Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2534

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.278.739_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging ots, geen maximering tot aan beschikking inzake verzoek wijziging hoofdverblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 augustus 2020

Zaaknummer : 200.278.739/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/354921 / JE RK 20-147

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Deze zaak gaat over [minderjarige], hierna te noemen [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 2017.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 19 maart 2020, gegeven onder het hierboven vermelde zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 mei 2020, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juni 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking van 19 maart 2020 in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Van Putten-van den Heuvel;

- de GI, vertegenwoordigd door mw. [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen.

2.3.2.

De raad heeft bij schrijven van 7 juli 2020 laten weten niet naar de mondelinge behandeling te komen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de GI van 3 juli 2020, ingekomen ter griffie op 6 juli 2020;

  • -

    het V6-formulier met nadere stukken van de zijde van de vader d.d. 13 juli 2020.

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige] is geboren uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader. De ouders hebben vanaf 19 juli 2018 gezamenlijk gezag.

3.2.

Sinds 3 juli 2019 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI. Bij beschikking van 12 december 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, op grond waarvan [minderjarige] bij de vader woont.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd van 3 april 2020 tot 3 april 2021, en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 3 april 2020 tot uiterlijk 3 april 2021.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan.

Met de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is de vader het wel eens. De ondertoezichtstelling is echter niet nodig. Inmiddels heeft de vader bij verzoekschrift van 10 juli 2020 de rechtbank verzocht te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vader heeft. De vader wijzigt daarom zijn verzoek in hoger beroep; hij verzoekt het hof nu op te bepalen dat de ondertoezichtstelling -en daarmee de machtiging tot uithuisplaatsing- wordt opgeheven op het moment dat de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader zal hebben bepaald.

De ondertoezichtstelling is voor het eerst uitgesproken toen [minderjarige] bij de moeder verbleef. Nu hij bij de vader verblijft, is er geen sprake meer van een ontwikkelingbedreiging. Voor zover die bedreiging nog wel bestaat, ligt deze bij de moeder. De ouders kunnen inmiddels echter goed onderling afspraken maken en hulp kan in een vrijwillig kader worden geboden.

De vader betwist dat hij contact met de GI afhoudt en niet meewerkt. Dat [minderjarige] een tijdje niet naar het kinderdagverblijf is gegaan, komt door de Coronacrisis.

De vader heeft al vanaf dat [minderjarige] één jaar oud was voor hem gezorgd. Onderzoek van Herlaarhof is niet nodig en wekt bij de vader de vrees dat [minderjarige] van hem zal worden afgepakt. Als er problemen zouden zijn, waren die op school en op het kinderdagverblijf al gebleken. Met de moeder was er eerst wel slechte communicatie, maar dat is inmiddels verbeterd.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,

-kort samengevat- het volgende aan.

Het is niet zo dat er geen zorgen meer zijn sinds [minderjarige] bij de vader woont. De GI heeft er weinig vertrouwen in dat het de ouders zal lukken om samen de bezoekregeling vorm te geven. De communicatie tussen de ouders is niet constructief en de vader erkent de zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder niet. De vader weigert ook in te stemmen met onderzoek door Herlaarhof naar mogelijke hechtingsproblematiek bij [minderjarige] .

De omgang van de moeder is nu één uur per week en éénmaal per maand mag ze [minderjarige] korte tijd meenemen, alles onder begeleiding. Voor de moeder is begeleiding door ORO aangevraagd om te kijken of er meer omgang zou kunnen zijn, misschien met hulp van de grootouders van moederszijde. Er zijn geen zorgen over de opvoedomgeving bij de vader.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.7.4.

Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. Zonder begeleiding van de GI is niet voldoende gewaarborgd dat de ouders tot een passende contactregeling van de moeder met [minderjarige] zullen komen. De ontwikkelingbedreiging ligt echter niet alleen daarin. Zolang nog niet alle doelen van de ondertoezichtstelling, zoals deze zijn geformuleerd in het rapport van de raad van 21 mei 2019 (pagina 17-18), zijn behaald, is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Met name is er nog onvoldoende zicht op een positieve, constructieve wijze van communiceren tussen de ouders, onvoldoende zicht op de opvoedingsvaardigheden van de moeder, onvoldoende aandacht voor de gehechtheidsrelatie (mogelijk middels psycho-educatie) waarbij de ouders leren sensitief en responsief te reageren op [minderjarige] , en is er nog onvoldoende ondersteuning van de moeder in ordening en structurering en het bewaren van overzicht in haar leven. Voor de ontwikkeling van [minderjarige] is het voorts noodzakelijk dat hij in een traject met de moeder komt. Het hof heeft er nu nog niet voldoende vertrouwen in dat de vader in staat is om [minderjarige] daarvoor in een vrijwillig kader alle ruimte te bieden. Samenwerking met en sturing door de GI is nodig.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd. Het hof ziet in het voorgaande ook geen aanleiding om de resterende termijn van de ondertoezichtstelling te bekorten tot het moment dat de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader zal hebben bepaald, en zal het daartoe strekkende verzoek dan ook afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en

H.M.A.W. Erven, en is op 6 augustus 2020 door mr. C.A.R.M. van Leuven uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.