan [appellante] betekend, met bevel tot directe betaling van de schuld aan de Belastingdienst, inclusief rente en kosten groot € 114.161,34.

Diezelfde dag is door de belastingdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op een aantal roerende zaken die zich bevonden op het adres waar [appellante] kantoor houdt. Op dat adres zijn de enig bestuurder en aandeelhouder van [appellante] , de heer [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] (hierna: [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] ) en diens echtgenote woonachtig. In het proces-verbaal van het beslag is de verkoopdatum van de roerende zaken bepaald op 20 december 2017.

3.4.

Bij brief van 27 november 2017 (volgens de Ontvanger binnengekomen per e-mail van 1 december 2017) heeft [appellante] aan de Ontvanger een voorstel voor een betalingsregeling gedaan om de belastingschuld af te lossen. Ook heeft zij bij deze brief de beslaglegging op de roerende zaken betwist.

3.5.

Bij e-mail van 4 december 2017 heeft de Ontvanger daarop aan [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] medegedeeld: “(…) Om een verzoek om uitstel van betaling/betalingsregeling in te dienen moet u gebruik maken van de formulieren die u aantreft op de site van de Belastingdienst.

( https://www.belastinqdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastinqdienst/zakeliik/aangifte betalen en toezicht/belastinq betalen of terugkrijgen/uitstel van betaling voor ondernemers met betalingsproblemen/) . Zonder dit formulier, inclusief de verplichte bijlagen, wordt een verzoek om uitstel van betaling afgewezen. (…)”. Verder heeft de Ontvanger in deze e-mail, voor zover thans van belang, te kennen gegeven de betwisting van de beslaglegging te beoordelen als een beroep op basis van artikel 22 Iw en dit beroep, zodra het schriftelijk beroep is ontvangen, te zullen afwijzen.

3.6.

Bij “(Verzet)dagvaarding ex art. 17 Invorderingswet 1990” van 12 december 2017 is [appellante] in verzet gekomen tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen.

3.7.

Bij brief van 18 januari 2018 heeft de Ontvanger aan [appellante] medegedeeld: “(…)
Uheeft op 1 december 2017 om uitstel van betaling (of een betalingsregeling) gevraagd. Het 'verzoekformulier uitstel van betaling' noch de daarin gevraagde gegevens en/of bewijsstukken zijn

(volledig) verstrekt.

Ik verzoek u de volgende gegevens uiterlijk 5 februari 2018 alsnog toe te zenden:

- Volledig ingevuld formulier “Verzoek Betalingsregeling en uitstel van belasting en/of premie" (…)

- Alle in dat formulier gevraagde bijlagen (zie de eerste bladzijde van de bijlage)

Als ik de ontbrekende gegevens niet binnen twee weken heb ontvangen, zal ik het verzoek afwijzen.

(…)”. Bij deze brief is een formulier “Verzoek Betalingsregeling en uitstel van betaling van belasting en/of premie” (hierna: verzoekformulier) gevoegd.

3.8.

Bij brief van 2 februari 2018 heeft de advocaat van [appellante] het “door [de vennootschap]

ingevuld formulier met bijlagen (…) voor een betalingsregeling en uitstel” aan de Ontvanger

gezonden.

3.9.

Bij brief van 5 februari 2018 heeft de Ontvanger daarop aan de advocaat van [appellante] laten weten het verzoek om uitstel af te wijzen. Dit omdat niet alle benodigde bijlagen bij het verzoekformulier waren gevoegd en de Ontvanger daardoor niet beschikte over de noodzakelijke gegevens om uitstel te verlenen. In de brief staat voorts vermeld dat tegen de afwijzing beroep kan worden ingesteld bij de directeur van de belastingdienst.

3.10.

Op 14 maart 2018 heeft [appellante] de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure aangebracht bij de rechtbank. De Ontvanger is in die procedure niet verschenen.

3.11.

