Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2336

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
200.275.327_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:11035
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel. Moeder kampt met complexe persoonlijke problematiek. Kind (bijna 3 jr.) verblijft al sinds vroege babytijd in perspectiefbiedend pleeggezin en is veilig gehecht aan pleegmoeder. Terugplaatsing bij moeder is niet meer aan de orde en schadelijk voor ontwikkeling kind. Gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 23 juli 2020

Zaaknummer : 200.275.327/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/267196 / FA RK 19-2794

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs.

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling);

  • -

    de heer [de vader] , hierna te noemen: de vader;

  • -

    mevrouw [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 9 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 maart 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij haar ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft beëindigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot gezagsbeëindiging af te wijzen .

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de pleegmoeder.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 november 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is, voor zover hier van belang, geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

3.2.

Voor de volledigheid merkt het hof op dat de moeder nog drie dochters heeft: [dochter 1] (5 jaar oud), [dochter 2] (3 jaar oud) en [dochter 3] (half jaar oud).

Dit hof heeft bij beschikking van 28 juni 2018 het gezag van de moeder over [dochter 1] en [dochter 2] beëindigd.

[dochter 3] woont bij de moeder en de heer [de vader van dochter 3] , de vader van [dochter 3] .

3.3.

[minderjarige] verblijft sinds 5 januari 2018 (aanvankelijk op vrijwillige basis) in het huidige pleeggezin van mevrouw [de pleegmoeder] . Sinds 24 april 2018 zijn ten aanzien van [minderjarige] een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van kracht.

3.4.

De moeder en [minderjarige] hebben iedere drie weken anderhalf uur begeleid contact met elkaar bij de moeder thuis. Anacare neemt de begeleiding op zich en de pleegmoeder is ook bij deze bezoeken aanwezig.

3.5.

De raad heeft de rechtbank verzocht het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] te beëindigen en de GI te benoemen tot voogdes over haar. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank deze verzoeken toegewezen.

3.6.1.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover daarbij haar ouderlijk gezag over [minderjarige] is beëindigd en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert ze, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder heeft na het verbreken van de relatie met de vader van [minderjarige] een zware periode gehad. Het lukte haar niet altijd om er voor [minderjarige] te zijn. De periode voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de rechtbank (12 november 2019) ging het al een stuk beter met haar en liepen de contacten met [minderjarige] heel plezierig. De moeder heeft een lieve en steunende partner en heeft haar leven op de rit. Zij zorgen samen voor baby [dochter 3] . Er is hulp van Anacare in huis en het gaat goed. De hulp van Anacare is inmiddels afgebouwd.

Bij [minderjarige] is geen sprake van kindeigen problematiek. Het is een vrolijk meisje dat zich veilig heeft gehecht en dus in staat is om zich ook aan anderen veilig te hechten. [minderjarige] reageert goed op contact met haar moeder en op de situatie waarin zij zit. Zij heeft een goede draagkracht. [minderjarige] wordt niet slechter van een terugplaatsing bij de moeder. De moeder begrijpt dat dit zorgvuldig moet worden begeleid, juist ook vanwege de hechting tussen [minderjarige] en de pleegmoeder. [minderjarige] lijdt niet onder de onzekerheid over haar opvoedsituatie. Het perspectief van [minderjarige] dient bij de moeder te zijn en [minderjarige] dient teruggeplaatst te worden, althans die mogelijkheid dient te worden onderzocht. De aanvaardbare termijn is nog niet verstreken en de perspectiefbeslissing dient te worden uitgesteld.

3.6.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder hier, kort gezegd, aan toegevoegd dat de aanleiding voor de uithuisplaatsing een heftig geweldsincident was tussen de moeder en de vader. [minderjarige] is daar de dupe van geworden. In het algemeen willen alle kinderen het liefste bij de eigen ouders opgroeien. De moeder heeft bij de rechtbank de verkeerde indruk gewekt. Zij is er klaar voor om weer voor [minderjarige] te zorgen, maar zij bedoelde niet dat [minderjarige] dan meteen naar haar zou terug moeten; daar wil de moeder naartoe werken. De moeder vindt dat de pleegmoeder het heel goed doet met [minderjarige] en zij moet ook een rol behouden in het leven van [minderjarige] . Dat hechtingsproces kan dan gewoon doorgaan. [minderjarige] loopt geen schade op in haar ontwikkeling als de moeder het gezag houdt.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort samengevat, het volgende verweer gevoerd.

De moeder overziet de consequenties van haar keuzes niet. Er is veel hulp ingezet, maar de raad ziet nog steeds geen binding tussen de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] is in een cruciale levensfase bij de pleegmoeder geplaatst, met wie een veilige hechtingsrelatie tot stand is gekomen. De aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] echt verstreken. Als [minderjarige] bij de moeder zou gaan wonen, levert dit een hechtingsbreuk op en loopt haar basisvertrouwen schade op. Dit is lastig te herstellen als [minderjarige] ouder wordt. Het is belangrijk dat [minderjarige] opgroeit bij deze pleegmoeder. Vanuit daar wordt er dan nog steeds geïnvesteerd in een rol van betekenis voor de moeder. In het verleden was de moeder niet betrouwbaar voor [minderjarige] . Als de raad nu inzet op een grotere rol voor de moeder, is die betrouwbaarheid ook belangrijk. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is niet meer de juiste maatregel. Er is geen sprake van samenwerking tussen de moeder en de GI. In het vrijwillig kader kan de plaatsing niet worden voortgezet, omdat de moeder niet in de uithuisplaatsing berust.

