Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2529

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.272.353_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:9249
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging beëindiging gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 augustus 2020

Zaaknummer : 200.272.353/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/264917 / FA RK 19-2037

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI);

- [de pleegmoeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de pleegmoeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 januari 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over de hierna te noemen minderjarige kinderen alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 februari 2020, heeft de GI verzocht de beschikking van de rechtbank in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Kreutzkamp,

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] , en

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

Tevens is verschenen [de vader] (hierna te noemen: de vader), die als informant door het hof is gehoord.

2.3.2.

De pleegmoeder is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 augustus 2019.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] (roepnaam: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] (roepnaam: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,

hierna samen te noemen: de kinderen.

3.2.

De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is van rechtswege belast geweest met het gezag over de kinderen tot de beëindiging van haar gezag bij de hierna te noemen beschikking van 16 oktober 2019.

3.3.

De kinderen hebben vanaf 22 februari 2018 (voorlopig) onder toezicht gestaan. Aanvankelijk zijn de kinderen onder toezicht gesteld van stichting Bureau Jeugdzorg Limburg. Bij beschikking van 4 december 2018 is voornoemde stichting voor wat betreft de ondertoezichtstelling van de kinderen vervangen door de GI. Het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming was enige tijd bij de kinderen betrokken.

De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 8 februari 2019 tot 22 februari 2020.

3.4.

Op 22 februari 2018 is een machtiging afgegeven om de kinderen (met spoed) uit huis te plaatsen in een pleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing is sindsdien eveneens steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 8 februari 2019 tot 22 februari 2020.

Sinds augustus 2018 verblijven de kinderen in het perspectief biedende pleeggezin van de pleegmoeder.

3.5.

Het contact tussen de moeder en de kinderen is op grond van een schriftelijk aanwijzing van de GI van 4 juli 2018 sinds die datum stopgezet.

De vader heeft eenmaal per drie weken gedurende een uur onder begeleiding contact met de kinderen.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en de GI tot voogdes over de kinderen benoemd.

3.7.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

Aan de wettelijke vereisten om het gezag te beëindigen wordt niet voldaan. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Het gaat goed met de moeder. Zij heeft al geruime tijd geen persoonlijke problematiek meer en is niet verslaafd. Dat zij af en toe een glas wijn drinkt of een joint rookt, laat dit onverlet. Zij heeft sinds de procedure in eerste aanleg geen terugval gehad. Het door de GI tijdens de mondelinge behandeling genoemde incident in april 2020 waarvan Veilig Thuis melding heeft gemaakt, betrof een inbraak bij de moeder. De hulpverlening die zij van mevrouw [medewerker stichting] van Stichting [stichting] ontvangt, sluit aan bij haar behoefte. Deze hulp is gericht op de moeder en daarmee ook op de kinderen. De moeder wil geen behandeling door Mondriaan, omdat in het verleden haar dat niet heeft geholpen.

De moeder heeft de kinderen inmiddels twee jaar niet gezien. Zij wil graag contact met de kinderen en dit contact rustig opbouwen onder begeleiding. Zij heeft een goed gesprek met de pleegouders gehad en zou graag met de pleegouders een nieuw gesprek willen. Zij is niet tegen de uithuisplaatsing van de kinderen, maar wel tegen de verzochte beëindiging van het gezag. De vooruitgang in haar persoonlijke situatie maakt dat zij verantwoordelijkheid voor de kinderen kan nemen. De aanvaardbare termijn is nog niet verstreken.

3.9.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

Uit het raadsrapport blijkt dat de kinderen wel ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De opvoedsituatie bij de moeder is niet stabiel. De GI heeft in augustus 2019 en april 2020 meldingen vanuit Veilig Thuis ontvangen over incidenten die bij de moeder hebben plaatsgevonden. Er is sprake van persoonlijke problematiek en verslavingsproblematiek bij de moeder waarvoor, gezien het advies van [naam] , eerst behandeling nodig is voordat concrete stappen in het contactherstel met de kinderen kunnen worden gezet. De moeder staat niet open voor verdere behandeling en heeft hier, ook met het oog op contactherstel tussen haar en de kinderen, geen stappen in gemaakt. Mevrouw [medewerker stichting] van [stichting] werkt vanuit een ondersteunde rol, maar dat is onvoldoende om de moeder te begeleiden in de problematiek die zij heeft.

