Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2533

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.278.008_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Verlenging) uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 augustus 2020

Zaaknummer : 200.278.008/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/353804 / JE RK 19-1987

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H. Sanli,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de moeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 20 februari 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2020, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, alsmede in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, en (zo begrijpt het hof) opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI af te wijzen, althans subsidiair de machtiging uithuisplaatsing in duur te beperken tot uiterlijk zes maanden althans tot uiterlijk een periode die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juni 2020, heeft de GI verzocht de vader in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Sanli;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2]

2.3.1.

De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 februari 2020;

  • -

    stukken van de eerste aanleg, overgelegd door mr. Sanli, ingekomen op 11 mei 2020;

  • -

    de brief van de raad van 5 juni 2020, waarin de raad heeft medegedeeld geen opgemaakte rapporten, adviezen of andere rapportages met betrekking tot onderhavige kwestie te hebben; de raad heeft wel recentelijk gerapporteerd inzake een gezagsbeëindigende maatregel over [minderjarige] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 5 december 2017 onder toezicht van de stichting.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 5 december 2017 uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Hij verblijft sinds die datum op een behandelgroep van jeugdhulpaanbieder [jeugdhulpaanbieder] .

3.3.

De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd, voor het laatst tot 5 maart 2020.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 maart 2021 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [minderjarige] tot uiterlijk 5 maart 2021 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Tevens heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 5 maart 2020 tot 5 maart 2021.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de machtigingen uithuisplaatsing betreft, en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – kort samengevat – het volgende aan.

In eerste aanleg is de vader geheel gepasseerd: de GI heeft hem niet op de hoogte gesteld van het verzoek en de rechtbank heeft hem niet opgeroepen.

De vader is van mening dat hij een kans verdient om te laten zien dat hij voor [minderjarige] kan zorgen. Hij heeft zijn leven op de rit gekregen en is in staat de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De vader krijgt ondersteuning en begeleiding van SMO (Stichting Maatschappelijke Opvang) te [plaats] , via welke organisatie hij ook werkt. Er is al ruim twee jaar geen sprake meer van drugsgebruik. De vader verblijft in een opvang, maar zodra er de mogelijkheid is dat [minderjarige] bij de vader kan komen wonen, is binnen een half jaar een zelfstandige woonruimte (met begeleiding) voor hem beschikbaar. De financiën van de vader worden beheerd.

De vader ziet in dat het een domme set was om naar Zuid-Duitsland te vertrekken. Na zijn terugkeer is de begeleide omgang met [minderjarige] hervat. Hij ziet [minderjarige] twee uur per maand. Hij verdient nog een kans om te laten zien dat hij nu echt volledig voor [minderjarige] gaat. Met de moeder heeft de vader helemaal geen contact meer gehad.

Het is niet in het belang van [minderjarige] om in een pleeggezin op te groeien, aangezien de vader voor hem kan zorgen. Hij zit niet op zijn plek in de instelling.

Binnen uiterlijk zes maanden moeten de mogelijkheden van een terugkeer naar vader onderzocht kunnen worden. De vader verzoekt derhalve de machtiging uithuisplaatsing te verkorten tot zes maanden. Tot nu toe zijn alleen de mogelijkheden van een verblijf bij de moeder onderzocht. Het recht van de vader op een gezinsleven (8 EVRM) wordt door de uithuisplaatsing ernstig geschaad.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat – het volgende aan.

De vader heeft zijn leven wat meer op de rit, maar dat verandert niet dat hij in het verleden zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van [minderjarige] niet heeft genomen. In de relatie tussen de ouders is er sprake geweest van veel huiselijk geweld en drugsgebruik. Dit leidde tot een situatie waarin het voor [minderjarige] niet veilig was om op te groeien. De ouders bleven ondanks alle onderlinge problemen en ondanks een negatief advies van de GI, lang bij elkaar wonen. Lange tijd was het voor [minderjarige] ook onduidelijk of zijn ouders nog bij elkaar of uit elkaar waren.

