Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2270

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
23-07-2020
Zaaknummer
200.250.574_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4169
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling van nalatenschap die beneficiair is aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2020/253
ERF-Updates.nl 2020-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.250.574/01

arrest van 21 juli 2020

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats 2] , Polen,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. I.H.M. Mooren-van Weereld te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 mei 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 februari 2018, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant 1] en mevrouw [wettelijk vertegenwoordiger van appellant 2] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar (bij de aanvang van de procedure nog) minderjarige zoon [appellant 2] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/319186/ HA ZA 17-205)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 5 juli 2017.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2 vastgesteld welke feiten tussen partijen vaststaan. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven aangevoerd. Het hof gaat daarom ook uit van die feiten, die het hof voor zover nodig heeft aangevuld met enerzijds gestelde en anderzijds niet betwiste feiten. Het gaat om de volgende feiten.

3.1.1.

Op 24 juni 2010 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater was ten tijde van zijn overlijden onder uitsluiting van iedere gemeenschap gehuwd met mevrouw [weduwe van erflater] . Uit dit huwelijk zijn [appellant 1] en [geïntimeerde] geboren.

3.1.2.

Erflater heeft nog een derde kind, te weten: [appellant 2] . Hij is op [geboortedatum 2] 1999 geboren uit de relatie van erflater met mevrouw [wettelijk vertegenwoordiger van appellant 2] .

3.1.3.

Erflater heeft bij testament van 14 juni 2010 over zijn nalatenschap beschikt.
In dit testament heeft erflater - kort gezegd - zijn echtgenote onterfd en [geïntimeerde] , [appellant 1] en [appellant 2] tot zijn erfgenamen benoemd voor respectievelijk 7/20e deel, 7/20e deel en 6/20e deel.
Erflater heeft het vruchtgebruik van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1]
aan zijn echtgenote gelegateerd. Erflater heeft voorts aan ieder van zijn kinderen een aantal goederen gelegateerd. Verder heeft erflater [appellant 1] , [geïntimeerde] en zijn financieel adviseur
de heer [financieel adviseur] tot executeur-afwikkelingsbewindvoerders benoemd.
Zij hebben deze benoeming aanvaard. [appellant 1] en [geïntimeerde] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.1.4.

In het testament van erflater staat met betrekking tot de legaten het volgende vermeld:

“IV. LEGATEN MET BETREKKING TOT [adres 1] TE [plaats 1]

A. Legaat vruchtgebruik woning [adres 1] aan echtgenote

Onder de voorwaarde dat zij deze woning ten tijde van mijn overlijden nog bewoont, legateer ik, vrij van rechten en kosten en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, aan mijn echtgenote het vruchtgebruik van (mijn onverdeeld aandeel in) de door haar bewoonde woning aan de [adres 1] te [postcode 1] [plaats 1] en van de zich in die woning bevindende inboedel (voor zover deze aan mij toebehoort), een en ander onder de navolgende bepalingen:
(…)

B. Legaat eigendom woning [adres 1] en kapitaalverzekering aan zoon [appellant 1]

Uitsluitend indien het onder A. omschreven legaat effect sorteert, legateer ik, niet vrij van

rechten en kosten en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, aan mijn zoon

[appellant 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 3] negentienhonderd

drie en zeventig (hierna ook te noemen “mijn zoon [appellant 1] ” ):

1e (mijn onverdeeld aandeel in) de hiervoor onder A. omschreven woning en de zich

daarin bevindende inboedel waarvan ik aan zijn moeder het vruchtgebruik heb

gelegateerd, en:

2e de kapitaalverzekering welke door mij is afgesloten in het kader van de aflossing van

de financiering van de woning,
een en ander onder de verplichting om:

1e bedoeld vruchtgebruik aan zijn moeder af te geven;

2e (het ten tijde van mijn overlijden resterende gedeelte van) de eventueel met betrekking tot bedoelde woning bestaande eigenwoningschulden voor rekening te nemen en mijn (overige) erfgenamen voor iedere aansprakelijkheid deswege te vrijwaren, en om:

3e de waarde van het aldus per saldo verkregene in mijn nalatenschap in te brengen op de wijze als hierna onder VIII. omschreven.

