Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2337

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
200.275.953_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Herstel) gezag

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 23 juli 2020

Zaaknummer : 200.275.953/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/268914 / FA RK 19-3379

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- Mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder);

- De heer [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegvader);

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daar grieven tegen zijn gericht en, opnieuw rechtdoende, te bepalen:

primair dat het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] wordt hersteld (ex art. 1:277 lid 1 BW), dan wel dat het verzoek tot herstel van het gezag voor de duur van zes maanden zal worden aangehouden en waarbij [minderjarige] in die periode bij de moeder zal verblijven in het kader van een proefherstel (ex art. 1:278 lid 2 BW);

subsidiair dat er tussen de moeder en [minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend (voor schooltijd) omgang zal plaatsvinden, alsook gedurende een tweetal gehele (losse) weken per jaar tijdens vakanties, dan wel een andere regeling als het hof juist acht;

voor wat betreft het primaire en subsidiaire een bijzonder curator te benoemen (ex art. 1:250 BW), opdat die de belangen van de minderjarige [minderjarige] in deze procedure kan behartigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van gronden.

2.3.

Bij verweerschrift, eveneens ingekomen ter griffie op 14 mei 2020, hebben de pleegmoeder en pleegvader (hierna pleegouders) verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel de grieven ongegrond te verklaren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Hoppers;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] , gedragswetenschapper;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de vader;

- de pleegmoeder, bijgestaan door mr. W.A. Koers.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een bericht van de GI, zijnde een mail van [gezondheidszorgpsycholoog i.o.] , Gezondheidszorgpsycholoog i.o. Klinisch Psycholoog, Jeugd [plaats] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] heeft sinds 12 november 2013 onder toezicht gestaan van de GI en zij is sinds die datum op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. Zij verblijft sedert juni 2013, aanvankelijk op vrijwillige basis, in het gezin van de pleegouders.

3.3.

Bij beschikking van 7 april 2016 heeft de rechtbank Limburg (Roermond) het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd over [minderjarige] .

3.4.

Bij beschikking van 11 augustus 2016 heeft het hof voornoemde beschikking van de rechtbank van 7 april 2016 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover de moeder had verzocht te bepalen dat het verzoek tot beëindiging van haar ouderlijk gezag alsnog zou worden afgewezen.

3.5.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 18 september 2019, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair dat het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] wordt hersteld (ex art. 1:277 lid 1 BW), dan wel dat het verzoek tot herstel van het gezag voor de duur van zes maanden zal worden aangehouden en waarbij [minderjarige] in die periode bij de moeder zal verblijven in het kader van een proefherstel (ex art. 1:278 lid 2 BW);

subsidiair dat er tussen de moeder en [minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend (voor schooltijd) omgang zal plaatsvinden, alsook gedurende een tweetal gehele (losse) weken per jaar tijdens vakanties, dan wel een andere regeling als de rechtbank juist acht;

voor wat betreft het primaire en subsidiaire een bijzonder curator te benoemen (ex art. 1:250 BW), opdat die de belangen van de minderjarige [minderjarige] in deze procedure kan behartigen.

3.6.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder afgewezen.

Het verzoek van de moeder

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij wil, verkort weergegeven, dat haar inleidende verzoeken alsnog toegewezen zullen worden.

3.8.

