Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2551

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.213.664_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5298
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzegging lidmaatschap watersportvereniging of ontzetting? Verbod aan partner om huisgenoot van wie het lidmaatschap is opgezegd mee te nemen als introducé.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht

zaaknummer 200.213.664/01

arrest van 11 augustus 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de watersportvereniging] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.C.M. Wagemakers te Breda, inmiddels niet langer op het tableau,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 juni 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/310683 / HA ZA 16-494 gewezen vonnis van 1 maart 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 27 juni 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 25 augustus 2017;

  • -

    de memorie van grieven met producties 14-17;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 1-3;

  • -

    de akte ten behoeve van het pleidooi met productie 18 van [appellanten] ;

  • -

    het op 14 maart 2019 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de akte van [appellanten] van 5 november 2019 met producties 19--27;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 19 november 2019.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

[geïntimeerde] is een vereniging die zich bezig houdt met de beoefening en bevordering

van watersport. [geïntimeerde] beschikt hiervoor over een terrein met haven en clubhuis aan de

[de plas] te [vestigingsplaats] .

6.1.2.

[appellanten] zijn eigenaar van een boot. Deze boot ligt, althans lag tot in 2019, in de haven van [geïntimeerde] .

6.1.3.

De statuten van [geïntimeerde] luiden, voor zover relevant, als volgt:

“Artikel 5

l. (…).

2. (...).

3. De vereniging kent de mogelijkheid alle personen uit het huisgezin van een lid van de vereniging tot de

activiteiten van de vereniging toe te laten. Zij zijn geen lid van de vereniging, zij hebben geen effectief stemrecht

en geen verplichting tot zelfwerkzaamheid. De huisgenoten hebben het recht in het bestuur van de vereniging

verkozen te worden.

(...)

Artikel 7

2. (...).

3. (...). De opzegging door het bestuur kan onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben,

wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voorduren. De

opzegging geschiedt steeds schriftelijk met opgave van reden(en).

4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten,

reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. De

ontzetting geschiedt door het bestuur, dat het betrokken lid ten spoedigste van het besluit, met opgave van

reden(en), in kennis stelt. De betrokkene is bevoegd binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving in

beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Voor een besluit van de algemene ledenvergadering tot

handhaving van de ontzetting is een meerderheid van twee/derde der uitgebrachte stemmen nodig. Gedurende de

beroepstermijn en hangende het beroep, is het lid geschorst. Geschorste leden hebben geen toegang tot de

gebouwen en terreinen van de vereniging en mogen van de vaartuigen geen gebruik maken.

(...).

Artikel 12

1. (...).

2. Behalve de in artikel 11 bedoelde jaarvergadering zullen de algemene ledenvergaderingen worden gehouden

zo dikwijls als het bestuur wenselijk acht, alsmede zo dikwijls zulks schriftelijk met opgave van de te

behandelen onderwerpen wordt verzocht door tenminste acht leden.

3. Na ontvangst van een verzoek als in lid 2 bedoeld, is het bestuur verplicht tot bijeenroeping ener algemene

ledenvergadering op een termijn van niet langer dan vier weken. Indien aan het verzoek tot bijeenroeping binnen

veertien dagen nadat dit door het bestuur werd ontvangen geen gevolg wordt gegeven, zullen de verzoekers zelf

tot die bijeenroeping kunnen overgaan op de wijze waarop het bestuur de algemene ledenvergadering

bijeenroept.”

6.1.4.

In artikel 14 van het huishoudelijk reglement van [geïntimeerde] is het volgende bepaald:

“Het bestuur kan introductie van bepaalde personen, zo het belang van de vereniging dit meebrengt, weigeren,

behoudens beroep van het introducerende lid op de algemene ledenvergadering. Het bestuur kan voorwaarden

stellen waaraan introductie binnen lokalen, terreinen en installaties onderhevig is. Personen die geroyeerd zijn

als lid, mogen niet worden geïntroduceerd. Bij feesten of wedstrijden is het bestuur bevoegd het recht van

introductie te beperken of uit te breiden.”

6.1.5.

Op vrijdagavond 20 november 2015 zijn op het terrein van [geïntimeerde] de autobanden

van de heer [voorzitter w.s.v.] , destijds voorzitter van het bestuur van [geïntimeerde] , lek gestoken.

6.1.6.

Bij brief van 14 december 2015 heeft het bestuur van [geïntimeerde] [appellant] geschorst

voor de duur van een maand. Deze brief bevat onder meer de volgende passages:

“U heeft op donderdag 10 december 2015 in een gesprek met de heer [voorzitter w.s.v.] , voorzitter van w.s.v. [geïntimeerde] en

de heren [betrokkene 1] en [de voormalige havenmeester] , bekend dat u op vrijdag 20 november 2015 vier banden van de auto van een

lid van onze vereniging heeft lek gestoken. Het bestuur ziet dit als een handeling die het belang van de

vereniging ernstig heeft geschaad. In een eerder gesprek met de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is reeds aan u

uitgesproken dat het bestuur op de hoogte was van uw betrokkenheid bij dit incident. U hebt toen de

mogelijkheid gekregen hierop te reageren. U hebt uw betrokkenheid via een e-mail van 6 december 2015

ontkend. Het bestuur is van mening dat deze e-mail een groot aantal onwaarheden bevat en daarnaast achten wij

de beschuldigingen en stellingnamen in deze e-mail zeer onwenselijk.