V. LEGATEN REGISTERGOEDEREN EN VENNOOTSCHAPSAANDELEN
Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten en steeds onder de verplichting om de waarde

van het (per saldo) verkregene in mijn nalatenschap in te brengen op de wijze als onder VIII. omschreven:

1. Aan de heer [appellant 2] , geboren te [geboorteplaats 2] (Polen) op [geboortedatum 2]

negentienhonderd negen en negentig en thans wonende te [postcode 2] [woonplaats 2] (Polen) aan

het adres [adres 2] , hierna ook te noemen “mijn zoon [appellant 2] ” al mijn bezittingen

in Polen;

2. Aan mijn zoon [appellant 1] de mij toebehorende aandelen in het kapitaal van de

vennootschappen [de Holding] en [de vennootschap 1] , alsmede het

pand/de panden welke aan bedoelde vennootschappen ter beschikking is/zijn gesteld

als bedoeld in artikel 3.91 Wet IB 2001, onder de verplichting om (het ten tijde van mijn

overlijden resterende gedeelte van) de eventueel met betrekking tot bedoeld(e)

pand(en) bestaande financiering voor rekening te nemen en mijn (overige) erfgenamen

voor iedere aansprakelijkheid deswege te vrijwaren; dit legaat wordt gemaakt omdat ik
mijn zoon [appellant 1] het meest geschikt acht om de ondernemingen van bedoelde

vennootschappen voort te zetten en in stand te houden;

3. Aan mijn zoon [geïntimeerde] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1]

negentienhonderd zeven en zeventig, hierna ook te noemen “mijn zoon [geïntimeerde] ” ,

de mij toebehorende aandelen in het kapitaal van de vennootschap [de vennootschap 2] ;

4. Aan mijn zoon [geïntimeerde] mijn woning aan [adres 3] te [plaats 2]

[plaats 2] , onder de verplichting om (het ten tijde van mijn overlijden resterende

gedeelte van) de eventueel met betrekking tot bedoelde woning bestaande

eigen woningschulden voor rekening te nemen en mijn (overige) erfgenamen voor iedere

aansprakelijkheid deswege te vrijwaren, alsmede de zich in die woning bevindende

inboedel; (…)

7. Aan mijn zoon [appellant 1] het registergoed aan de [adres 4] te [plaats 1] en het

registergoed aan het [adres 5] te [plaats 1] ;

8. Aan mijn zoon [appellant 2] het mij in privé toebehorende perceel grond te [plaats 3] (Limburg);

9. Aan mijn zoon [appellant 2] het bosperceel aan de [adres 6] te [plaats 4] ;(…)

VI. COMPENSATIELEGAAT IN VERBAND MET BELASTINGVOORDEEL [appellant 1]

Indien mijn zoon [appellant 1] als gevolg van de verkrijging van de aandelen in de

vennootschappen [de Holding] en/of [de vennootschap 1] in aanmerking komt

voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet, legateer ik aan mijn zoon

[geïntimeerde] en aan mijn zoon [appellant 2] een zodanig bedrag in contanten, dat de netto

verkrijgingen (waarde van de verkrijging na aftrek van verschuldigde erfbelasting)
van mijn drie zoons gelijk zijn aan de netto-verkrijgingen die zij zouden hebben gekregen als bedoelde aandelen door hen als erfgenamen zouden zijn verkregen en de faciliteiten voor hen van toepassing zouden zijn geweest.
Indien mijn zoon [appellant 1] als gevolg van dit legaat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in mindere mate kan benutten, zal het resterende (lagere) voordeel naar rato van hun erfdelen over mijn drie zoons worden verdeeld.

De omvang van dit compensatielegaat zal worden vastgesteld door de heer [financieel adviseur]

, geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 4] negentienhonderd zeven en

veertig en thans wonende te [postcode 3] [woonplaats 3] aan het adres [adres 7] (hierna te

noemen “de heer [financieel adviseur] ”).

(…)

VIII. NADERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT LEGATEN

(…)

Wijze van verrekening inbrengschulden

De in te brengen bedragen dienen in eerste instantie te worden verrekend met de erfdelen van de legatarissen en indien en voorzover de een legataris na verrekening van de inbrengverplichting met zijn erfdeel nog een bedrag in contanten dient in te brengen, dient dit bedrag ter gelegenheid van de afgifte van het legaat aan de (andere) erfgenamen te worden voldaan .”

3.1.5.

Notaris [de notaris] te [standplaats] heeft werkzaamheden ter zake van de nalatenschap
van erflater verricht.

3.1.6.

[appellant 1] en de heer [financieel adviseur] hebben een kortgedingprocedure aangespannen tegen [geïntimeerde] over twee tot de nalatenschap behorende percelen te [plaats 1] met kadastrale nummers [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] . Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 7 november 2012 is [geïntimeerde] veroordeeld om mee te werken aan de toedeling en levering van deze percelen aan [appellant 1] waarbij [appellant 1] de waarde van deze percelen diende in te brengen in de nalatenschap. De overige vorderingen zijn afgewezen.

3.1.7.

Bij akte van 19 december 2013 is ten behoeve van de echtgenote van erflater het vruchtgebruik op de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] gevestigd.

3.1.8.

Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 18 april 2014 is [geïntimeerde] op verzoek van [appellant 1] en de heer [financieel adviseur] uit zijn functie van executeur-afwikkelingbewindvoerder ontslagen.

3.1.9.

Bij akte van 19 juni 2015 is het legaat van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 5] te [plaats 1] aan [appellant 1] afgegeven.