De moeder grieft in de eerste plaats tegen de afwijzing van haar primaire verzoek. Ter toelichting op deze grief voert de moeder in het beroepschrift - kort samengevat - aan dat de rechtbank een tweetal argumenten aandraagt op grond waarvan zij niet in haar gezag dient te worden hersteld: (1) de verstoorde communicatie tussen de moeder en de vader en (2) de hechting van [minderjarige] binnen het pleeggezin. Ten aanzien van (1) merkt de moeder op dat de vader altijd achter de uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft gestaan. De moeder heeft altijd het gevoel gehad dat de vader dit bewust heeft gedaan, enkel om haar hard te raken. Voor de vader is er dan ook geen enkele prikkel geweest om de verstandhouding met de moeder te verbeteren. Hij vindt het immers prima dat [minderjarige] bij de pleegouders verblijft. De moeder is van mening dat zij en de vader wel degelijk in staat zijn om te communiceren over [minderjarige] . Het is hen immers ook gelukt om samen de financiële gevolgen van de echtscheiding te regelen. Daar komt bij dat de moeder thans een rustig en stabiel leven heeft. Zij heeft een nieuwe partner en samen hebben zij twee kinderen. Dat de moeder en de vader niet in staat zouden zijn om te communiceren is op geen enkel huidig feit gebaseerd. Overigens acht ook de moeder het van belang dat de vader een belangrijke rol van betekenis blijft spelen in het leven van [minderjarige] en zij betwist dan ook dat zij de vader geen evenredige vaderrol kan laten vervullen. De moeder acht zich dan ook zeer zeker in staat om in het belang van [minderjarige] met de vader afspraken te maken, maar de vader moet hiertoe wel bereid zijn. Zolang ook de GI geen enkel initiatief neemt in het verbeteren van de ouderrelatie, gebeurt datgene dat de vader en de GI voor ogen hebben, namelijk dat [minderjarige] in het pleeggezin blijft. De vader en moeder dienen inspanningen te verrichten om de oudercommunicatie te verbeteren, voordat er überhaupt een conclusie kan worden getrokken. Los daarvan, kan dit aspect op zichzelf niet leiden tot het in stand houden van een gezagsbeëindigende maatregel. Er zijn minder ingrijpende alternatieven, maar daarop is door de GI en de vader nooit ingezet. De GI zorgt door haar handelswijze voor een loyaliteitsconflict tussen [minderjarige] , haar zusjes en de moeder. Door optreden van de GI is er sprake van onrust, verwarring en onthechting van [minderjarige] naar haar biologische familie toe.

Ten aanzien van (2) voert de moeder aan dat [minderjarige] óók gehecht is aan de moeder en zusjes. Deze (bloed)band gaat verder dan de band die [minderjarige] met haar pleegouders heeft. Bij een eventuele terugplaatsing kan [minderjarige] uiteraard altijd contact onderhouden met het pleeggezin en met de vader. De moeder maakt zich ernstige zorgen over wat er allemaal in het hoofd van [minderjarige] omgaat. De moeder is ervan overtuigd dat er bij [minderjarige] een grote behoefte bestaat om, samen met haar zusjes, bij de moeder te gaan wonen. [minderjarige] voelt aan alle kanten dat zij deze wens van de pleegouders niet mag hebben, laat staan mag uiten. Deze situatie zorgt er juist voor dat [minderjarige] klem en verloren raakt, reden temeer om het primaire verzoek van de moeder toe te wijzen.

Tot slot wil de moeder benadrukken dat het er niet om gaat dat de moeder niet voor [minderjarige] kan zorgen. De raad heeft eerder vastgesteld dat de moeder hiertoe prima in staat is. De moeder werkt nota bene zelf in de zorg en met de zusjes die wel bij de moeder wonen, gaat het supergoed. Alles overziend is het in het belang van [minderjarige] dat zij weer bij de moeder komt wonen. Zo nodig zou er ook eerst gestart kunnen worden met proefherstel.

3.8.2.

Ter zitting heeft de moeder hieraan toegevoegd en benadrukt dat het opvalt dat vanuit de GI wordt aangegeven dat de moeder strijd aan het voeren is, dat zij niet accepteert dat [minderjarige] in het pleeggezin hoort en zij [minderjarige] in deze strijd duwt. Echter, de moeder maakt zich oprecht zorgen over [minderjarige] . Voor [minderjarige] is het heel lastig te accepteren dat zij haar moeder heel beperkt ziet en dat haar zusjes, in tegenstelling tot [minderjarige] , wel bij de moeder wonen. Dit leidt tot boosheid van [minderjarige] naar de moeder toe. De moeder is ervan overtuigd dat de problemen die [minderjarige] heeft, voortvloeien uit het feit dat [minderjarige] niet de band met de moeder kan opbouwen die in een normale situatie wel kan.