Bij brief van 19 maart 2018 heeft de advocaat van [appellante] bij de directeur van de belastingdienst beroep aangetekend tegen “de directe afwijzing van het verzoek tot het in behandeling nemen van een betalingsregeling voor (…) [appellante] ”. Bij deze brief heeft de advocaat voorts te kennen gegeven dat het hem zinvol lijkt eerst de verzetprocedure af te wachten en daarna de beroepsprocedure te behandelen.

3.12.

Bij het bestreden vonnis van 6 juni 2018, gewezen op verstek, heeft de rechtbank de vordering van [appellante] tot, kort gezegd, uitstel van betaling en staking van de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen afgewezen.

3.13.

Daarna is tussen de advocaat van [appellante] en de Ontvanger nog gecorrespondeerd. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.

3.14.

Bij aangetekende brief van 27 november 2018, met bijlagen, gericht aan de Belastingdienst [kantoorplaats] hebben/zijn [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote bezwaar gemaakt/in beroep gekomen tegen het beslag op de roerende zaken. Bij aangetekende brief van diezelfde datum hebben [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote ex artikel 345 lid 3 Rv bij de belastingdeurwaarder verzet aangetekend tegen het beslag op de onroerende zaken.

3.15.

Aflossing van de belastingschuld door [appellante] is uitgebleven.

Eerste aanleg

3.16.

De rechtbank heeft in haar verstekvonnis van 6 juni 2018 overwogen en geoordeeld als volgt. Het verzet is gegrond op de stelling van [appellante] dat de Ontvanger geen betalingsregeling heeft willen treffen ten aanzien van de openstaande belastingschuld, terwijl [appellante] voldoet aan de voorwaarden als vermeld in artikel 25.6.2a Leidraad en dat de Ontvanger onzorgvuldig jegens [appellante] handelt door geen uitstel te verlenen en over te gaan tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Uit artikel 25.6.2a van de Leidraad volgt dat de Ontvanger aan een ondernemer (die door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen) onder bepaalde omstandigheden uitstel van betaling kan verlenen. De ondernemer moet daartoe aan de hand van een door een derde deskundige opgemaakte verklaring een aantal zaken aannemelijk maken. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd door [appellante] . Bovendien is uit de door [appellante] overgelegde producties 7, 8 en 9 gebleken dat zij een schriftelijk verzoek tot uitstel van betaling bij de Ontvanger heeft ingediend en dat de Ontvanger dit verzoek heeft afgewezen omdat het verzoek niet was onderbouwd met stukken. Tegen deze beslissing is [appellante] bij brief van 19 maart 2018 in beroep gegaan, waarbij een aantal stukken zijn toegevoegd. Deze beroepsgang is nog lopende. De door [appellante] opgevoerde grond kan, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, de

vordering niet dragen.

Hoger beroep

3.17.

[appellante] heeft in hoger beroep, onder aanvoering van één grief, gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat i) zij terecht in verzet is gekomen tegen de dwangbevelen en de tenuitvoerlegging daarvan, ii) de Ontvanger ten onrechte geen uitstel van betaling heeft willen verlenen voor de belastingschuld hangende een verzoek tot een passende betalingsregeling en iii) de destijds aangekondigde executoriale verkoop onrechtmatig is, omdat deze in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu de verkoop geen enkel redelijk belang diende. Een en ander met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten in beide instanties.

3.18.

Met de grief en haar toelichting daarop klaagt [appellante] , samengevat, dat de rechtbank artikel 139 Rv, op grond waarvan de rechter ingeval van verstek aan de zijde van gedaagde de vordering van eiser toewijst, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt, onjuist heeft toegepast. Daarenboven klaagt [appellante] met haar grief en de toelichting daarop dat het oordeel van de rechtbank ook inhoudelijk feitelijk onjuist is.

3.19.