3.1.10.

Bij akte van 22 juni 2015 is het legaat van de aandelen in [de Holding] en [de vennootschap 1] aan [appellant 1] afgegeven.
Bij afzonderlijke akte van 22 juni 2015 is het legaat van de bedrijfsruimte aan de [adres 8] te [vestigingsplaats 2] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 3] en een perceel landbouwgrond nabij de [adres 1] te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 4] aan [appellant 1] afgegeven.

3.1.11.

[geïntimeerde] heeft een kortgedingprocedure aangespannen tegen [appellant 1] over
de kapitaalverzekering van erflater. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 25 januari 2016 is de vordering van [geïntimeerde] afgewezen.

3.1.12.

Bij beschikking van 22 februari 2017 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch [appellant 1] tot vereffenaar benoemd.

3.2.

[geïntimeerde] enerzijds en [appellant 1] en [appellant 2] anderzijds zijn het oneens over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De hiervoor genoemde kortgedingprocedures waren hiervan het gevolg. Ook de onderhavige procedure heeft betrekking op de geschillen over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover nodig onder de opschortende voorwaarde dat de vereffening van de nalatenschap zal zijn voltooid of opgeheven of dat de procedure zal worden aangehouden in afwachting van de voltooiing of opheffing van de vereffening (samengevat):

  1. voor recht te verklaren dat de verzekeringspolis bij Interpolis met nummer [polisnummer] geen bestanddeel is van de nalatenschap van erflater;

  2. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] gerechtigd is tot € 170.167,58, zijnde de helft
    van de uitkering van voormelde verzekeringspolis, en dat [appellant 1] dit bedrag aan [geïntimeerde] dient te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;

  3. [appellant 1] te veroordelen tot betaling van voormeld bedrag van € 170.167,58,
    vermeerderd met wettelijke rente;

  4. voor recht te verklaren dat:
    primair: de registergoederen/percelen te [plaats 1] met kadastrale nummers [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] ten onrechte aan [appellant 1] zijn afgegeven als onderdeel van het legaat ter zake van de aandelen in de vennootschappen [de Holding] en [de vennootschap 1] ;
    subsidiair: het perceel te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 4] ten onrechte aan [appellant 1] is afgegeven als onderdeel van het legaat ter zake van de aandelen in de vennootschappen [de Holding] en [de vennootschap 1] ;

  5. [appellant 1] te veroordelen tot teruglevering van de registergoederen/percelen te [plaats 1] met kadastrale nummers [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] , althans alleen het perceel te [plaats 1] met nummer [kadastraal nummer 4] en daarbij te bepalen dat - voor het geval [appellant 1] aan deze veroordeling niet voldoet - het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring en handtekening van [appellant 1] tot het verlijden van de notariële akte van verdeling;

  6. voor recht te verklaren dat de aan [appellant 1] afgegeven legaten ter zake van de percelen te [plaats 1] met kadastrale nummers [kadastraal nummer 5] en [kadastraal nummer 3] (samen voorheen [kadastraal nummer 6] ) voorwaardelijk - namelijk voor het geval de afgifte daarvan in stand blijft -
    bij de verdeling van de nalatenschap worden gewaardeerd op een door een deskundige te bepalen waarde;

  7. voor recht te verklaren dat het aan [appellant 1] afgegeven legaat ter zake van het perceel te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 3] voorwaardelijk - namelijk voor het geval de afgifte daarvan in stand blijft - bij de verdeling van de nalatenschap als bedrijfsperceel wordt gewaardeerd op een door een deskundige te bepalen waarde;

  8. voor recht te verklaren dat het aan [appellant 1] afgegeven legaat ter zake van het perceel te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 4] voorwaardelijk - namelijk voor het geval de afgifte daarvan in stand blijft - bij de verdeling van de nalatenschap als bedrijfsperceel wordt gewaardeerd op een door een deskundige te bepalen waarde;

  9. a. voor recht te verklaren dat onder het legaat ter zake van de woning [adres 3]
    te [plaats 2] tevens wordt begrepen het landbouwperceel met kadastraal nummer [kadastraal nummer 7] en dat dit legaat wordt gewaardeerd op € 567.000,--, en
    b. voor recht te verklaren dat het landbouwperceel met kadastraal nummer [kadastraal nummer 7] geen onderdeel uitmaakt van het aan [appellant 2] gelegateerde bosperceel aan de [adres 6] te [plaats 4] ;

  10. voor recht te verklaren dat het legaat ter zake van de [adres 9] te [plaats 3] bij toedeling wordt gewaardeerd tegen de WOZ-waarde van € 63.000,-;