De moeder ziet het als haar plicht als moeder om de zorgen die zij heeft over [minderjarige] aan te kaarten. Zij betwist dat zij een strijd wil voeren; zij wil enkel kijken naar wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] vraagt de moeder of zij haar wil helpen en [minderjarige] zegt zelf dat ze niet wil accepteren dat ze niet bij de moeder kan wonen. De moeder op haar beurt kan niet accepteren dat het perspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt, zolang [minderjarige] met dit soort signalen komt. Het lijkt erop of [minderjarige] niet mag aangeven dat zij bij de moeder wil wonen, omdat de GI vindt dat zij binnen het pleeggezin moet opgroeien. Vanuit [minderjarige] bezien is het niet raar dat zij de wens heeft om bij de moeder te wonen. De speltherapeut van [minderjarige] heeft aan de moeder aangegeven dat [minderjarige] veel met de moeder bezig is en de speltherapeut heeft aan de moeder gevraagd of zij bij de therapie betrokken wil worden. Volgens de speltherapeut is de opdracht dat [minderjarige] moet leren accepteren dat zij in het pleeggezin opgroeit, maar dat is volgens de moeder niet de juiste insteek en aan deze insteek wil de moeder geen medewerking verlenen. De moeder is blijkbaar een thema dat veel speelt bij [minderjarige] en daar moet iets mee gebeuren. Bij de therapie wordt het beeld dat de moeder heeft over [minderjarige] bevestigd. Als [minderjarige] bij de moeder komt wonen, zal de moeder zeker de contacten met het pleeggezin en de vader in stand houden, aangezien dat voor [minderjarige] belangrijk is. De moeder weet dat [minderjarige] het fijn vindt bij de vader en het pleeggezin en de moeder vindt het fijn dat de pleegouders haar opvangen, maar uiteindelijk is zij de moeder. De band en hechting met biologische ouders is voor een kind toch anders dan die met een pleeggezin.

3.8.3.

De moeder grieft voorts tegen de afwijzing van haar subsidiaire verzoek. Ter toelichting op deze grief voert de moeder in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - aan dat er nog altijd problemen zijn met betrekking tot de omgangsregeling én de voorwaarden die daaraan gesteld worden. De GI grijpt voortdurend in het vooraf afgestemde omgangsrooster in, waardoor er soms wekenlang geen omgang is. Het is al vaker voorgekomen dat de GI tijdens de omgangsweekenden van [minderjarige] met de moeder, gaat eisen dat niet de moeder, maar de GI, bepaalt wat er tijdens zo’n weekend gebeurt. De GI zet de moeder, [minderjarige] en de andere kinderen van de moeder onder druk met dreigementen ter zake de omgang. De moeder geeft een aantal voorbeelden waarbij naar haar mening de GI de omgang tussen haar en [minderjarige] heeft gefrustreerd. De moeder acht het dan ook dringend wenselijk dat er een omgangsregeling wordt vastgelegd door het hof. De moeder acht het in het belang van [minderjarige] dat zij eens in de twee weken bij de moeder zal verblijven. Zij kan op die manier haar band met de moeder en zusjes op een fatsoenlijke wijze blijven onderhouden. Door meer tijd met [minderjarige] door te brengen, hoopt de moeder ook dat [minderjarige] beter zal accepteren dat zij bij haar pleegouders blijft wonen.

3.8.4.

Ter zitting heeft de moeder ten aanzien van de omgangsregeling, samengevat, nog het volgende naar voren gebracht. De moeder is een aantal keren te laat geweest om [minderjarige] op te halen voor de omgang, maar dat was buiten haar schuld. De moeder is verpleegkundige en kan daardoor niet altijd op tijd weg. Nu is zij voortaan vrij op vrijdag, om te voorkomen dat zij te laat komt. Echter, het ophaaltijdstip is nu verplaatst door de GI.

