Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2329

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
200.261.761_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling oma/kleinzoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 23 juli 2020

Zaaknummer: 200.261.761/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/338729 / FA RK 18-4712

in de zaak in hoger beroep van:

[de oma] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de oma (grootmoeder vaderszijde),

advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: aanvankelijk mr. C. Doreleijers, thans mr. A.H.A.C. Waals.

Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de vader] , hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 juni 2019, heeft de oma verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige] gedurende één dag per week van 10.00 uur tot 18.00 uur of een zodanige omgangsregeling als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 september 2019, heeft de moeder (kennelijk subsidiair) verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te bekrachtigen en te bepalen dat het recht op omgang aan de oma wordt ontzegd voor onbepaalde tijd dan wel voor bepaalde tijd, waarbij de termijn van deze ontzegging zal ingaan op het moment van afgifte van de beschikking van het hof, met compensatie van de proceskosten.

Gelijktijdig heeft de moeder incidenteel hoger beroep ingesteld en (kennelijk primair) verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar het hof begrijpt, voormelde beschikking te vernietigen en de oma alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in het inleidend verzoek, met compensatie van de proceskosten.

2.2.1.

Bij verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 23 oktober 2019, heeft de oma verzocht, naar het hof begrijpt, het verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

2.3.

De meervoudige kamer van het hof heeft de zaak op grond van artikel 16, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de enkelvoudige kamer. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de oma, bijgestaan door mr. Olde Loohuis;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Waals;

  • -

    de vader;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 6 maart 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de oma, ingekomen op 9 maart 2020.

3 De beoordeling

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

3.1.

De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] . De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] woont bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de oma het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd met ingang van de datum van die beschikking voor de periode van één jaar.

3.3.

Zowel de oma als de moeder kunnen zich met deze beschikking (deels) niet verenigen en zij zijn hiervan in (incidenteel) hoger beroep gekomen.

3.4.

De oma voert, samengevat, het volgende aan.

Tussen de oma en [minderjarige] bestaat wel degelijk – zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld – een nauwe persoonlijke betrekking. De oma heeft sinds zijn geboorte veelvuldig en structureel op [minderjarige] gepast. [minderjarige] en de ouders hebben daarnaast een tijd bij de oma in huis gewoond.

De rechtbank heeft echter vervolgens ten onrechte geoordeeld dat omgang tussen de oma en [minderjarige] in strijd komt met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Dat het verzoek van de vader om een ondertoezichtstelling is afgewezen geeft aan dat het goed gaat met [minderjarige] . De verstoorde verstandhouding tussen de oma en de moeder hoeft niet in de weg te staan aan een omgangsregeling met [minderjarige] . De oma is voor [minderjarige] altijd een stabiele factor geweest en zij kan op een positieve wijze bijdragen aan het leven van [minderjarige] . De omgang met de oma kan [minderjarige] goed doen en het zal voor meer rust bij de moeder zorgen. Door de detentie van de vader duurt het nog een hele tijd voordat er contact tussen [minderjarige] en de vader gaat plaatsvinden. In de tussentijd kan de hulpverlening die er is, ingezet worden voor het contact tussen de oma en [minderjarige] , zodat dit contact al gestabiliseerd is zodra de vader met proef ontslagen wordt. Omdat er nu weinig fysiek contact tussen de vader en [minderjarige] is en dit contact voorlopig niet wordt uitgebreid, is contact tussen de oma en [minderjarige] ook van groot belang. De oma kan [minderjarige] informatie over de vader geven. De oma is bereid mee te werken aan de door de moeder aan de omgang gestelde voorwaarden. Zij staat niet afwijzend tegenover een opbouwende en in eerste instantie begeleide omgangsregeling en evenmin tegenover een raadsonderzoek.

3.5.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

Tussen de oma en [minderjarige] is geen sprake van een nauwe persoonlijke betrekking. Er zijn naast de familieband onvoldoende bijkomende omstandigheden. De moeder betwist dat de oma structureel heeft opgepast. Sinds het verbreken van de relatie tussen de ouders, inmiddels meer dan een jaar geleden, is er nauwelijks nog contact tussen [minderjarige] en de oma geweest. Uit de door de oma overgelegde verklaringen, die onbetrouwbaar zijn, en de overgelegde WhatsApp-berichten kan geen nauwe persoonlijke betrekking tussen de oma en [minderjarige] worden afgeleid.

De verstoorde verhouding tussen de moeder en de oma staat vanzelfsprekend in de weg aan het vormgeven van een omgangsregeling tussen de oma en [minderjarige] . De oma en de vader hebben er alles aan gedaan om de moeder te diskwalificeren in haar rol als moeder en zij hebben haar veelvuldig bedreigd. De omgang tussen de oma en [minderjarige] zal de moeder geen rust, maar juist extra stress geven, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. De moeder betwist dat de oma een stabiele factor in het leven van [minderjarige] is geweest en structureel heeft opgepast. De oma kan niet op een positieve wijze bijdragen aan het leven van [minderjarige] . Voor een raadsonderzoek bestaat geen aanleiding en het is niet passend (mede) omdat de situatie dan nog langer onduidelijk blijft. Eventuele omgang tussen [minderjarige] en de oma kan in ieder geval alleen onder professionele begeleiding plaatsvinden.