  11. a. voor recht te verklaren dat alle door [appellant 1] , de heer [financieel adviseur] , notaris [de notaris] en de door hen ingeschakelde derden bestede uren en gemaakte kosten met betrekking tot de kwestie van de geschetste overeenkomst tussen [appellant 1] als projectontwikkelaar en de gemeente Drunen niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht (waaronder de kosten van de hierover gevoerde kort geding procedure en de advocaatkosten in die procedure), en
    b. voor recht te verklaren dat voor zover die kosten reeds door de nalatenschap zijn betaald, [appellant 1] volledige opgave van die kosten dient te verstrekken op straffe van een dwangsom en [appellant 1] deze kosten aan de nalatenschap dient terug te betalen;

  12. voor recht te verklaren dat eerst alle belastingschulden van (de erven van) de nalatenschap moeten worden voldaan voordat de legaten worden afgegeven en de boedelbestanddelen worden verdeeld;

  13. voor recht te verklaren dat [appellant 1] jegens de nalatenschap aansprakelijk is voor
    de door de erven verschuldigde rente en kosten over de door de erven verschuldigde
    belastingschuld, voor zover die zijn ontstaan ná 22 juni 2015 (afgifte legaat aandelen
    [de Holding] aan [appellant 1] ), met veroordeling van [appellant 1] om die rente en kosten aan de nalatenschap te vergoeden, welke schade voor zover nodig nader dient te worden opgemaakt bij staat;

  14. kosten rechtens.

[appellant 1] en (de wettelijk vertegenwoordiger van) [appellant 2] vorderden in eerste aanleg in reconventie voorwaardelijk - namelijk voor het geval de rechtbank [geïntimeerde] (deels) ontvankelijk zou verklaren in zijn vorderingen of de vorderingen van [geïntimeerde] (deels) zou toewijzen - [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van alle schade die door [appellant 1] en [appellant 2] , althans de nalatenschap is geleden en die zij nog zullen lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie onder rov.:

- 5.1: voor recht verklaard dat de uitkering uit hoofde van de verzekeringspolis bij Interpolis met nummer [polisnummer] geen bestanddeel is van de nalatenschap van erflater;

- 5.2: voor recht verklaard dat het landbouwperceel te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 4] ten onrechte aan [appellant 1] is afgegeven;

- 5.3: voor recht verklaard dat [appellant 1] aansprakelijk is voor de door de erven verschuldigde

rente en kosten over de door de erven verschuldigde belastingschuld voor zover die zijn

ontstaan ná 22 juni 2015;

- 5.4: [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen 2, 3 en 5 t/m 13;

- 5.5: de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- 5.6: het meer of anders gevorderde afgewezen.

De vordering van [appellant 1] en (de wettelijk vertegenwoordiger van) [appellant 2] in reconventie is door de rechtbank afgewezen, met compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt (rov. 5.7 en 5.8).

3.4.1.

[appellant 1] en [appellant 2] kunnen zich op een aantal punten niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en zij hebben hoger beroep ingesteld. Zij hebben in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van [geïntimeerde] in zijn vorderingen in conventie dan wel die vorderingen alsnog af te wijzen. Tevens hebben zij in hoger beroep hun eis in reconventie gewijzigd in die zin dat zij thans bij arrest, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (onvoorwaardelijk) vorderen (samengevat):
te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] primair op grond van onrechtmatige daad en subsidiair op grond van de redelijkheid en billijkheid schadeplichtig is jegens [appellant 1] en [appellant 2] dan wel de nalatenschap, met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding aan [appellant 1] en [appellant 2] dan wel aan de nalatenschap van de daaruit voor [appellant 1] en [appellant 2] dan wel de nalatenschap voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Met betrekking tot de proceskosten in conventie en in reconventie vorderen zij thans in hoger beroep (samengevat):

- primair de veroordeling van [geïntimeerde] in de reële kosten van beide instanties, de nakosten

daaronder begrepen;

- subsidiair de veroordeling van [geïntimeerde] in de reguliere proceskosten, de nakosten

daaronder begrepen;

- meer subsidiair te verklaren voor recht dat de nalatenschap de (reële dan wel reguliere)

proceskosten aan de zijde van [appellant 1] en [appellant 2] in privé dient te dragen, de nakosten

daaronder begrepen,

een en ander te vermeerderen met wettelijke rente indien voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt.

3.4.2.

Tegen de voormelde eiswijziging zijn geen bezwaren aangevoerd. De eiswijziging is toelaatbaar. Het hof zal rechtdoen op de gewijzigde eis in hoger beroep van [appellant 1] en [appellant 2] .

3.5.1.

[geïntimeerde] kan zich evenmin (geheel) verenigen met het vonnis van de rechtbank, voor zover gewezen in conventie en hij heeft in incidenteel appel zes grieven aangevoerd. In zijn memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft hij geconcludeerd (samengevat):

- in het principaal appel tot afwijzing van de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] en tot

veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van beide instanties, met inbegrip van de

nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-voldoening binnen veertien dagen;

- in het incidenteel appel tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep wat betreft de

niet-ontvankelijkverklaring van hem in zijn vorderingen, vermeld onder 2, 3 en 5 t/m 13 en tot het alsnog toewijzen van die vorderingen.