Volgens [appellante] heeft de rechtbank zich slechts gefocust op haar vordering tot uitstel van betaling op de voet van artikel 25.6.2a Leidraad. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op haar stelling dat de beslagen zaken haar niet in eigendom toebehoren, zodat verkoop daarvan in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de daarmee verband houdende vordering. De rechtbank heeft haar vordering dan ook veel te eng geïnterpreteerd. Ook is de rechtbank zelf aan het ‘procederen geslagen’ en is zij zonder wederhoor toe te passen gaan onderzoeken of het beleid van artikel 25.6.2a Leidraad juist is toegepast. Daarnaast verzint de rechtbank, zonder wederhoor toe te passen, rechtsregels die niet bestaan. De rechtbank wijst de vordering van [appellante] af, omdat [appellante] naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 25.6.2a Leidraad, inhoudende dat door een derde deskundige in een verklaring een aantal zaken aannemelijk worden gemaakt. Het is echter - aldus [appellante] - de Ontvanger die zich op het standpunt zal moeten stellen dat deze verklaring ontbreekt en dat aan [appellante] een termijn wordt gesteld om deze verklaring over te leggen. Bovendien is het oordeel van de rechtbank ook feitelijk onjuist. Het door [appellante] in het geding gebrachte accountantsverslag over de jaarrekening van 2016 voldoet aan artikel 25.6.2b Leidraad, waarin staat dat aan de derde deskundige geen formele eisen worden gesteld, en sluit aan bij hetgeen de Ontvanger nodig heeft ex artikel 25.6.2a Leidraad. In de algemene toelichting op dit verslag heeft de accountant op 7 maart 2018 verklaard: “(…) Informatie met betrekking tot de continuïteit (…)

Wij verwachten dat de kasstroom over de komende boekjaren zich positief zal ontwikkelen als gevolg van de toename in winstgevendheid van de onderliggende werkmaatschappij waardoor de management fee inkomsten van [de vennootschap] weer zullen stijgen en aflossing van de openstaande rekening-courant vorderingen op de werkmaatschappij plaats zullen vinden. Met deze hogere kasstromen kunnen de achterstallige belastingschulden worden voldaan en zal ruimte ontstaan om door middel van dividenduitkeringen de rekening-courant vordering op de directeur-grootaandeelhouder significant verlagen. (…)”. Het belang van de verklaring ligt in het feit dat de derde deskundige verklaart dat de onderneming levensvatbaar is. Daarbij heeft te gelden dat de Ontvanger ingevolge artikel 4:84 Awb maatwerk dient toe te passen met betrekking tot verzoeken tot het treffen van een betalingsregeling en uitstel van betaling.

De door [appellante] gestelde gronden, erop neerkomende dat de Ontvanger uitstel van betaling had moeten verlenen en dat het executeren van de beslagen zaken in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kunnen het verzet wel degelijk dragen. De rechtbank had haar vordering, bij een juiste toepassing van artikel 139 Rv, moeten toewijzen. Er was geen ruimte voor de rechtbank om anders te oordelen. Het oordeel van de rechtbank is onjuist.

3.20.

De Ontvanger heeft verweer gevoerd.

3.21.

Het hof stelt voorop dat het bepaalde in artikel 139 Rv de rechter verplicht om, indien gedaagde niet in de procedure verschijnt, ambtshalve te toetsen of het gevorderde niet in strijd komt met het objectieve recht en of de aangevoerde gronden het gevorderde kunnen dragen. De rechtbank heeft de vorderingen ambtshalve getoetst aan de Leidraad, waarin het invorderingsbeleid van de fiscus is uitgewerkt. Ingevolge het bepaalde in artikel 25 lid 1 Iw kan de ontvanger, onder door hem te stellen voorwaarden, aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd uitstel van betaling verlenen. De Leidraad bevat de criteria voor het verlenen van uitstel van betaling. Zo bepaalt artikel 25.1.3 aanhef en onder c Leidraad dat een verzoek om uitstel van betaling in ieder geval wordt afgewezen als de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt. Als de verstrekte gegevens onvolledig zijn, stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. Artikel 25.6 Leidraad heeft betrekking op een betalingsregeling voor ondernemers. Artikel 25.6.1 Leidraad bepaalt dat een betalingsregeling een zo kort mogelijke periode moet beslaan en in elk geval een looptijd van twaalf maanden, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag, niet te boven zal gaan. Ingevolge artikel 25.6.2 Leidraad stelt de ontvanger aan het verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, bijhoudt. Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld. Artikel 25.6.2a Leidraad bevat een verruimd beleid ingeval van bijzondere omstandigheden. Als een ondernemer door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor het volledige bedrag zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring het voor de ontvanger aannemelijk maken dat a) het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen, b) die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn, c) die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden opgelost en d) dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden stellen. Krachtens artikel 25.6.2b Leidraad gaat de verklaring van de derde deskundige onder meer in op de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming en op de haalbaarheid van het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand. Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. De ontvanger kan aan de verklaring van de derde deskundige eisen stellen.