[minderjarige] krijgt op dit moment voor allerlei problematiek hulpverlening en hij heeft daarbij vooral rust nodig. Hij gaat drie keer per week naar een medisch kinderdagverblijf en gaat naar logopedie. De moeder wordt begeleid door de Combinatie Jeugdzorg en zij heeft EMDR-therapie. De ondertoezichtstelling is afgewezen omdat er hulpverlening is. De moeder wijst contact tussen de oma en [minderjarige] niet absoluut af maar er moet een route met een bepaalde volgorde worden doorlopen. De omgang tussen [minderjarige] en de vader is geruime tijd geleden stopgezet omdat het afscheid na het bezoek in de P.I. te zwaar was voor [minderjarige] . Op dit moment is er met de vader wel telefonisch contact en via videobellen. Het opstarten van de omgang tussen de vader en [minderjarige] heeft prioriteit boven de omgang van [minderjarige] met andere mensen, waaronder de oma. De moeder wil met behulp van deskundigen, zoals De Combinatie, de omgang tussen de vader en [minderjarige] weer voorzichtig gaan opbouwen zodra de vader begin 2021 op proef uit detentie wordt ontslagen. Pas als dat goed en onbelast verloopt, is er ruimte voor contact tussen [minderjarige] en de oma en kan de oma bij het contact aansluiten.

3.6.

De raad heeft, samengevat, het volgende geadviseerd.

De familieverhoudingen zijn over en weer nog altijd heel erg gespannen. Een jaar rust heeft hierin geen verandering gebracht. Hierdoor kan er tussen [minderjarige] en de familie van de vader geen onbelast contact plaatsvinden en kan [minderjarige] geen positief beeld gaan vormen van dat deel van de familie. Mede gelet op de kindeigen problematiek van [minderjarige] moet eerst het contact tussen de vader en [minderjarige] met behulp van De Combinatie worden opgebouwd en op een onbelaste wijze plaatsvinden. Daarna moet door de hulpverlening gekeken worden naar het systeem, omdat de vader na zijn detentie bij de oma gaat wonen. Met goede begeleiding moet de oma op een gegeven moment op een natuurlijke manier meegenomen worden in het contact met [minderjarige] . Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij uiteindelijk onbelast contact kan hebben met alle voor hem belangrijke personen.

3.7.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

Het bezoek van [minderjarige] aan de vader in de gevangenis is goed verlopen. Alleen het afscheid nemen was zwaar voor [minderjarige] en daarom is het bezoek stopgezet. De vader spreekt [minderjarige] nu eenmaal per twee weken.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

b. degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken;

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Ontvankelijkheid

3.8.3.

Tussen partijen is in geschil of de oma in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [minderjarige] . Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat tussen de oma en [minderjarige] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Hetgeen de moeder hieromtrent in hoger beroep naar voren brengt, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop is de oma ontvankelijk in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] .

Omgangsregeling

3.8.4.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen de oma en de moeder. Hierdoor kan er op dit moment geen onbelast contact plaatsvinden tussen [minderjarige] en de oma. Het hof volgt de raad in zijn advies dat het contact tussen [minderjarige] en de vader eerst moet worden opgebouwd en op een onbelaste wijze moet plaatsvinden alvorens omgang tussen [minderjarige] en de oma aan de orde kan zijn. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt en vanwege (kindeigen) problematiek is er verschillende hulpverlening ingezet. Hierdoor heeft hij momenteel veel aan zijn hoofd en het is in zijn belang dat hij zich daar nu volledig op kan focussen. Weliswaar duurt het vanwege de detentie van de vader nog enige tijd voordat de omgang tussen de vader en [minderjarige] zal worden opgestart en uitgebreid, maar het hof acht het van belang dat er voor [minderjarige] op andere vlakken nu zoveel mogelijk rust komt. De thans aanwezige hulpverlening dient bovendien niet te worden belast met opdrachten waarvoor die hulp niet is ingezet. De tussenliggende periode kunnen de betrokken volwassenen benutten om ernaar toe te leven dat op een positieve wijze wordt ingezet op contactherstel tussen de vader en [minderjarige] en in het verlengde daarvan op een later moment tussen de oma en [minderjarige] , alles onder deskundige begeleiding van bijvoorbeeld De Combinatie. Mogelijk is er tegen die tijd ook meer duidelijkheid over de problematiek van [minderjarige] zodat hiermee, indien nodig, ook rekening kan worden gehouden bij de omgang. Gelet op het voorgaande acht het hof omgang tussen [minderjarige] en de oma op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

3.10.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de aard van de procedure.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2019;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. van Winkel en is op 23 juli 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.