[geïntimeerde] heeft voorts in hoger beroep zijn eis vermeerderd met de volgende vorderingen (samengevat):

- te verklaren voor recht dat [appellant 1] ter zake van zijn inbrengverplichting de som van

€ 913.415,- aan de boedel c.q. aan de andere erfgenamen dient te voldoen;

- [appellant 1] te veroordelen tot betaling aan de boedel c.q. aan de andere erfgenamen ter zake van

zijn inbrengverplichting: de op en na 24 maart 2011 vervallen termijnen ad € 822.072,60,

met wettelijke rente zoals vermeld in het petitum van zijn memorie;

- [appellant 1] te veroordelen om per 24 maart 2020 aan de boedel c.q. de erfgenamen een laatste

termijn te betalen van € 91.341,40, met wettelijke rente zoals vermeld in het petitum van

zijn memorie;

- subsidiair [appellant 1] te veroordelen om de volgens het testament verschuldigde

inbrengverplichtingen in termijnen te voldoen, te rekenen vanaf negen maanden na 22 juni

2015, met wettelijke rente zoals vermeld in het petitum van zijn memorie;

- [appellant 1] en [appellant 2] te veroordelen in de kosten van beide instanties, met inbegrip van de

nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-voldoening binnen veertien dagen.

3.5.2.

Tegen de voormelde eisvermeerdering van [geïntimeerde] zijn geen bezwaren aangevoerd. De eisvermeerdering is toelaatbaar. Het hof zal rechtdoen op de vermeerderde eis van [geïntimeerde] in hoger beroep.

3.5.3.

[appellant 2] woont in Polen, zodat de zaak internationale aspecten heeft. De rechtbank is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (art. 6 aanhef en onder g Rv) en de toepasselijkheid van het Nederlands recht (art. 10:149 BW).

3.6.

De geschillen die in hoger beroep aan het hof zijn voorgelegd hebben betrekking op de volgende punten:

- de verzekeringspolis bij Interpolis met nr. [polisnummer] (grief 1 in principaal appel en grief 1 in

incidenteel appel);

- het perceel te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 4] (grief 2 in principaal appel);

- de waardering van de percelen te [plaats 1] met de kadastrale nummers [kadastraal nummer 5] en [kadastraal nummer 3]

(grief 2 in incidenteel appel);

- de omvang van het legaat ter zake van de woning [adres 3] te [plaats 2] (grief 3 in

incidenteel appel);

- de waarde van het legaat ter zake van het perceel [adres 9] te [plaats 3] (grief 4 in

incidenteel appel);

- de kosten in verband met de projectontwikkeling ter zake van de percelen te [plaats 1] met de

kadastrale nummers [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] (grief 5 in incidenteel appel);

- de belastingaanslagen van de erven (grief 6 in incidenteel appel);

- de rente en kosten over de belastingschulden van de erven (grief 3 in principaal appel);

- de schadevordering in reconventie van [appellant 1] en [appellant 2] (grief 4 in principaal appel);

- de proceskosten (grief 5 in principaal appel);

- de inbrengverplichting van [appellant 1] (vermeerdering van eis van [geïntimeerde] in hoger beroep).

3.7.1.

Een geschilpunt in hoger beroep betreft de vraag of, en ja: in hoeverre, [geïntimeerde] ontvankelijk is in zijn vorderingen.

Bij de beoordeling van die vraag is het volgende van belang.

[appellant 1] en [geïntimeerde] hebben hun aandeel in de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. Voor [appellant 2] geldt dat hij ingevolge artikel 4:192 lid 4 BW geacht wordt zijn aandeel eveneens beneficiair te hebben aanvaard, nu niet gesteld of gebleken is dat hij zijn aandeel zuiver heeft aanvaard of heeft verworpen binnen de in artikel 4:192 lid 4 BW genoemde termijn.

Consequentie van de beneficiaire aanvaarding is dat de nalatenschap, ingevolge artikel 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.

Uit een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch d.d. 22 februari 2017, tussen [appellant 1] als verzoeker en [geïntimeerde] en [appellant 2] als verweerders (met zaaknummer C/01/315379 / EX RK 16-211), volgt dat een verklaring is afgelegd dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om alle schulden te voldoen, zodat aan de “tenzij-bepaling” in artikel 4:202 lid 1 aanhef en onder a BW is voldaan.

De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat er desondanks wél vereffening dient plaats te vinden en de kantonrechter heeft om die reden een vereffenaar benoemd. De kantonrechter heeft hiertoe beslist vanwege de slechte verstandhouding tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] en het wantrouwen van [geïntimeerde] tegenover [appellant 1] .