Met betrekking tot de kinderen heeft [naam] observaties en eventuele behandeling vanwege onderliggend trauma door de Mutsaersstichting geadviseerd. Het traject bij de Mutsaersstichting heeft vertraging opgelopen, omdat de moeder weigerde medewerking te verlenen aan de aanvraag van identiteitsbewijzen voor de kinderen die voor de opstart van het traject noodzakelijk waren. Op 7 juli 2020 komt er meer duidelijkheid over de visie en het behandelplan van de Mutsaersstichting. De GI wil het advies van de Mutsaersstichting afwachten voordat zij gaat beslissen over de mogelijkheden voor contact tussen de moeder en de kinderen.

3.10.

De raad voert tijdens de mondelinge behandeling het volgende aan.

De raad blijft bij zijn advies tot beëindiging van het gezag. Bij de moeder is geen sprake van een stabiele situatie. Dit blijkt ook uit de nieuwe melding van Veilig Thuis uit april 2020 die de GI in hoger beroep heeft genoemd. De moeder heeft nog geen begin van behandeling gemaakt. Zij wijst behandeling voor haarzelf af.

Het perspectief van de kinderen ligt in het pleeggezin. De kinderen hebben eerder zeer heftige reacties getoond op het contact met de moeder. Zij hebben eerst stabiliteit nodig voordat zij zich verder kunnen ontwikkelen en met (trauma)behandeling kan worden gestart. Om stabiliteit voor de kinderen te krijgen moet ook duidelijk voor hen zijn waar zij gaan opgroeien. De aanvaardbare termijn is overschreden.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.11.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat aan de voorwaarde van artikel 1:266 sub a BW is voldaan. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.

3.11.3.

De aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken, mede gelet op dat de moeder geen zicht biedt op dat zij de kinderen op afzienbare termijn kan geven wat voor hen nodig is.

De GI heeft bij schriftelijke aanwijzing van 4 juni 2018 – waarin is besloten het contact tussen de moeder en de kinderen stop te zetten – reeds besloten dat het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming de moeder moet aanmelden voor specialistische hulpverlening met betrekking tot het contact met de kinderen. Na een periode waarin de moeder niet bereikbaar was voor de hulpverlening, heeft vervolgens op 11 februari 2019 bij [naam] een intakegesprek- en overleg met de moeder plaatsgevonden. [naam] heeft aan de moeder het advies gegeven om eerst eigen behandeling op te starten gericht op haar persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, eventueel in combinatie met diagnostiek, alvorens concrete stappen te zetten in het contact met de kinderen. Er is sindsdien een periode van anderhalf jaar verstreken waarin de moeder vasthoudt aan de hulpverlening die zij van Stichting [stichting] ontvangt, maar verder niet openstaat voor de behandeling die voor haar eigen problematiek noodzakelijk wordt geacht. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft zij wel verklaard dat zij op de wachtlijst bij Mondriaan staat, maar dit blijkt tijdens de procedure in hoger beroep niet (meer) het geval te zijn. Hoewel aan de moeder kansen zijn geboden, blijft de situatie van de moeder onveranderd. Dit heeft mede tot gevolg dat al langdurig geen contact tussen haar en de kinderen heeft plaatsgevonden.

3.11.4.

Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep bestond nog geen duidelijkheid over of en zo ja, op welke wijze contactherstel tussen de moeder en de kinderen mogelijk is. De GI heeft te kennen gegeven dat zij wacht op de rapportage van de Mutsaersstichting en mede op basis van die rapportage daarover zal beslissen.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.13.

Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 oktober 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en H.J. Witkamp en is op 6 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.