Het bestuur van w.s.v. [geïntimeerde] heeft daarom besloten u voor de duur van één maand te schorsen. (...) In deze

periode (...) neemt het bestuur de tijd om zich te beraden op eventuele verdere stappen. Uw houding en acties in

deze schorsingsperiode achten wij daarbij van belang. Het bestuur verwacht dat u aan een aantal voorwaarden

gaat voldoen. Deze voorwaarden zetten wij hieronder uiteen.

U heeft op 6 december 2015 een mail met een brief als bijlage gestuurd aan een groot aantal personen. Het

bestuur eist nu van u dat u deze personen en eventueel personen die in de bcc zijn vermeld in de komende maand schriftelijk (...) meedeelt dat u schuldig bent aan het gepleegde feit en dat u afstand neemt van de inhoud van uw e-mail en bijgaande brief, omdat die gebaseerd is op onwaarheden dan wel dat het niet gefundeerde uitspraken betreft. (...).”

6.1.7.

Op 15 januari 2016 is namens [appellant] , een e-mail met de volgende tekst

gestuurd naar leden van [geïntimeerde] :

“Het bestuur heeft te kennen gegeven het verleden achter zich te willen laten en met een schone lei te willen

beginnen. Ik sluit mij daar graag bij aan, ook ik wil met een schone lei beginnen en herroep daarom bij deze de

volledige brief van 6 december 2016. Ik had deze beter niet kunnen sturen.”

6.1.8.

In reactie hierop schrijft [geïntimeerde] op 15 januari 2016 aan [appellant] het volgende:

“Wij hebben de mail van [appellant] , mede door jullie opgesteld, in goede orde ontvangen. Na lezing ervan deelt

het bestuur nu mee dat wij met de inhoud ervan geen genoegen nemen.

In de brief van 13-1-2016 heeft het bestuur gevraagd om een bekentenis van het lek steken van de banden het

afstand nemen van de verdere inhoud van de mail van 6 december 2015.

Wij constateren nu dat er slechts aan de eerste vraag is voldaan. Dat vinden wij een te magere afhandeling.

(...).

Indien [appellant] aan bovenstaande eisen voldoet zal het bestuur de volgende procedure volgen:

Zoals eerder ook medegedeeld, zal het bestuur overgaan tot opzegging van zijn lidmaatschap voor de duur van

één jaar, in welke periode hij zich dient te onthouden van elk schriftelijk contact met het bestuur of leden van

w.s,v. [geïntimeerde] , waarin hij commentaar op het handelen van het bestuur geeft. Het is hem in deze periode van één

jaar en daarna tot het moment dat hij aantoonbaar hersteld is, niet toegestaan het haventerrein of de

verenigingsgebouwen te betreden, Daarna heeft hij het recht om zich weer aan te melden als aspirant lid. Naar

aanleiding van die aanmelding wordt hij door het bestuur uitgenodigd voor een gesprek.

Wanneer [appellant] niet bereid is om aan al het voorgaande te voldoen, behoudt het bestuur zich het recht voor om

zijn lidmaatschap per 19 januari 2016 definitief op te zeggen.”

6.1.9.

Bij brief van 18 januari 2016 schrijft het bestuur van [geïntimeerde] aan [appellant] :

“Onder verwijzing naar onze e-mail van 18 januari 2016 delen wij u hierbij mee dat wij uw lidmaatschap van de

[de watersportvereniging] per 19 januari 2016 van bestuurswege definitief opzeggen. Het

is u niet toegestaan vanaf 19 januari 2016 het haventerrein of de gebouwen nog te betreden (...).”

6.1.10.

Op 21 januari 2016 hebben de heren [de voormalige havenmeester] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , namens [appellant]

, overlegd met [geïntimeerde] . In dit overleg zijn afspraken gemaakt over het lidmaatschap

van [appellant] , welke afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst van 24 januari 2016,

hierna te noemen: “de overeenkomst” (productie 4 bij de inleidende dagvaarding). In deze

overeenkomst is het volgende bepaald:

“Afspraken:

1. [appellant] [ [appellant] , toevoeging door het hof] neemt in een mail aan de geadresseerden (...) afstand van de inhoud van deze mail van 6 december 2015;

2. Als de mail is verzonden (...), neemt het bestuur de brief en de e-mail van 18 januari 2016 terug, waarin zij

het lidmaatschap definitief opzegt. (...).

3. Daarna komt [appellant] voor de tijd van een jaar niet meer op de haven. Indien er volgens zijn professionele

behandelaar(s) voldoende sprake is van herstel zal in de loop van dat jaar een gesprek door [appellant] aangevraagd

kunnen worden met een delegatie van het bestuur met het verzoek om eerdere toegang tot de haven mogelijk te

maken. Het bestuur stelt voor dat de professionele behandelaar bij dat gesprek aanwezig zal zijn. (...).