Het hof stelt vast dat de vereffening nog niet is voltooid.

3.7.2.

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op de mogelijkheid zoals beschreven in r.o. 4.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:939), die inhoudt dat, ook in het geval de vereffening nog niet is voltooid, door de rechter in overleg met partijen onderzocht dient te worden of er mogelijkheden zijn om desondanks op de grondslag van de vordering en het verweer te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap.

Naar het oordeel van het hof gaat [geïntimeerde] er bij zijn beroep op deze mogelijkheid aan voorbij dat het onderhavige geschil over de ontvankelijkheid ook betrekking heeft op de omvang en de waarde van (een aantal) legaten en op het bestaan en de omvang van een aantal andere vorderingen op de nalatenschap (de kosten in verband met de projectontwikkeling ter zake van de percelen te [plaats 1] met de kadastrale nummers [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] en de belastingaanslagen). Dit zijn geschillen waaromtrent moet worden beslist in het kader van de vereffening van de nalatenschap. Immers: ingevolge artikel 4:218 lid 1 BW dient de vereffenaar rekening en verantwoording en een uitdelingslijst op te maken en ter kennisneming van eenieder ter inzage te leggen (in dit geval:) ter griffie van de rechtbank. Tegen de uitdelingslijst of de rekening en verantwoording kan iedere belanghebbende in verzet komen bij (in dit geval:) de kantonrechter.

3.7.3.

Het hof zal de grieven die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de vorderingen van [geïntimeerde] beoordelen met inachtneming van het voorgaande.

3.8.

De verzekeringspolis bij Interpolis met nr. [polisnummer] (grief 1 in principaal appel en

grief 1 in incidenteel appel).

3.8.1.

Aan [appellant 1] is gelegateerd: de (blote) eigendom van het aandeel van erflater in de woning [adres 1] te [plaats 1] en de zich daarin bevindende inboedel alsmede de kapitaalverzekering welke door de erflater was afgesloten in het kader van de aflossing van de financiering van de woning. Het legaat was aan [appellant 1] toegekend onder voorwaarde dat het legaat van het vruchtgebruik van (het aandeel van erflater in) de woning en de inboedel, effect zou sorteren. Niet in geschil is dat aan deze voorwaarde is voldaan. Aan het legaat waren voor [appellant 1] de volgende verplichtingen verbonden (samengevat):

- hij diende het voormelde vruchtgebruik van woning en inboedel aan zijn moeder af

te geven;

- hij diende de eigenwoningschuld die op de woning rustte voor zijn rekening te nemen;

- hij diende de waarde van het aldus per saldo verkregene in te brengen in de nalatenschap.

3.8.2.

De kapitaalverzekering die in het voormelde legaat is begrepen betreft de verzekering bij Interpolis met polisnummer [polisnummer] .
Deze verzekering omvat een uitkering van € 340.335,16 bij overlijden van erflater vóór
1 december 2013 of bij in leven zijn op deze datum. In de polis is vermeld dat begunstigden zijn:
“1. VERZEKERINGNEMER

2. [appellant 1] DE GEBOREN OP [geboortedatum 3] 1973 EN

[geïntimeerde] DE GEBOREN OP [geboortedatum 1] 1977, IEDER VOOR EEN GELIJK DEEL

4. ERFGENAMEN VAN VERZEKERINGNEMER.”

Erflater heeft de rechten uit deze verzekering verpand aan de Rabobank in verband met de hypothecaire lening die door de Rabobank aan erflater was verstrekt. In de polis staat hierover het volgende vermeld:

“DE PANDHOUDER IS AANGEWEZEN ALS EERSTE BEGUNSTIGDE.
IN AFWIJKING VAN HET IN DE POLIS BEPAALDE ZAL UITBETALING DERHALVE GESCHIEDEN AAN DE PANDHOUDER EN WEL TOT HET BEDRAG DAT DEZE, TEN TIJDE VAN DE UITKERING TE VORDEREN HEEFT VAN DE VERZEKERINGNEMER. VOOR HET MEERDERE BLIJFT DE IN DE POLIS VERMELDE BEGUNSTIGING VAN KRACHT.

DEZE AANWIJZING VAN DE PANDHOUDER ALS EERSTE BEGUNSTIGDE GELDT NIET VOOR DE UITKERING BIJ OVERLIJDEN, INDIEN BIJ OVERLIJDEN VAN DE VERZEKERDE EEN GELDIGE SCHRIFTELIJKE OPDRACHT, ZOALS HIERNA BEDOELD AANWEZIG IS.
DE SCHRIFTELIJKE OPDRACHT HOUDT IN DAT DE IN DE POLIS BEPAALDE BEGUNSTIGDE VOOR DE UITKERING BIJ OVERLIJDEN DE PANDHOUDER SCHRIFTELIJK OPDRACHT HEEFT GEGEVEN OM DE UITKERING AAN TE WENDEN VOOR AFLOSSING VAN DE ALSDAN NOG BESTAANDE SCHULD, WAARMEE DE ONDERHAVIGE VERZEKERINGSOVEREENKOMST ONVERBREKELIJK IS VERBONDEN.”