Uiteindelijk is de vader uit de gezamenlijke huurwoning vertrokken. De vader heeft enige tijd gezworven en heeft daarna een huurwoning in [plaats] gekregen. Hij is vervolgens zonder overleg of afstemming met GI in Zuid-Duitsland als vrachtwagenchauffeur gaan werken. Hij heeft zelfs zijn huurwoning in [plaats] opgezegd. Gedurende vier maanden kon de GI de vader niet bereiken. Tot groot verdriet en teleurstelling van [minderjarige] konden de begeleide bezoeken niet meer plaatsvinden. Eind 2019 en begin 2020 is de vader de kans geboden deel te nemen aan een observatietraject. Omdat de vader steeds niet bereikbaar was en op enig moment zonder kennisgeving bleek te zijn verhuisd, zijn die kansen voorbij gegaan. Met het oog op het oordeel van de kinderrechter in de beslissing van 4 december 2019 dat de vader duidelijk zijn verantwoordelijkheden verzaakt had en dat het aan de GI was om passende maatregelen voor [minderjarige] te nemen, heeft de GI de raad verzocht een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

Gezien het recht van [minderjarige] op woonperspectief en het ontbreken van een stabiele basis bij de vader, is een plaatsing van [minderjarige] bij de vader niet meer aan de orde. Tijdens een bespreking hiervan op 14 januari 2020 zei de vader dit te begrijpen, maar toch in hoger beroep te zullen gaan omdat hij ten opzichte van [minderjarige] wil kunnen aantonen dat hij alles heeft gedaan om hem weer thuis te kunnen laten wonen. De vader is nu beter bereikbaar voor de GI, maar het is nog steeds niet ideaal.

[minderjarige] is een beschadigd jongetje. Hij worstelt met de onduidelijkheid over de situatie van zijn ouders en zijn eigen toekomst. Als de vader erin zou berusten, zou dat [minderjarige] helpen, ook in het kader van de speltherapie.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hoger beroep van de vader is alleen gericht tegen de verlenging van de uithuisplaatsing.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.4.

[minderjarige] is als gevolg van zijn belaste verleden een kwetsbare en fors beschadigde jongen. In de thuissituatie bij de ouders heeft [minderjarige] veel meegemaakt. De ouders hebben hun verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet genomen, ook niet na de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De ouders zijn als gevolg van hun eigen (relatie)problemen te weinig beschikbaar geweest voor [minderjarige] . In de tweeënhalf jaar dat [minderjarige] op de behandelgroep verblijft, heeft [minderjarige] maar twee keer een weekend bij de ouders verbleven.

[minderjarige] heeft meer aandacht, bevestiging en stimulans nodig dan het gemiddelde kind van zijn leeftijd. Ook heeft hij bovengemiddeld veel behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit.

De speltherapie die voor [minderjarige] is ingezet, heeft onvoldoende effect, omdat hij worstelt met de onduidelijkheid over de situatie rondom zijn ouders en de onduidelijkheid over zijn eigen perspectief. [minderjarige] is, ondanks alle gebeurtenissen, erg loyaal aan beide ouders.

3.8.5.

Er zijn voor [minderjarige] geen mogelijkheden voor een plaatsing bij een van beide ouders, zodat de uithuisplaatsing in zijn belang noodzakelijk is.

Ten aanzien van de moeder is dit in 2019 in een observatietraject van ORO vastgesteld. Momenteel is er tussen de GI/hulpverlening en de moeder helemaal geen contact meer en is onduidelijk waar zij verblijft.