4. Indien dat gesprek naar het oordeel van de behandelaar en de delegatie van het bestuur goed verloopt zal het

bestuur in de daarop volgende bestuursvergadering overleggen [appellant] eerder toe te laten. [appellant] zal na

akkoord weer als volwaardig lid welkom zijn op de haven, waarbij hij gebonden zal zijn aan de gangbare rechten

en plichten.

5. (...).

6. Indien [appellant] zich niet houdt aan deze afspraken, kan het bestuur disciplinaire maatregelen volgens de

Statuten en het Huishoudelijk Reglement nemen.”

6.1.11.

Bij brief van 16 maart 2016 heeft [geïntimeerde] het lidmaatschap van [appellant]

opgezegd (hierna: het opzeggingsbesluit). In het opzeggingsbesluit schrijft [geïntimeerde] :

“Het bestuur van w.s.v. [geïntimeerde] heeft geconstateerd dat de afspraken van 24 januari 2016, door drie bemiddelaars

namens u getekend, dat u niet op de haven of in het clubhuis van w.s.v. [geïntimeerde] zou verschijnen totdat een

gesprek met een delegatie van het bestuur zou hebben plaatsgevonden, meerdere malen door u is geschonden.

Deze afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van ontoelaatbare handelingen in het najaar van 2015.

Voor het bestuur van w.s.v. [geïntimeerde] is dat reden uw lidmaatschap van de [de watersportvereniging]

per 16 maart 2016 definitief op te zeggen. Het is vanaf 16 maart 2016 niet

toegestaan het haventerrein of de gebouwen nog te betreden, ook niet als introducé van enig ander lid van de

vereniging.”

6.1.12.

Ter zitting van het gerechtshof op 14 maart 2019 hebben partijen ter regeling van hun geschil een overeenkomst gesloten, onder andere over het onder voorwaarden kunnen bezoeken van de haven van [geïntimeerde] door [appellant] . Vervolgens is de onderhavige procedure aangehouden tot begin november 2019 voor uitlating door partijen over royement of verder procederen. Partijen hebben vervolgens bij akte van 5 november 2019 respectievelijk antwoordakte van 19 november 2019 geconcludeerd tot verder procederen.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vorderen [appellanten] - samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om:

1. het door het bestuur van [geïntimeerde] genomen besluit tot opzegging van het lidmaatschap van

[appellant] van 16 maart 2016 te vernietigen en om [geïntimeerde] te veroordelen om de gevolgen

van deze vernietiging te gehengen en te gedogen;

2. het door het bestuur van [geïntimeerde] genomen besluit om [appellante] te ontzeggen om [appellant]

mee te nemen als huisgenoot te vernietigen en om [geïntimeerde] te veroordelen om de gevolgen

van deze vernietiging te gehengen en te gedogen; en

3. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten,

te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.2.2.

Aan deze vordering hebben [appellanten] - samengevat - ten grondslag gelegd dat het bestuur van [geïntimeerde] ten onrechte (want in strijd met het bepaalde in de wet en in de statuten) overgegaan is tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] en eveneens ten onrechte niet toestaat dat [appellant] als huisgenoot van [appellante] nog toegang heeft tot de activiteiten en het terrein van [geïntimeerde] als introducé.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het tussenvonnis van 14 september 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017.

6.2.5.

In het eindvonnis van 1 maart 2017 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen veroordeeld in de kosten van de procedure.

6.3.1.

[appellanten] hebben in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, tot veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellanten] terug te betalen wat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] hebben betaald (dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling) en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties (te vermeerderen met de nakosten en rente).

6.3.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Op dat verweer gaat het hof, voor zover nodig, hierna in.

Opzegging of ontzetting?

6.4.1.

[appellanten] hebben, zakelijk weergegeven, onder verwijzing naar de brief van het bestuur van [geïntimeerde] van 11 mei 2016 (productie 12 bij de inleidende dagvaarding) in verband met grief 1 aangevoerd dat feitelijk sprake is geweest van ontzetting/royement en niet van opzegging. [appellanten] hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Opzegging van het lidmaatschap kan gebeuren als een lid het lidmaatschapsgeld niet betaalt of niet meer voldoet aan de vereisten voor het lidmaatschap. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ontzetting van een lid van [geïntimeerde] kan plaats vinden als een lid handelt in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Op grond van wat het bestuur als gronden voor haar opzeggingsbesluit heeft aangevoerd had het bestuur tot ontzetting moeten besluiten en niet voor opzegging mogen kiezen. Ook het gegeven dat het bestuur aan [appellant] een verbod voor onbepaalde duur heeft opgelegd om als introducé te worden meegenomen duidt erop dat er sprake is van ontzetting en niet van opzegging. Als er sprake was geweest van opzegging had het bestuur dit verbod niet kunnen opleggen. Volgens [appellanten] beroepen zij zich daarom terecht op de vernietiging van het bestreden bestuursbesluit van 16 maart 2016.