Tijdens “coronatijd” zijn de contacten tussen de moeder en [minderjarige] door de GI stopgezet. Daar was de moeder niet blij mee en zij heeft raamcontacten voorgesteld, maar kreeg nul op haar rekest. Thans ziet zij [minderjarige] eens in de twee weken anderhalf uur onder begeleiding, welke begeleiding nodig zou zijn om de anderhalve meter afstand te waarborgen. De GI zegt tegen de moeder dat zij in de positie is om deze beslissing te nemen, nu er geen omgangsregeling door de rechter is vastgesteld. Op deze manier creëer je strijd. Het gaat heel ver om de moeder en [minderjarige] onder begeleiding op afstand contact te laten hebben. [minderjarige] heeft ook veel boosheid geuit. De reguliere omgangsregeling zoals deze gold vóór corona, wordt per 1 juli 2020 weer hervat. De moeder acht het belangrijk dat er een omgangsregeling wordt vastgelegd, zodat het machtsmiddel dat de GI thans heeft, wordt weggenomen.

3.8.5.

Tot slot grieft de moeder tegen de afwijzing van haar verzoek om een bijzonder curator te benoemen. Ter toelichting op deze grief voert de moeder in het beroepschrift - kort samengevat – aan dat het belangrijk is dat [minderjarige] een stem krijgt. De moeder zal de wens van [minderjarige] altijd respecteren, mits dit ook daadwerkelijk haar wens is en dit [minderjarige] gelukkig maakt. Daarover heeft moeder ernstige twijfels. Zij acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat er een bijzonder curator wordt benoemd mét een psychologische achtergrond en die vanuit het systeem én de wensen van [minderjarige] kan bekijken wat wenselijk én mogelijk is, dit alles enkel en alleen in het belang van [minderjarige] .

3.8.6.

Ter zitting heeft de moeder hier, verkort weergegeven, aan toegevoegd dat een bijzonder curator met een psychologische en systemische achtergrond vanuit een neutrale positie [minderjarige] beter in rechte kan vertegenwoordigen. Er is een overduidelijk verschil in visie tussen de GI en de moeder en zij vreest dat hetgeen [minderjarige] wil, thans onvoldoende uit de verf komt.

Het verweer van de GI

3.9.

De GI voert in het verweerschrift - kort samengevat – ten aanzien van grief 1 van de moeder het volgende aan. De GI ziet een betrokken vader die – in tegenstelling tot de moeder – geaccepteerd heeft dat [minderjarige] opgroeit in een pleeggezin. De vader en de moeder hebben een verschil van mening hoe het gaat met [minderjarige] en dit zorgt tijdens de gezamenlijke evaluatiemomenten voor spanningen en irritaties. Er kan tot op heden niet gesproken worden van een constructieve samenwerking tussen de ouders en ook de samenwerking tussen de moeder en het pleeggezin verloopt niet altijd even optimaal. Gezien de niet constructieve samenwerking en de verwijten die er geregeld gemaakt worden richting de vader en de pleegmoeder, heeft de GI er geen vertrouwen in dat de moeder in staat is om in het belang van [minderjarige] het contact tussen de vader en het pleeggezin te waarborgen wanneer het contact bij de moeder komt te liggen. Door [minderjarige] op te laten groeien in het pleeggezin met een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder, hoeft er geen sprake te zijn van een loyaliteitsconflict. Zowel de GI als het pleeggezin staan positief tegenover het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Het contact tussen de moeder en [minderjarige] wordt gestimuleerd en er wordt door de pleegouders altijd neutraal/positief gesproken over de ouders in het belang van [minderjarige] . Doordat moeder niet lijkt te accepteren dat [minderjarige] opgroeit in het pleeggezin en er vanuit de moeder een appel wordt gedaan op haar loyaliteit, kan het zijn dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict komt. Om [minderjarige] te ondersteunen hoe om te gaan met de verschillende leefwerelden en haar gedachten en gevoelens, volgt zij speltherapie. Daar wordt haar ontwikkeling gevolgd. Ook op school gaat het goed. Het opgroeiperspectief ligt bij de pleegouders. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om toe te werken naar een thuisplaatsing bij de moeder is verstreken. Daarbij bestaat er ook het grote risico dat thuisplaatsing de strijd tussen ouders weer doet oplaaien en dat als gevolg kan hebben dat [minderjarige] de vader dan niet meer zou zien.