Naar het oordeel van het hof dwingt het bepaalde in artikel 139 Rv de rechter in geval er verstek is verleend, niet tot een ambtshalve toetsing aan de Leidraad. Dat laat echter onverlet dat in dit hoger beroep de Ontvanger wel is verschenen en verweer heeft gevoerd. Daarmee is er sprake van een zaak op tegenspraak en zal het hof het verweer van de Ontvanger moeten betrekken in zijn beoordeling. Dit verweer is voor het eerst naar voren gebracht bij memorie van antwoord. Aan [appellante] is vervolgens echter gelegenheid geboden daar nog bij akte op te reageren en vervolgens heeft de Ontvanger daar nog bij akte op kunnen reageren. Aldus hebben beide partijen over en weer voldoende op elkaars standpunten kunnen reageren.

3.22.

Vaststaat dat de Ontvanger per e-mail van 4 december 2017 [appellante] erop gewezen heeft dat zij om een verzoek tot uitstel van betaling of een betalingsregeling in te dienen gebruik moest maken van het verzoekformulier en dat een verzoek zonder formulier, inclusief de verplichte bijlagen, wordt afgewezen. In deze e-mail is een link dan wel een verwijzing opgenomen naar een website van de belastingdienst, waar het verzoekformulier op staat. In elk geval bij brief van 18 januari 2018 heeft de Ontvanger nogmaals aan [appellante] te kennen gegeven dat noch het verzoekformulier noch de daarin gevraagde gegevens en/of bewijsstukken (volledig) door [appellante] zijn verstrekt. Bij deze brief heeft de Ontvanger [appellante] verzocht uiterlijk 5 februari 2018 alsnog het volledig ingevulde verzoekformulier en alle in dat formulier gevraagde bijlagen toe te zenden en heeft hij haar te kennen gegeven dat het verzoek afgewezen zal worden als de Ontvanger de ontbrekende gegevens niet binnen twee weken heeft ontvangen. Een verzoekformulier is bij deze brief gevoegd.

De Ontvanger heeft onweersproken gesteld dat eerst bij het beroepschrift dat [appellante] bij brief van 19 maart 2018 bij de directeur van de belastingdienst heeft ingediend tegen de afwijzing van haar verzoek om uitstel van betaling bijlagen als bedoeld in het verzoekformulier waren gevoegd. Naar het oordeel van het hof heeft de Ontvanger reeds op die grond het verzoek om uitstel van betaling van [appellante] bij brief van 5 februari 2018 terecht kunnen afwijzen.

3.23.

Daarbij komt dat de Ontvanger onweersproken heeft aangevoerd dat de belastingaanslagen, althans het merendeel daarvan waarop het verzet van [appellante] betrekking heeft al meer dan twaalf maanden geleden zijn opgelegd, dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor het gehele openstaande bedrag zekerheid kan stellen en dat zij haar lopende fiscale verplichtingen in de loop van 2018 niet stipt heeft bijgehouden. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat [appellante] dan ook niet in aanmerking komt voor het algemene uitstelbeleid als bedoeld in artikel 25.6.2 Leidraad.

3.24.