6.4.2.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het bestuur destijds wel degelijk besloten heeft om het lidmaatschap op te zeggen. Zij verwijst hierbij naar de inhoud van de brieven van 13 januari 2016, 18 januari 2016 en 16 maart 2016 (producties 9, 12 en 14 bij conclusie van antwoord) en naar de inhoud van de brief van het bestuur van 11 mei 2016 (productie 12 bij de inleidende dagvaarding), waarin een toelichting op het besluit van 16 maart 2016 is gegeven. [geïntimeerde] wijst verder op artikel 2:35 lid 2 BW, op grond waarvan een vereniging tot opzegging van het lidmaatschap kan overgaan in de situatie wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Gelet op de voorgeschiedenis was daarvan hier sprake, aldus [geïntimeerde] .

Ook het feit dat het bestuur nog afzonderlijk het besluit heeft genomen dat [appellante] niet langer [appellant] als introducé naar de vereniging mee mocht nemen wijst erop dat er sprake is geweest van opzegging. Als het bestuur tot ontzetting van [appellant] had besloten, dan had dat afzonderlijke besluit niet meer genomen hoeven te worden, omdat uit artikel 14 van het huishoudelijk reglement volgt dat personen die geroyeerd zijn niet meer als lid geïntroduceerd mogen worden.

6.4.3.

Het hof is van oordeel dat grief 1 faalt. Een bestuur van een vereniging kan tot opzegging van het lidmaatschap besluiten indien van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voorduren (art. 2:35 lid 2 BW). Op grond van artikel 7 lid 3 van de statuten kan de opzegging in dat geval onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben. [geïntimeerde] heeft zich onder meer hierop beroepen. Daarbij heeft zij verwezen naar de voorgeschiedenis die volgens haar tot het besluit van

16 maart 2016 heeft geleid en naar de hiervoor genoemde correspondentie. In die correspondentie verwijst het bestuur telkens naar de (voorwaardelijke) opzegging voor het geval [appellant] de gemaakte afspraken (waarover hierna meer) niet zou nakomen en, in de brief van 16 maart 2016, naar de definitieve opzegging vanwege het volgens [geïntimeerde] niet-nakomen van de gemaakte afspraken door [appellant] .

Dat het bestuur wellicht ook tot ontzetting had kunnen besluiten maakt niet dat het besluit tot opzegging daarom vernietigbaar is. Het stond het bestuur in beginsel vrij om te kiezen voor opzegging in plaats van voor ontzetting. Voor zover [appellanten] zich op het standpunt hebben willen stellen dat het bestuur bewust voor opzegging heeft gekozen met het doel om [appellant] de mogelijkheid tot beroep op de algemene ledenvergadering te ontnemen (en daarmee zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid), verwerpt het hof dat standpunt, omdat [appellanten] voor die vergaande conclusie onvoldoende hebben gesteld en met name het door hen gestelde motief onvoldoende hebben onderbouwd.

Het gegeven dat [appellant] de opzegging als strafmaatregel en als onterend heeft ervaren, betekent nog niet dat de opzegging van het lidmaatschap daarmee “van kleur verschiet” en als ontzetting/royement moet worden beschouwd. Dat geldt ook voor de onder punt 6 van de overeenkomst van 24 januari 2016 (zie hiervoor overweging 6.1.10) gebruikte term "disciplinaire maatregelen". Dat daarmee slechts royement bedoeld zou zijn en niet ook opzegging met onmiddellijke ingang hebben [appellanten] weliswaar gesteld, maar gelet op het verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd.

Verder overweegt het hof dat het gegeven dat het bestuur afzonderlijk heeft besloten om [appellante] niet toe te staan [appellant] als introducé mee te nemen naar de jachthaven er inderdaad op wijst, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, dat sprake is geweest van opzegging. Als [appellant] was geroyeerd mocht hij op grond van artikel 14 van het huishoudelijk reglement hoe dan ook niet worden geïntroduceerd door [appellante] . In dat geval was een afzonderlijk besluit dus niet nodig geweest.

[appellanten] hebben aangevoerd dat een of enkele bestuursleden ten tijde van het nemen van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap nog deel uitmaakten van dat bestuur, terwijl dat bestuurderschap op grond van de statuten niet langer was toegestaan. Een duidelijke juridische consequentie hebben zij aan deze stelling echter niet verbonden, terwijl zij hun stelling evenmin voldoende hebben onderbouwd. Dit klemt te meer nu uit [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het bestuur op de algemene ledenvergadering van 27 juni 2016 heeft uitgelegd dat zij tijdelijk in beperkte mate van het rooster van aftreden van bestuursleden was afgeweken en dat de leden daarmee akkoord zijn gegaan. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van notulen van die vergadering die als productie 1 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd. In die notulen wordt onder meer het volgende vermeld:

"(...) Tijdens de afgelopen ALV (hof: algemene ledenvergadering) op maandag 22 februari is de vergadering akkoord gegaan met de voorgestelde bestuurssamenstelling.