3.9.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI hieraan toegevoegd dat als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, het perspectief bespreekbaar moet zijn, maar dergelijke omstandigheden zijn er niet. Er bestaat een reëel risico dat de strijd tussen de ouders weer oplaait. Nu zijn zowel de vader als de moeder er voor [minderjarige] en het zou heel schadelijk voor haar zijn als de vader uit haar leven verdwijnt. [minderjarige] heeft thans een kwetsbare leeftijd en het gaat goed met haar. Zij dient bij het pleeggezin, waar zij al vanaf baby af en verblijft en waarmee zij hechting heeft opgebouwd, te blijven. [minderjarige] wil iedereen tevreden houden, maar zij moet weten waar ze aan toe is. De GI merkt dat de moeder aan [minderjarige] trekt en dat zorgt voor verwarring bij [minderjarige] . Het doel van de speltherapie is [minderjarige] te helpen met haar emoties en haar te helpen om te gaan met de verschillende systemen waarvan zij deel uitmaakt. Haar werkelijkheid is zoals deze thans is.

3.9.2.

De GI voert in het verweerschrift – kort samengevat – ten aanzien van grief 2 van de moeder het volgende aan. In november 2019 zijn alle betrokkenen om tafel gaan zitten voor het opstellen van een omgangsrooster voor 2020, op enkele uitzonderingen na zoals Pinksteren en Kerst. Het omgangsrooster moet overzichtelijk en haalbaar zijn voor [minderjarige] en er dient een zo eerlijk mogelijke verdeling tussen de vader en moeder plaats te vinden. Ieder van beide ouders kan [minderjarige] in hun omgangsweekend om 13.30 uur bij het pleeggezin ophalen. Echter, de moeder is geregeld te laat gekomen, wat voor spanningen zorgt bij [minderjarige] . Hierdoor is het tijdstip van ophalen verzet en kan [minderjarige] pas na het dansen (18.00 uur) worden opgehaald. De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat de structurele omgang waarbij zij met iedere ouder een weekend per maand omgang heeft en de andere weekenden in het pleeggezin verblijft, in stand gehouden wordt, omdat dit de meeste rust en duidelijkheid geeft voor haar. Op deze wijze kan zij op een goede manier contact onderhouden met haar ouders en kan zij bij het pleeggezin haar sociale kring rondom haar thuisbasis ontwikkelen en onderhouden.

3.9.3

Ter zitting heeft de GI omtrent de omgangsregeling nog het volgende aangevoerd. Er is sprake van een basisomgangsregeling. Extra omgang is altijd mogelijk, in overleg. Dit geldt voor zowel de vader als de moeder. Het is echter ook belangrijk dat [minderjarige] naar kinderfeestjes kan gaan en dat ze blij kan zijn met een uitnodiging. In hoeverre zet de moeder het belang van [minderjarige] voorop door in een weekend waarin [minderjarige] een kinderfeestje heeft, omgang te willen laten prevaleren. Het contact tussen de moeder en de GI en tussen de moeder en de pleegouders loopt niet altijd even soepel.