Een observatietraject met de vader, in welk kader had kunnen worden onderzocht of plaatsing van [minderjarige] bij hem tot de mogelijkheden behoort en wat daarvoor nodig zou zijn, heeft nooit plaatsgevonden. Tot tweemaal toe is de vader een dergelijk traject aangeboden. De eerste keer was de vader niet bereikbaar voor de GI. De tweede keer was de vader, zonder de GI en [minderjarige] hiervan op de hoogte te stellen, naar Zuid-Duitsland vertrokken om daar te gaan werken. De vader is maanden niet bereikbaar geweest voor de GI. Het heeft [minderjarige] veel verdriet gedaan dat hij in die periode geen begeleide omgang met de vader kon hebben. Voor een kwetsbare jongen als [minderjarige] is het een zeer schadelijke ervaring om van de ene op de andere dag, zonder enige toelichting, maanden geen bezoek meer van zijn vader te krijgen. De vader heeft zijn ouderlijke verantwoordelijkheid verzaakt door zo met de gevoelens van [minderjarige] om te gaan. Uit het relaas van de vader ter mondelinge behandeling maakt het hof op dat de vader is teruggekeerd naar Nederland (ook) om bij de moeder te zijn.

3.8.6.

Sinds januari 2020 verblijft de vader in een daklozenopvang. Hij is op de goede weg om zijn leven op de rit te krijgen. De vader vraagt om een kans om te laten zien dat hij er nu echt volledig voor [minderjarige] is en dat hij in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelf te dragen. De vader houdt veel van [minderjarige] en hij is van goede wil, maar wat de vader vraagt is niet in het belang van [minderjarige] .

3.8.7.

Het is niet te verwachten dat de vader binnen een termijn korter dan die van de verleende machtiging, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelf kan dragen. Gezien de forse persoonlijke problematiek van de vader in het (recente) verleden (huiselijk geweld, drugsgebruik, vluchtgedrag, zwerven) is het hof er niet van overtuigd dat in de relatief korte tijd dat de vader in de opvang verblijft, als persoon voldoende stabiel is geworden, nog afgezien van de vraag of de vader [minderjarige] in pedagogisch opzicht voldoende duidelijkheid en stabiliteit kan bieden. In dit kader wijst het hof erop dat de vader zelfs tijdens de tweeënhalf uur omgang per maand, de daarbij aanwezige begeleiding hard nodig heeft. Wanneer [minderjarige] vragen stelt die de vader niet kan beantwoorden, wendt de vader zich tot de begeleiding. Dat is positief maar tegelijkertijd komt hiermee de onzekerheid of de onmacht van vader nog tot uitdrukking.

Er is meer nodig dan een dak boven je hoofd en financieel beheer om een pedagogisch verantwoord opvoedingsklimaat te creëren voor een kind; voor een kwetsbaar kind als [minderjarige] dienen daaraan ook nog bovengemiddeld hoge eisen aan een ouder te worden gesteld. Ook in de begeleide woonvoorziening waar de vader met [minderjarige] zou kunnen wonen, zou naar het oordeel van het hof veel intensieve pedagogische ondersteuning ingezet moeten worden. De begeleiding die vader zegt te gaan krijgen, ziet op ondersteuning bij praktische (regel)zaken. De vader heeft in de opvoeding van [minderjarige] echter geen hulpvraag.

3.8.8.

Nog afgezien van de vraag wat de mogelijkheden van de vader c.q. bij de vader zijn, is het hof van oordeel dat er bij [minderjarige] , gezien zijn belaste geschiedenis en problematiek als gevolg daarvan, geen ruimte is om de vader de kans te geven die hij vraagt. [minderjarige] is erbij gebaat als de situatie blijft zoals deze is en de vader deze situatie accepteert en [minderjarige] emotionele toestemming geeft om elders op te groeien. [minderjarige] zou dan in zijn speltherapie meer stappen kunnen maken en dat kan opening geven voor een uitbreiding van de omgang tussen hem en de vader. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat de vader op die wijze zijn ouderrol kan blijven vervullen en dat [minderjarige] en de vader hun onderlinge band kunnen versterken.

3.8.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hof geen aanleiding ziet de verlenging van de machtiging in duur te beperken.

Een nader onderzoek door de GI naar de opvoedmogelijkheden van vader kan niet tot een andere beslissing leiden. Bovendien is [minderjarige] gebaat bij rust en duidelijkheid. Een onderzoek als door de vader gewenst zou [minderjarige] te veel belasten en dus in strijd met zijn belang zijn.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 20 februari 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en H.M.A.W. Erven en is op 6 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.