Zoals in het verleden eerder voorgekomen is het door het bestuur opgestelde rooster der periodieke aftreding niet geheel gevolgd. Dit komt o.a. door het aftreden van bestuursleden binnen hun termijn van 2 jaar. Dit rooster is niet in de statuten of het huishoudelijk reglement opgenomen. Op de komende ALV (februari 2017) zullen we het rooster van aftreden aan u bekend maken en de verschuiving recht trekken.

Op de ALV van 22-2-2016 waren er geen bezwaren tegen het bestuursvoorstel. De notulen van deze ALV zijn binnen 2 weken aan de leden gestuurd en er is daarna geen bezwaar gekomen op de bestuursverkiezing.

Leden kunnen hun bezwaar kenbaar maken binnen 30 dagen, waarna het bestuur een nieuwe bestuursverkiezing moet uitschrijven. Het bezwaar van [appellant] en de stelling dat 2 bestuursleden statutair geen bestuurslid zijn, kwam te laat bij het bestuur binnen en verklaren wij derhalve niet ontvankelijk.

Het zittende bestuur blijft in ongewijzigde samenstelling aan tot de volgende ALV in 2017 (...)"

[appellanten] zijn hier niet althans onvoldoende gemotiveerd op ingegaan. Het hof stelt daarom vast dat de algemene ledenvergadering op 22 februari 2016, dus voordat het gewraakte besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] was genomen, akkoord is gegaan met de toenmalige samenstelling van het bestuur en het gegeven dat die betreffende bestuursleden zouden aanblijven tot februari 2017. Het besluit tot opzegging is daarom door een daartoe bevoegd bestuur genomen.

De tussenconclusie luidt, gelet op het voorgaande, dan ook dat het beroep van [appellanten] op vernietiging van het besluit van 16 maart 2016 wegens formele gebreken wordt verworpen.

Was de opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

6.5.1.

Met de grieven 2 en 3 voeren [appellanten] in de kern aan dat het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en niet gerechtvaardigd is in het licht van alle relevante feiten en omstandigheden. [appellanten] hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Op 24 januari 2016 is tussen [appellant] en het bestuur van [geïntimeerde] onder meer de afspraak gemaakt dat als [appellant] zijn e-mailbericht van 6 december 2015 aanvullend zou rectificeren (wat hij volgens hem ook heeft gedaan) het bestuur de opzegging van het lidmaatschap, zoals verwoord in haar brief van 18 januari 2016, zou terugnemen. Verder zou [appellant] een jaar lang niet op de haven komen. Als [appellant] zich niet aan de afspraken hield, behield het bestuur zich het recht voor om disciplinaire maatregelen te treffen. [appellant] heeft volgens eigen zeggen gezorgd voor die aanvullende rectificatie en daarmee was de opzegging dus van de baan , aldus [appellanten] .

[appellant] erkent dat hij, ondanks de gemaakte afspraken, op 13 maart 2016 op de haven van [geïntimeerde] is geweest. Hij voert aan dat hij zich niet langer aan de gemaakte afspraken gebonden achtte, omdat het bestuur zich ook niet aan de afspraken hield. Zo heeft het bestuur, althans de heer [voorzitter w.s.v.] , in strijd met de ook gemaakte afspraak inhoudende dat men [appellante] niet in de kwestie tussen [appellant] en [geïntimeerde] zou betrekken, gehandeld door via e-mails op 11 en 12 maart contact te zoeken met [appellante] over deze kwestie. Volgens [appellant] was hij op 13 maart 2016 weliswaar op de haven, maar heeft hij daar niet voor problemen gezorgd. Zijn enkele aanwezigheid op de haven kan, mede gezien het handelen van het bestuur/de heer [voorzitter w.s.v.] , volgens [appellanten] niet als zwaarwegende reden worden gezien om aan te nemen dat van [geïntimeerde] niet langer gevergd kon worden het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. Het besluit van 16 maart 2016 vermeldt verder geen andere opzeggingsgronden.

Bovendien, aldus [appellanten] , is er bij het nemen van het besluit geen rekening gehouden met de belangen van [appellant] , met zijn status van lid van verdienste, met het feit dat hij ten tijde van de opzegging al 40 jaar lid was en het feit dat er tot eind 2015 sprake was van een onberispelijke staat van dienst. Het bestuur heeft aldus gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW, aldus nog steeds [appellanten] .

6.5.2.

[geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het was in januari 2016 hoe dan ook duidelijk voor [appellant] dat hij een jaar niet op de haven mocht komen. Dat was hem al meegedeeld in de brief van 18 januari 2016 en blijkt ook uit de brief van 24 januari 2016 waarin de tussen partijen gemaakte afspraken waren opgenomen. Bovendien had het bestuur van [geïntimeerde] op een daartoe strekkende vraag van [appellante] op 6 maart 2016 op 8 maart 2016 geantwoord dat zij geen mogelijkheden zag om toe te staan dat [appellant] bij een feest op de haven kon zijn. Desondanks is [appellant] op 13 en 14 maart 2016 op de haven verschenen en handelde hij welbewust in strijd met de gemaakte afspraken.