3.9.4.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, ten aanzien van grief 3 van de moeder het volgende aan. Rondom [minderjarige] zijn verschillende hulpverleners betrokken (GI, speltherapeut, kinderarts, pleegzorg). Volgens de wet kan de kinderrechter een bijzonder curator benoemen die de belangen van de minderjarige behartigt, indien er sprake is van een conflict tussen degene die het gezag uitoefent en de minderjarige. Volgens de GI is er geen sprake van een conflict van belangen tussen de voogd en [minderjarige] . Het benoemen van een bijzonder curator zal geen toegevoegde waarde hebben.

Het verweer van de pleegouders

3.10.

De pleegouders voeren in het verweerschrift, zoals door de pleegmoeder aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, ten aanzien van grief 1 van de moeder het volgende aan. De pleegouders delen de zorg met de moeder over wat er zich in het hoofd van [minderjarige] afspeelt. Zij zijn daarom blij met de speltherapie. De pleegouders weten niet wat daar gebeurt en zij vinden dat dat zo moet blijven, omdat [minderjarige] zich vrij moet kunnen voelen om te zeggen of uitspelen waar zij mee bezig is. De pleegouders willen dit niet beïnvloeden. De pleegouders proberen het contact met de ouders te stimuleren en werken mee als er om extra bezoekmomenten wordt gevraagd. Het is niet aan de pleegouders om te bepalen waar [minderjarige] nu, of in de toekomst, gaat wonen. Zij leggen zich neer bij de beslissingen die daaromtrent worden genomen. De pleegouders vragen zich wel vaker af of deze strijd met de moeder wel goed is voor [minderjarige] en hun gezin. De pleegmoeder wil het liefst buiten deze strijd blijven. Ze heeft soms het gevoel dat zij de concurrent van de moeder is, maar zij is enkel de pleegmoeder. [minderjarige] mag blijven zolang als dat nodig is, maar de pleegouders beslissen hier niet over. Dit is ook wat zij tegen [minderjarige] zeggen.

3.10.1.

De pleegouders voeren in het verweerschrift, zoals door de pleegmoeder aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, ten aanzien van grief 2 van de moeder het volgende aan. De pleegouders betwisten te dreigen met het onthouden van contact met de moeder, zusjes of [minderjarige] ’s klasgenootjes. Er is geen motief waarom de pleegouders bewust kinderfeestjes in het omgangsweekend met de moeder zouden plannen. Het is in het belang van [minderjarige] als zij naar een kinderfeestje kan, zeker ook omdat zij niet vaak wordt uitgenodigd.

[minderjarige] gaat naar zowel de vader als de moeder. Ze vertelt veel als ze terugkomt van de omgangsregeling. De laatste tijd is [minderjarige] meer gespannen en onrustig als zij terugkomt van de omgang bij de moeder. [minderjarige] uit zich niet in waar dit vandaan komt en de pleegmoeder kan dit ook niet invullen.

3.10.2.

De pleegouders voeren in het verweerschrift, ten aanzien van grief 3 van de moeder aan dat het belang en het geluk van [minderjarige] voor hen eveneens voorop staat. De strijd die met de procedures wordt gevoerd, draagt niet bij aan [minderjarige] ’s geluksgevoel. De pleegouders kunnen zich vinden in de wijze waarop de rechtbank heeft beslist.

Het standpunt van de raad

3.11.

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat het belangrijk is om het belang van [minderjarige] voorop te stellen. Zij heeft een unaniem verhaal nodig van de pleegouders, de vader en de moeder over waarom zij in het pleeggezin zit, dat het daar fijn is en dat ze twee fijne ouders heeft waar ze ook omgang mee heeft. Het is belemmerend dat de moeder dat emotioneel gezien anders ervaart en uit. De moeder zou daar bij geholpen moeten worden. Zij kan het nog niet uitstralen op [minderjarige] en daar heeft [minderjarige] last van. De raad adviseert om de bestreden beschikking in stand te laten met het advies te werken aan acceptatie dat het perspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt.