Verder heeft de Ontvanger aangevoerd dat [appellante] niet in liquiditeitsproblemen is gekomen door een oorzaak die buiten haar invloed ligt, nu er aan [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] , naast een jaarsalaris van € 72.000,00, grote sommen geld in rekeningcourant beschikbaar zijn gesteld, die aangewend hadden kunnen worden om de fiscus te betalen. Ter onderbouwing hiervan verwijst de Ontvanger naar de door [appellante] in eerste aanleg al in het geding gebrachte rapporten inzake de jaarrekeningen 2015 en 2016 en de winst- en verliesrekening 2017, de daaruit blijkende winst over de jaren 2014 tot en met 2017 en de daaruit blijkende rekeningcourantverhouding met [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] . Ook heeft de Ontvanger aangevoerd dat [appellante] niet aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen die van tijdelijke aard zijn en vóór een bepaald tijdstip zullen worden opgelost. De verklaring van de accountant van [appellante] in het kader van de jaarrekening 2016, inhoudende dat de verwachting bestaat dat de kasstroom zich positief zal ontwikkelen, waarmee de achterstallige belastingschuld kan worden voldaan, is verouderd, nu deze verklaring uitgaat van de situatie eind 2016.

3.25.

[appellante] heeft daarop aangevoerd dat zij op papier weliswaar een kleine winst behaalde, maar dat er geen sprake van liquiditeit was. Vanwege de crisis en dalende inkomsten waren er minder opdrachten. De medewerkers in vaste dienst moesten maandelijks worden betaald. Wat daarna resteerde, was voor [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote om te verdelen als managementfee. De managementfee voor [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote is teruggebracht naar vijftig procent. Privékosten liepen echter gewoon door. Thans worden de uit te betalen managementfees ‘ingehaald’, waardoor de belastingschuld kan worden betaald. Ook heeft [appellante] aangevoerd dat haar (huis)accountant over haar financiële situatie naar de situatie van maart 2018 heeft verklaard ten tijde van het opmaken van de jaarstukken 2016. Volgens [appellante] was die verklaring actueel en voldeed deze aan het daaromtrent bepaalde in de Leidraad.

3.26.

Het hof volgt [appellante] niet in haar betoog dat de accountant bij het opmaken van de jaarstukken over 2016 heeft verklaard naar de situatie van maart 2018. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ligt het, nu het de jaarstukken van 2016 betrof, voor de hand dat de verklaring van de accountant betrekking had op het jaar 2016. Dat de accountant daarbij de verwachting heeft uitgesproken dat “de kasstroom over de komende boekjaren zich positief zal ontwikkelen (…) waardoor de management fee inkomsten van [de vennootschap] weer zullen stijgen en aflossing van de openstaande rekening-courant vorderingen op de werkmaatschappij plaats zullen vinden” doet aan het vorenstaande niet af. Niet valt in te zien dat de verklaring van de accountant kwalificeert als een verklaring als bedoeld in de Leidraad. Weliswaar heeft [appellante] nog aangevoerd dat het aan de Ontvanger was om aan te geven wat er volgens hem niet juist zou zijn aan de verklaring van de accountant, zodat die verklaring zo nodig aangevuld had kunnen worden, maar dit betoog kan [appellante] niet baten. Nergens uit volgt dat de Ontvanger niet conform de geldende regels heeft gehandeld en gehouden was om, na zijn brief van 18 januari 2018, [appellante] (nogmaals) in de gelegenheid te stellen de juiste stukken in te dienen. Het moet er dus voor worden gehouden dat [appellante] met een verouderde accountantsverklaring heeft getracht te onderbouwen dat haar betalingsproblemen van tijdelijke aard waren.