Op 16 maart 2016 heeft nog een gesprek plaats gevonden tussen [appellant] , zijn vertegenwoordigers de heren [de voormalige havenmeester] en [betrokkene 1] en enige leden van het bestuur. In dat gesprek, aldus [geïntimeerde] , heeft [appellant] gesteld dat hij niet langer van plan was zich te houden aan de gemaakte afspraken en dat hij gewoon op de haven zou blijven verschijnen. Het bestuur heeft vervolgens het lidmaatschap definitief opgezegd, aldus [geïntimeerde] .

Anders dan [appellant] aanvoert heeft het bestuur/de heer [voorzitter w.s.v.] in verband met de positie van [appellante] niet in strijd met enige afspraak gehandeld. [voorzitter w.s.v.] heeft enkel via twee e-mailberichten (productie 16 memorie van grieven) gereageerd op e-mailberichten van [appellante] aan hem, waarin hij op correcte wijze een aantal onjuiste geruchten over uitspraken die door hem of zijn echtgenote op de haven over [appellant] zouden zijn gedaan heeft willen ontzenuwen en waarin hij aanbood een en ander met haar te bespreken. Er was volgens [geïntimeerde] dus geen enkele reden voor [appellant] om naar aanleiding daarvan de gemaakte afspraken te negeren.

De grond voor de opzegging is gelegen in het feit dat [appellant] zich de laatste jaren met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan wangedrag tegenover de leden van de vereniging. Daarmee deed hij afbreuk aan de goede sfeer op de haven en in het clubhuis. Belangrijk is het incident geweest eind 2015, waarbij [appellant] vier banden van de auto van voorzitter [voorzitter w.s.v.] heeft lek gestoken op het parkeerterrein van de haven. Het bestuur is vervolgens met [appellant] en zijn vertegenwoordigers in gesprek gegaan, is behoedzaam opgetreden en heeft een rustperiode van één jaar willen creëren, waarbij [appellant] zijn excuses zou aanbieden voor de hele gang van zaken en hij een rectificatiebrief voor eerdere uitlatingen zou schrijven aan de leden. Het bestuur heeft wel degelijk hierbij ook de belangen van [appellant] voor ogen gehad en het feit dat hij al heel lang lid was van de vereniging in de afweging betrokken. [appellant] heeft echter het conflict laten oplopen, waarbij hij op 13 en 14 maart 2016 tegen de gemaakte afspraken in toch weer op de haven verscheen en aangaf dit te zullen blijven doen. Het bestuur kon toen niet anders dan het lidmaatschap definitief opzeggen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .

6.5.3.

Het hof is van oordeel dat ook de grieven 2 en 3 falen en overweegt daartoe het volgende.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen vloeit uit artikel 2:8 BW voort dat de manier waarop het bestuur van [geïntimeerde] en [appellant] zich jegens elkaar behoren te gedragen wordt ingekleed door de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het hof dient, gelet op het feit dat het bestuur een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt, terughoudendheid te betrachten bij de beoordeling of het bestuur bij het nemen van het gewraakte opzeggingsbesluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft meegewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Waar het in de kern om gaat is of het bestuur, alle betrokken belangen afwegende, in redelijkheid tot het opzeggingsbesluit heeft kunnen komen. Het hof is van oordeel dat dat het geval is en zij betrekt bij dat oordeel de volgende feiten en omstandigheden:

  1. Het (uiteindelijke) besluit van het bestuur tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] van 16 maart 2016 kan niet los worden gezien van wat zich in de periode daarvóór heeft voorgedaan. Het tegen de afspraken in toch verschijnen op de haven op 13 en 14 maart 2016 is, zo blijkt uit de stukken, de spreekwoordelijke druppel geweest die de emmer heeft doen overlopen.

  2. [appellanten] hebben onvoldoende weersproken dat het [appellante] zelf is geweest die [voorzitter w.s.v.] via e-mail heeft benaderd omdat zij had gehoord dat [voorzitter w.s.v.] en/of zijn echtgenote op de haven kwaad spraken over [appellant] . Het kan [voorzitter w.s.v.] dan niet euvel worden geduid, of het bestuur kwalijk worden genomen, dat [voorzitter w.s.v.] daarop met twee e-mailberichten heeft gereageerd, waarbij het hof vast stelt dat zowel de inhoud als de toon van de e-mailberichten van [voorzitter w.s.v.] aan [appellante] fatsoenlijk en correct zijn. Als de door [appellant] gestelde (mondelinge) afspraak met het bestuur er al zou zijn geweest (inhoudende dat het bestuur [appellante] buiten het conflict met [appellant] zou laten), dan nog heeft [voorzitter w.s.v.] of het bestuur die beweerde afspraak niet geschonden.

Bovendien, zelfs als het bestuur/ [voorzitter w.s.v.] die beweerde afspraak zou hebben geschonden, dan nog is dat geen rechtvaardiging voor de schending door [appellant] van het verbod, althans de afspraak om op de haven te komen.