De omgangsregeling is zorgvuldig afgewogen en doet recht aan de band tussen [minderjarige] en de pleegouders, tussen [minderjarige] en de moeder en tussen [minderjarige] en de vader. Daarbij is het belang van [minderjarige] centraal gesteld. [minderjarige] zou erbij gebaat zijn als de moeder hulp zoekt om alles een plek te kunnen geven.

Het standpunt van de vader

3.12.

De vader heeft ter zitting aangevoerd dat hij graag wil dat alles blijft zoals het is. Hij kan zich dan ook niet vinden in het verzoek van de moeder om haar met het gezag te belasten. De vader zal [minderjarige] dan nooit meer zien. De moeder houdt zich niet aan afspraken. De vader erkent dat [minderjarige] veel aan haar hoofd heeft, maar hij gelooft niet dat [minderjarige] zich bij de moeder anders voordoet dan elders. De pleegouders doen hun uiterste best, ook ten aanzien van de omgang. De omgang met [minderjarige] verloopt goed. Heel af en toe wil ze niet terug, maar als ze weer bij de pleegouders komt, gaat het weer goed. [minderjarige] zegt wel eens dat ze bij papa en mama wil wonen en bij de pleegouders op bezoek wil gaan. Hij denkt dat de druk op [minderjarige] van de moeder afkomstig is.

Als de vader een keer extra omgang wil met [minderjarige] , dan is dat altijd mogelijk als hij daarom verzoekt. De moeder daarentegen vraagt niet om extra omgang, maar eist dat en daarmee voer je strijd. De vader is er op zichzelf niet op tegen als [minderjarige] meer contact met haar halfzusjes zou hebben.

3.13.

Het hof overweegt het volgende.

Herstel gezag

3.14.

Ingevolge artikel 1:277 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag worden hersteld indien:

  1. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en

  2. de ouder in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen, zoals bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW.

3.14.1.

Overeenkomstig artikel 1:278 BW kan de in het gezag te herstellen ouder de rechter verzoeken, hangende het onderzoek, de beslissing aan te houden tot het einde van een door hem te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De rechter is te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindigen.

3.15.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het verzoek van de moeder om haar in het gezag over [minderjarige] te herstellen, afgewezen dient te worden. In aanvulling op hetgeen de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, overweegt het hof nog het volgende.

3.16.

Het hof stelt daarbij voorop dat ter zitting is gebleken dat de moeder zich erg betrokken voelt bij [minderjarige] en liefdevol over haar spreekt. Het hof kan begrijpen dat het voor de moeder verdrietig en pijnlijk is dat haar gezag over [minderjarige] in het verleden is beëindigd, dat het haar wens is om in dit gezag te worden hersteld en dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. Vanuit het perspectief van [minderjarige] bezien, kan het hof zich ook voorstellen dat [minderjarige] zich afvraagt waarom zij – in tegenstelling tot haar halfzusjes – niet bij de moeder kan wonen en dat zij hierover vragen heeft. Er moet voor [minderjarige] dan ook ruimte zijn om dit te mogen uitspreken, zowel naar de moeder toe als naar de pleegouders, de vader en de GI toe.