Wat betreft de vraag of de oorzaak van de betalingsproblemen buiten [appellante] ’s invloed is gelegen, heeft het volgende te gelden. Kennelijk was er op enig moment onvoldoende geld om de managementfee die aan [appellante] verschuldigd was, te betalen. Er was dus sprake van teruglopende inkomsten bij [appellante] . Uit niets is gebleken dat het inkomen van € 72.000,00 per jaar dat [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] genoot, niet is betaald door [appellante] . Daar diende in beginsel van geleefd te worden door [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] . Maar kennelijk was dit niet toereikend, want volgens de jaarstukken liep tussen 2014 en 2017 de schuld van [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] aan [appellante] in rekening courant op van € 335.099,00 naar meer dan € 500.000,00. Er is door het bestuur van [appellante] dus voor gekozen om activa naar de ondernemer te laten gaan en niet naar de schuldeisers. Dat met het oplopen van de vordering in rekening courant geen liquiditeit was gemoeid, moge zo zijn, maar dat betekent niet dat er geen activa naar [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] zijn gegaan. In een situatie waarin de inkomsten teruglopen en er belastingschulden zijn, ligt dat niet in de rede. Zeker waar er ook sprake is van een inkomen van de ondernemer van

€ 72.000,00 ligt het meer voor de hand dat die zijn schuld in rekening courant voldoet. Als dat immers zou zijn gebeurd, zou [appellante] voldoende middelen moeten hebben gehad om haar belastingschuld te voldoen. Dat de oorzaak van het betalingsprobleem buiten [appellante] is gelegen, is aldus niet gebleken.

Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] ’s verweer tekort schiet en niet geconcludeerd kan worden dat [appellante] in aanmerking komt voor uitstel van betaling op grond van het verruimde uitstelbeleid als bedoeld in artikel 25.6.2a Leidraad.

3.27.

Aan de stelling van [appellante] dat de Ontvanger, krachtens artikel 4:84 Awb maatwerk dient te leveren met betrekking tot verzoeken tot het treffen van een betalingsregeling en uitstel van betaling gaat het hof in dat kader bij gebreke van voldoende onderbouwing voorbij. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 Awb dient een bestuursorgaan te handelen overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. [appellante] heeft niet onderbouwd dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat in dit geval de Ontvanger gebruik dient te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid omdat een onverkorte toepassing van het beleid zoals neergelegd in de Leidraad voor haar onevenredige gevolgen heeft.

3.28.

Niet is komen vast te staan dat [appellante] recht op uitstel van betaling van haar openstaande belastingschuld heeft of had. Dit brengt met zich dat de Ontvanger het verzoek om uitstel van betaling van [appellante] bij brief van 5 februari 2018 ook op die grond terecht heeft kunnen afwijzen.

3.29.

Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vordering van [appellante] voor zover betrekking hebbend op de beslagen zaken.

3.30.

Het hof stelt voorop dat [appellante] terecht heeft aangevoerd dat de rechtbank niet op dit deel van haar vordering is ingegaan. In zoverre slaagt de grief van [appellante] dan ook.

3.31.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat de beslagen zaken haar niet in eigendom toebehoren, maar dat deze toebehoren aan [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en diens echtgenote. Zij voert aan dat [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote bij aangetekende brieven van 27 november 2018 beroep bij de directeur van de belastingdienst als bedoeld in artikel 22 lid 1 Iw hebben ingesteld én verzet bij de belastingdeurwaarder ex artikel 435 lid 3 Rv hebben aangetekend. Ook stelt [appellante] zich op het standpunt dat de Ontvanger geen bodembeslag kon leggen bij [appellante] omdat het adres waar de beslaglegging heeft plaatsgevonden niet ‘de bodem’ van [appellante] betrof en het pand op het betreffende adres in eigendom toebehoort aan [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote.

3.32.

De Ontvanger kan zich hierin niet vinden en betwist dat de beslagen zaken niet in eigendom toebehoren aan [appellante] . Hij betwist ook dat de zaken niet in beslag zijn genomen op de bodem van [appellante] .

3.33.