[appellanten] hebben niet althans niet gemotiveerd weersproken dat het bestuur, voorafgaande aan het nemen van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] , met onder andere [appellant] heeft gesproken over wat er op 13 en 14 maart 2016 was voorgevallen. Evenmin hebben zij weersproken dat [appellant] tijdens dat gesprek heeft gezegd dat hij zich ook in de toekomst niet aan de afspraak om (tijdelijk) niet op de haven te komen zou houden. Pas daarna, dus nadat zij [appellant] de kans had geboden om zijn kant van het verhaal te vertellen en te de-escaleren, heeft het bestuur, mede gelet op de opstelling tijdens het gesprek van [appellant] , besloten tot definitieve opzegging van het lidmaatschap.

Een belangrijk voorval dat geleid heeft tot het ernstig verstoord raken van de verhouding tussen het bestuur en [appellant] betreft het gegeven dat in de avond van 20 november 2015 de autobanden van [voorzitter w.s.v.] , toen voorzitter van het bestuur van [geïntimeerde] , zijn lek gestoken. De schade bedroeg € 800,00. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat uit camerabeelden zou blijken dat [appellant] dit heeft gedaan. De toenmalige havenmeester, [de voormalige havenmeester] , herkende volgens eigen zeggen [appellant] aan zijn "loopje".

[appellant] heeft meteen ontkend de dader te zijn en heeft op 6 december 2015 in een brief aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (productie 7 conclusie van antwoord) en per e-mail aan een zeventiental andere leden onder meer geschreven dat [voorzitter w.s.v.] (hof: [voorzitter w.s.v.] ) hem bewust en opzettelijk zwart maakt en vals beschuldigt. [voorzitter w.s.v.] zou valse aangifte doen, gefingeerd bewijsmateriaal dupliceren en verspreiden en zich schuldig maken aan laster en smaad.

Er heeft vervolgens op 10 december 2015 een gesprek plaats gevonden tussen [voorzitter w.s.v.] , [betrokkene 1] , [de voormalige havenmeester] en [appellant] . De inhoud van dat gesprek is bevestigd in een brief van het bestuur van 14 december 2015 (productie 8 conclusie van antwoord). In die brief is onder andere opgenomen dat [appellant] in dat gesprek heeft bekend de dader van het lek steken van de autobanden van [voorzitter w.s.v.] te zijn. [appellant] heeft daarna, zo heeft [geïntimeerde] onweersproken gesteld, de schade ook aan [voorzitter w.s.v.] vergoed.

Tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [appellant] verklaard dat als de heer [de voormalige havenmeester] , die de camerabeelden heeft gezien, heeft verklaard dat [appellant] het heeft gedaan, hij ( [appellant] ) het ook heeft gedaan. Hij vertrouwt de heer [de voormalige havenmeester] in deze. [appellant] kon het zich echter niet herinneren en wijst daarbij op zijn medicijngebruik (morfine) in die tijd.

[appellanten] hebben als productie 14 bij memorie van grieven onder andere een e-mailbericht van [betrokkene 1] van 15 januari 2016 aan een aantal leden van [geïntimeerde] gestuurd, waarin onder meer het volgende is geschreven:

"(...) Beste mede- [geïntimeerde] leden,

Wij, [betrokkene 3] en [betrokkene 1] zetten ons als verontruste leden in om het conflict tussen [appellant] en het bestuur in het belang van de vereniging uit de wereld te helpen.

In dit kader hebben wij op 14 januari 2016 met [appellant] gesproken en heeft hij ons het volgende verklaard:

Quote:

Op donderdag 10 december 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [voorzitter w.s.v.] , [betrokkene 1] , [de voormalige havenmeester] en mij, in het gesprek heb ik toegegeven de banden van [voorzitter w.s.v.] auto te hebben lek gestoken (alhoewel ik mij daar door aangezichtspijn en zware medicatie niets van kan herinneren). Ik heb daarvoor mijn oprechte excuses aangeboden en direct aangeboden de schade daarvan te vergoeden. De excuses zijn door [voorzitter w.s.v.] aanvaard en ik heb het schadebedrag dezelfde dag nog overgemaakt (...)"

Gelet op het voorgaande heeft het hof geen twijfel over het feit dat het [appellant] is geweest die de banden heeft lek gestoken. Dat dit ernstige voorval de nodige negatieve gevolgen heeft gehad voor de verhouding tussen [voorzitter w.s.v.] /het bestuur en [appellant] lijdt geen twijfel en is aan [appellant] te verwijten.

[appellant] heeft in de brief van 6 december 2015 niet alleen - in strijd met de waarheid - ontkend de dader van het lek steken van de banden te zijn, maar ook allerlei ernstige verwijten en beschuldigingen aan het bestuur/ [voorzitter w.s.v.] geuit. In het licht van wat hiervoor onder d. is overwogen is het hof van oordeel dat het bestuur op goede gronden een duidelijke, aan de leden van [geïntimeerde] te sturen, rectificatie van de inhoud van bedoelde brief kon en mocht eisen van [appellant] . [appellant] heeft, ondanks dat het bestuur hem hier herhaalde malen om heeft verzocht en ondanks de in de brief van 24 januari 2016 vermelde overeenkomst/afspraken op dit punt, ten onrechte volstaan met het doen sturen door derden van aan hem toegeschreven citaten uit gesprekken met hem en heeft zelf geen rectificatie gestuurd aan de geadresseerden van zijn brief/e-mailbericht van 6 december 2015.