Echter, het belang van [minderjarige] is leidend en dit belang verzet zich er tegen dat de moeder in haar gezag over [minderjarige] wordt hersteld. Daartoe is van belang dat [minderjarige] , die thans bijna acht jaar oud is, al nagenoeg haar hele leven bij de pleegouders woont en daar is gehecht. De pleegouders bieden haar een stabiele en veilige omgeving en het gaat gelet op alle omstandigheden goed met haar. Vanuit het pleeggezin is [minderjarige] erin geslaagd om met haar beide ouders een gelijkwaardige, positieve band op te bouwen en er bestaat thans een voor [minderjarige] gezond evenwicht tussen de drie systemen (pleeggezin, de vader en de moeder) waarin zij zich beweegt. Daarnaast gaat het ook op school goed.
Indien de moeder zal worden hersteld in haar gezag, zal dit leiden tot een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] en naar het oordeel van het hof bestaat er dan een reëel risico dat dit evenwicht verstoord zal raken en [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen deze voor haar belangrijke systemen. De moeder heeft weliswaar gesteld dat als [minderjarige] bij haar komt wonen zij het contact tussen [minderjarige] en de pleegouders en tussen [minderjarige] en de vader zal blijven onderhouden, maar gezien het belaste verleden dat de ouders samen hebben en de forse strijd die zij hebben gevoerd – met een gezagsbeëindigende maatregel tot gevolg – acht het hof de kans groot dat de strijd tussen de moeder en de vader weer zal oplaaien en dat er dan voor de vader geen ruimte meer zal zijn in het leven van [minderjarige] . En de vader is, zo blijkt uit de stukken, belangrijk voor [minderjarige] . Het perspectief voor [minderjarige] is in het verleden bij het pleeggezin bepaald en ligt daar nog steeds. Het hof gunt de moeder, dat zij dit perspectief, al dan niet met behulp van de nodige (professionele) ondersteuning, leert accepteren en uitdragen naar [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] zou daar enorm bij gebaat zijn.

3.17.

Aangezien niet toegekomen wordt aan een onderzoek naar de mogelijkheden van de moeder om [minderjarige] een opgroeiperspectief te bieden, zal het hof het verzoek van de moeder tot proefherstel eveneens afwijzen.

Omgangsregeling

3.18.

Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.19.

Niet in geschil is of de moeder recht heeft op omgang met [minderjarige] , maar wel de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven.

3.20.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er onvoldoende reden is om de frequentie van huidige omgangsregeling te wijzigen naar één weekend per veertien dagen (in plaats van één weekend per vier weken), zoals door de moeder verzocht. Het hof is echter wel van oordeel dat – nu de moeder op vrijdag voortaan vrij is en zij derhalve door uitloop van haar werkzaamheden als verpleegkundige niet meer belemmerd kan worden in het al dan niet tijdig ophalen van [minderjarige] – de oude omgangsregeling hervat dient te worden, in die zin dat de moeder [minderjarige] op vrijdagmiddag voortaan weer om 13.30 uur bij het pleeggezin kan ophalen. Daarbij is wel van belang dat de moeder er zorg voor draagt dat [minderjarige] op vrijdagmiddag naar dansles kan blijven gaan. Het hof ziet in het belang van [minderjarige] aanleiding om deze reguliere omgangsregeling vast te leggen in het dictum. De GI heeft aangegeven dat de moeder jaarlijks ook een aantal “losse” weken per jaar tijdens de vakanties omgang heeft met [minderjarige] . Gelet hierop zal het hof bepalen dat de moeder tevens recht heeft op twee keer een week omgang tijdens vakanties in onderling overleg met de GI en de pleegouders te bepalen.

Bijzonder curator

3.21.

Ingevolge art. 1:250 BW kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzonder curator benoemen wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

3.22.

Het hof overweegt hieromtrent dat de benoeming van een bijzonder curator niet in het belang van [minderjarige] is omdat zij, gelet op hetgeen in 3.16 is overwogen, dan nog meer belast wordt in dit systeem van drie gezinnen. Voor het overige heeft de benoeming van een bijzondere curator geen toegevoegde waarde, waarbij wordt verwezen naar de overwegingen van de rechtbank, die hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

4 Slotsom

Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen is afgewezen, en voor het overige dient te worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 19 december 2019, doch uitsluitend voor zover het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen is afgewezen,

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de moeder en [minderjarige] omgang hebben éénmaal in de vier weken, van vrijdagmiddag 13.30 uur tot maandagochtend voor schooltijd;

bepaalt dat de moeder en [minderjarige] tevens omgang hebben twee keer een week tijdens vakanties in onderling overleg met de GI, en de pleegouders te bepalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2020 door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.