Op 25 mei 2012 is de verzekeringsuitkering aangewend ter aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening.

3.8.3.

De vorderingen van [geïntimeerde] onder 1, 2 en 3 hebben betrekking op de voormelde kapitaalverzekering. Deze vorderingen luiden:

1. voor recht te verklaren dat de verzekeringspolis bij Interpolis met nummer [polisnummer] geen

bestanddeel is van de nalatenschap van erflater;

2. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] gerechtigd is tot € 170.167,58, zijnde de helft

van de uitkering van voormelde verzekeringspolis, en dat [appellant 1] dit bedrag aan [geïntimeerde]

dient te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;

3. [appellant 1] te veroordelen tot betaling van voormeld bedrag van € 170.167,58,

vermeerderd met wettelijke rente.

Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat – na het overlijden van erflater – [appellant 1] en hij de begunstigden waren met betrekking tot de hiervoor bedoelde verzekeringsuitkering ad € 340.335,16. Deze uitkering viel niet in de nalatenschap van erflater. Hij stelt dat hij recht kan doen gelden op de helft van de voormelde verzekeringsuitkering en dat [appellant 1] ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt doordat de uitkering (volledig) is aangewend ter aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening, welke lening ingevolge het (door [appellant 1] aanvaarde) legaat volledig ten laste van [appellant 1] dient te komen. Subsidiair heeft [geïntimeerde] aan zijn voormelde vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellant 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem niet de helft van de verzekeringsuitkering te vergoeden en meer subsidiair dat [appellant 1] naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid gehouden is om de helft van de verzekeringsuitkering aan [geïntimeerde] af te dragen.

3.8.4.

De rechtbank heeft de onder 1 gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de vorderingen onder 2 en 3 afgewezen. Met betrekking tot de vorderingen onder 2 en 3 overwoog de rechtbank dat de erflater de rechten uit de polis aan de Rabobank had verpand

en dat de Rabobank als pandhouder was aangewezen als eerste begunstigde. Na het overlijden van erflater heeft Interpolis de verzekeringsuitkering aan de Rabobank uitbetaald; de Rabobank heeft de uitkering vervolgens aangewend ter delging van de hypotheekschuld. Van ongerechtvaardigde verrijking dan wel van onrechtmatig handelen was volgens de rechtbank geen sprake. De rechtbank heeft ook het beroep van [geïntimeerde] op de redelijkheid en billijkheid verworpen.

Ten overvloede heeft de rechtbank hieraan nog toegevoegd (kort gezegd) dat de inbrengverplichting van [appellant 1] zich uitstrekt over de woning ( [adres 1] te [plaats 1] ) vrij van hypotheken.

3.8.5.

De eerste grief van [appellant 1] en [appellant 2] is tegen de laatstbedoelde overweging ten overvloede van de rechtbank gericht.

[appellant 1] en [appellant 2] stellen zich terecht op het standpunt dat, zoals ook hiervoor onder 3.7.1 en 3.7.2 is overwogen, de omvang van de inbrengverplichting van [appellant 1] aan de orde dient te komen in de vereffeningsprocedure. De rechtbank onderkent dit ook, blijkens de toevoeging (in rechtsoverweging 4.8 van het vonnis): “De uitwerking van de inbrengverplichting van [appellant 1] gaat evenwel het bestek van deze procedure te buiten. Het geven van aanwijzingen behoort immers niet tot taak van de rechtbank.”
In zoverre hebben [appellant 1] en [appellant 2] geen belang bij hun grief.

3.8.6.

Het voorgaande neemt niet weg dat beslist moet worden op de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant 1] ter zake van de hier bedoelde verzekeringsuitkering ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt. De eerste grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel heeft hierop betrekking.

3.8.7.

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief van [geïntimeerde] . Niet alleen staat vast – zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – dat erflater de Rabobank als eerste begunstigde ten aanzien van de verzekeringsuitkering heeft aangewezen, maar bovendien volgt uit de omschrijving van het hier bedoelde legaat dat erflater kennelijk heeft willen regelen (als bedoeld in artikel 4:46 lid 1 BW) dat na zijn dood niet alleen zijn aandeel in de (blote) eigendom van de woning [adres 1] te [plaats 1] aan [appellant 1] zou toekomen, maar ook de uitkering op grond van de kapitaalverzekering bij Interpolis en (daartegenover) de verplichting om de hypotheekschuld bij de Rabobank in te lossen, een en ander onder de verplichting om de waarde van het per saldo verkregene in te brengen in de nalatenschap.