Wat hiervoor onder a) tot en met e) is overwogen leidt het hof tot het oordeel dat het bestuur in redelijkheid tot het besluit van 16 maart 2016 is kunnen komen. Door de houding van [appellant] ten aanzien van het incident met de banden en de in de brief van 24 januari 2016 vermelde afspraken was elk vertrouwen in verbetering bij het bestuur weg en kon van [geïntimeerde] niet langer worden gevergd het lidmaatschap in stand te laten. Het beroep op de vernietiging van het bewuste besluit gelet op de redelijkheid en billijkheid verwerpt het hof dan ook.

De overige aan het adres van [appellant] door het bestuur gemaakte verwijten (onder andere over de manier van communiceren van [appellant] richting het bestuur in voorgaande jaren) behoeven gelet hierop geen nadere bespreking.

Het verbod om [appellant] mee te nemen als introducé

6.6.1.

[appellanten] vorderen vernietiging van het besluit van het bestuur om [appellante] te ontzeggen om [appellant] mee te nemen naar [geïntimeerde] als huisgenoot/introducé. [appellante] heeft het recht om [appellant] mee te nemen als introducé gelet op de inhoud van artikel 5 lid 3 van de statuten en artikel 14 van het huishoudelijk reglement. Door het besluit ondervindt [appellante] ernstig nadeel, omdat haar de mogelijkheid wordt ontnomen om samen met [appellant] te genieten van hun gezamenlijke boot en samen deel te nemen aan verenigingsactiviteiten. zij wordt als het ware gestraft, terwijl zij niets te maken had met het conflict tussen [appellant] en het bestuur/ [voorzitter w.s.v.] . Met hun vierde grief voeren [appellanten] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de redenen die ten grondslag liggen aan het opzeggingsbesluit ook rechtvaardigen dat [appellante] [appellant] niet langer mag meenemen als huisgenoot/introducé.

6.6.2.

[geïntimeerde] heeft aangegeven dat het bestuur op grond van de statuten en het huishoudelijk reglement de mogelijkheid heeft introductie te weigeren. Zij is daartoe in dit geval op goede gronden toe overgegaan; [appellant] heeft het gewoon te lang te bont gemaakt, aldus [geïntimeerde] .

6.6.3.

Het hof is van oordeel dat grief 4 faalt en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 5 lid 3 van de statuten van [geïntimeerde] bepaalt dat de vereniging de mogelijkheid kent alle personen uit het huisgezin van een lid van de vereniging tot de activiteiten van de vereniging toe te laten. In artikel 14 van het huishoudelijk reglement is onder meer bepaald dat het bestuur introductie van bepaalde leden kan weigeren, zo het belang van de vereniging dit meebrengt (cursiveringen door het hof). Het gaat in deze om een bevoegdheid van het bestuur en er is op grond van de statuten en het huishoudelijk reglement dus geen sprake van een ongeclausuleerd recht om personen te mogen introduceren. Naar het oordeel van het hof kon het bestuur in dit geval in redelijkheid besluiten om [appellant] een verbod op te leggen om, na de opzegging van het lidmaatschap, door [appellante] bij [geïntimeerde] /op de haven te worden geïntroduceerd (waarmee het besluit zich in feite ook direct tot [appellante] richtte). Zoals hiervoor al is overwogen heeft [appellant] met het bestuur op 24 januari 2016 afgesproken dat hij gedurende 1 jaar niet zou verschijnen op de haven. Die afspraak is hij ten onrechte niet nagekomen, terwijl hij ook heeft aangegeven in de toekomst zich niet aan de gemaakte afspraken te zullen houden. Daarop heeft het bestuur op 16 maart 2016, zoals hiervoor is overwogen, terecht besloten tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] . Toelating van [appellant] als introducé zou regelrecht in strijd komen met die, gelet op alles wat was voorgevallen, terechte opzegging van het lidmaatschap en het beoogde doel daarvan, namelijk te voorkomen dat [appellant] nog op de haven van [geïntimeerde] zou komen. Dat de belangen van [appellante] door dit besluit worden geschaad is duidelijk. Gelet op wat er in de voorafgaande periode allemaal was voorgevallen en op de rol die [appellant] daarbij heeft gehad, kon het bestuur echter het belang van de vereniging om [appellant] te weren van de haven zwaarder wegen dan het belang van [appellante] bij het kunnen introduceren van [appellant] .

Conclusies

6.7.

Het voorgaande betekent dat alle grieven falen en dat het vonnis waartegen [appellanten] beroep hebben ingesteld dient te worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellanten] veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch op 1 maart 2017 tussen partijen onder zaak-/rolnummer C/01/310683/HAZA 16-494 gewezen vonnis;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,00 aan griffierecht en € 4.296,00 aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, W.J.J. Beurskens en D.D. Kock en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 augustus 2020.

griffier rolraadsheer