Het hof stelt vast dat zowel het beroep als het verzet alsook de vordering in de onderhavige procedure van [appellante] zijn gegrond op het standpunt van [appellante] dat de beslagen zaken toebehoren aan [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en diens echtgenote. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft Monfono de akte houdende huwelijksvoorwaarden tussen [de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap] en zijn echtgenote overgelegd. Dat is, gelet op de betwisting van de Ontvanger, echter onvoldoende. Dit alleen al bij gebreke van overlegging van de bij die huwelijksvoorwaarden behorende staat van aanbrengsten, met daarop de door ieder van de echtgenoten ten huwelijk aangebrachte roerende zaken. Aan de stelling dat de zaken niet in beslag zijn genomen op de bodem van [appellante] gaat het hof voorbij. Onder ‘bodem’ van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 16 lid 3 Iw moet worden verstaan het perceel dat op het tijdstip van de beslaglegging feitelijk in gebruik is bij de belastingschuldige en waarover hij onafhankelijk van anderen de beschikking heeft. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, moet het ervoor worden gehouden dat bedoeld adres het enige (kantoor)adres van [appellante] is, dus het perceel dat bij [appellante] op bedoeld tijdstip in gebruik was. Dat het pand op dit perceel haar niet in eigendom behoort, maakt hierbij geen verschil.

De grief van [appellante] en de toelichting daarop kunnen dan ook niet leiden tot toewijzing van het door [appellante] met betrekking tot de beslagen zaken gevorderde.

Slotsom

3.34.

Op grond van het vorenoverwogene komt het hof tot het oordeel dat [appellante] geen gronden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een gegrondverklaring van het verzet.

De slotsom is dat de grief, met toelichting, tegen het bestreden vonnis faalt dan wel niet kan leiden tot toewijzing van het gevorderde. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

3.35.

De Ontvanger heeft verzocht het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het verzet van [appellante] , althans het verzet van [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, ongegrond te verklaren.

3.36.

Het hof stelt voorop dat tot 1 januari 2018 uit artikel 17 lid 2 Iw volgde dat verzet als ingesteld door [appellante] de tenuitvoerlegging van een dwangbevel schorste.

Aangezien de verzetdagvaarding in de onderhavige procedure door [appellante] voor 1 januari 2018 is aangebracht, moet worden uitgegaan van de voor die datum geldende wettekst.

Onder het regime van de wettekst tot voornoemde datum gold dat de rechter de schorsende werking van het verzet opzij kon zetten, indien de belastingplichtige misbruik maakte van zijn bevoegdheid om een beroep te doen op die schorsende werking. Een van de omstandigheden die maakt dat de belastingplichtige de bevoegdheid zich te beroepen op de schorsende werking misbruikt, is het oordeel van de rechter dat het verzet zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingschuldige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging

(HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1475 en HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1525).

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is van een duidelijk kansloos verzet. Niet alleen is te laat verzocht om uitstel van betaling, maar ook op inhoudelijke gronden is er geen aanleiding de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen te schorsen, nu het ervoor moet worden gehouden dat de betalingsonmogelijkheid van [appellante] , kort gezegd, is te wijten aan het feit dat er geld waarmee de belastingschuld betaald had kunnen worden naar de bestuurder in privé is gevloeid, terwijl er bovendien onvoldoende perspectief is dat de schulden binnen afzienbare tijd voldaan kunnen worden. [appellante] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een bijzondere situatie moet worden aangenomen en haar belangen zouden moeten prevaleren boven de belangen van de Ontvanger. Het belang van [appellante] bij schorsing van de tenuitvoerlegging weegt dan ook niet op tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging. Het verzoek van de Ontvanger om de ongegrondverklaring van het verzet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is daarom toewijsbaar.

3.37.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van de Ontvanger vastgesteld op

€ 726,00 aan griffierecht en € 1.611,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1,5 punt, tarief II in hoger beroep à € 1.074,00 per punt).

4 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart het verzet ongegrond;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, van 6 juni 2018;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de

zijde van de Ontvanger vastgesteld op € 726,00 aan griffierecht en € 1.611,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat betreft de ongegrondverklaring van het verzet en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.A.M. Vaessen en J.N. de Blécourt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2020.

griffier rolraadsheer