3.8.

De GI heeft, kort gezegd, als volgt verklaard.

[minderjarige] doet het goed bij de pleegmoeder. Er waren wel wat zorgen, omdat ze onderaan de groeicurve en ontwikkelingscurve zat. De pleegmoeder doet alles om het maximale uit de ontwikkeling van [minderjarige] te halen. [minderjarige] heeft een veilige hechtingsrelatie met de pleegmoeder. Binnen de ondertoezichtstelling zijn veel kansen geboden aan de moeder om toe te werken naar een thuisplaatsing. Het klopt dat het leven van de moeder nu in rustig vaarwater verkeert, al waren er in januari 2020 en in april 2020 nog meldingen van huiselijk geweld met haar huidige partner. Sinds de pleegmoeder aansluit bij de begeleide bezoeken van [minderjarige] aan haar moeder, reageert [minderjarige] goed; zij is naderhand rustig en is niet meer dagenlang van slag zoals voorheen. De moeder wenst geen contact met de GI en geeft geen informatie over het verloop van de ondertoezichtstelling van [dochter 3] , waar het Leger des Heils is benoemd als gecertificeerde instelling.

3.9.

De pleegmoeder heeft, kort gezegd, verklaard dat [minderjarige] goed reageert op de moeder. De pleegmoeder ervaart een prettig onderling contact met de moeder en de bezoeken verlopen leuk. De moeder zal altijd in beeld blijven en de pleegmoeder gunt de moeder en [minderjarige] het goede contact.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.10.2.

Evenals de rechtbank, en op dezelfde gronden die het hof, na eigen beoordeling en waardering, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder over [minderjarige] terecht is beëindigd. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.10.3.

De moeder kampt met complexe persoonlijke problematiek (waaronder reactieve hechtingsstoornis en borderline) en een beperkte intelligentie (geschat IQ circa 60), waardoor zij niet in staat is geweest om zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige] als baby uit huis werd geplaatst. De moeder vindt dat zij er nu klaar voor is om, met behulp van haar partner, zelf voor [minderjarige] te zorgen. De moeder heeft inderdaad stappen gezet en het hof ziet dat het nu beter gaat met haar. Dit betekent echter niet dat [minderjarige] kan terugkeren naar de moeder; dit acht het hof niet langer meer in haar belang. Vanaf dat [minderjarige] nog maar een paar maanden oud was, heeft haar dagelijkse verzorging en opvoeding volledig bij haar pleegmoeder gelegen. [minderjarige] is nu bijna drie jaar oud en zij groeit bij de pleegmoeder op in een rustige en stabiele leefomgeving. Het staat vast dat [minderjarige] een veilige hechtingsrelatie met haar pleegmoeder is aangegaan. Tussen [minderjarige] en de moeder ligt dit anders. De contacten tussen de moeder en [minderjarige] worden begeleid. Ook met deze begeleiding, is het voor de moeder lastig om (emotioneel) aan te sluiten bij [minderjarige] . Het heeft lang geduurd voordat er enige binding zichtbaar was tussen de moeder en [minderjarige] ; pas sinds kort reageert [minderjarige] enthousiast als zij haar moeder ziet. Dit is zeker positief, maar verandert niets aan het oordeel van het hof dat het in het ontwikkelingsbelang van [minderjarige] noodzakelijk is dat haar woonsituatie bij de pleegmoeder in de toekomst wordt gewaarborgd. Terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is niet langer aan de orde en zou een hechtingsbreuk tussen [minderjarige] en de pleegmoeder met zich brengen. Dit zou schadelijk zijn voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . De in de wet genoemde aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] inmiddels verstreken. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing – die zijn gericht op thuisplaatsing van een kind bij een ouder – zijn hiermee niet langer de geëigende middelen om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden. De gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk en geeft [minderjarige] de kans om zich verder onbedreigd te ontwikkelen en zich verder veilig te hechten aan haar pleegmoeder.

3.10.4.

Het hof begrijpt dat het gezag voor de moeder een emotionele betekenis heeft en dat zij betrokken wil blijven in het leven van [minderjarige] . Aan het belang van [minderjarige] bij ongestoorde voortzetting van haar huidige opvoedingssituatie en het daarbij horende hechtingsproces dienen echter een zwaarder wegende betekenis te worden toegekend dan aan het belang van de moeder om het gezag over [minderjarige] te behouden. Het hof wijst er in dit kader op dat de moeder – ondanks de beëindiging van haar gezag – de moeder van [minderjarige] blijft en dat de band tussen ouder en kind nooit kan worden verbroken. Het hof gaat er dan ook van uit dat de GI ervoor zorgdraagt dat deze band in stand kan blijven door bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] te regelen.

3.10.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Al het overige door de moeder aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.10.6.

Beslist dient te worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.M. van Riemsdijk en is op 23 juli 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.