Gelet op deze klaarblijkelijke bedoeling van erflater is van ongerechtvaardigde verrijking van [appellant 1] geen sprake; immers: indien [appellant 1] al verrijkt zou zijn als gevolg van het legaat, dan is dat een gevolg van de uitdrukkelijke wens van erflater zoals vastgelegd in het testament.

In het licht van het voorgaande is evenmin sprake van een onrechtmatige daad van [appellant 1] jegens [geïntimeerde] en kan evenmin worden geoordeeld dat [appellant 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden is om de helft van de verzekeringsuitkering aan [geïntimeerde] af te dragen.

De conclusie is dat de eerste grief van [geïntimeerde] in incidenteel appel faalt.

3.9.

Het perceel te [plaats 1] met kadastraal nummer [kadastraal nummer 4] (grief 2 in principaal appel).

3.9.1.

Grief 2 van [appellant 1] en [appellant 2] in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in rechtsoverweging 4.12 van het vonnis waarvan beroep) dat het perceel [kadastraal nummer 4] geen onderdeel uitmaakt van het legaat zoals beschreven onder V sub 2 van het testament van erflater en tegen de verklaring voor recht dat (om die reden) het perceel [kadastraal nummer 4] ten onrechte aan [appellant 1] is afgegeven.

Volgens [appellant 1] en [appellant 2] is het perceel [kadastraal nummer 4] één geheel met perceel [kadastraal nummer 3] , op welk perceel de bedrijfsruimte van de aan [appellant 1] gelegateerde onderneming is gelegen. Ten bewijze hiervan verwijzen zij naar de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] [getuige 3] , [getuige 4] , de heer [financieel adviseur] die als producties 4 en 5 bij de memorie van grieven zijn gevoegd. Die verklaringen houden in de kern in dat de getuigen het perceel [kadastraal nummer 4] en het perceel waarop het bedrijfspand van erflater was gevestigd, altijd als één geheel hebben gezien. De heer [financieel adviseur] (in diens verklaring, productie 5) voegt hieraan nog toe dat ook de erflater ervan uitging dat sprake was van één geheel. Verder is verwezen naar een verklaring van [getuige 5] , waaruit volgens [appellant 1] en [appellant 2] blijkt dat de wens van erflater was om versnippering van de percelen te voorkomen (productie 2 bij de memorie van grieven).

3.9.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Partijen zijn het oneens over de uitleg van het testament van erflater, in het bijzonder over de vraag of ook het perceel [kadastraal nummer 4] moet worden gerekend tot “het pand/de panden welke aan bedoelde vennootschappen [ [de Holding] en [de vennootschap 1] ] ter beschikking is/zijn gesteld als bedoeld in artikel 3.91 Wet IB 2001”.

Ingevolge artikel 4:46 lid 1 BW dient bij de uitleg van het testament gelet te worden op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. Die wens moet blijken uit het testament zelf. Verder moet worden gelet op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. De overgelegde verklaringen zeggen hier niets over; in die zin missen de overgelegde verklaringen relevantie.

3.9.3.

Het hof acht voor de beoordeling van het onderhavige geschilpunt allereerst van belang dat uit het testament volgt dat dat erflater bij het doen opmaken ervan voor ogen had dat alle hem toebehorende aandelen in het kapitaal van voornoemde vennootschappen en de panden die aan deze vennootschappen ter beschikking waren gesteld, gelegateerd werden aan [appellant 1] , aangezien hij [appellant 1] het meest geschikt achtte om de ondernemingen van deze vennootschappen voort te zetten en in stand te houden.

Van belang is verder dat het perceel [kadastraal nummer 4] aangesloten ligt aan het perceel waarop een bedrijfspand staat en daarmee één geheel vormt. Vast staat dat het perceel [kadastraal nummer 4] door het bedrijf werd gebruikt voor de opslag van groenafval en zand; de stelling van [appellant 1] en [appellant 2] op dit punt acht het hof niet of in ieder geval onvoldoende door [geïntimeerde] weersproken.

Het hof acht tenslotte ook nog van belang dat door [appellant 1] en [appellant 2] onweersproken is gesteld dat het testament, in verband met de slechte gezondheidstoestand van erflater, in allerijl is opgemaakt en dat om die reden is volstaan met de vermelding van adressen, zonder vermelding van de kadastrale gegevens.

3.9.4.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het testament van erflater zo moet worden uitgelegd dat perceel [kadastraal nummer 4] onder het aan [appellant 1] toegekende legaat valt. Dit betekent dat de tweede grief van [appellant 1] en [appellant 2] in het principaal appel slaagt en dat het vonnis van de rechtbank op dit punt niet in stand kan blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] op dit punt alsnog afwijzen.

3.10.

Niet-ontvankelijkverklaring (grieven 2 t/m 6 in incidenteel appel)

3.10.1.

De grieven 2, 3, 4, 5 en 6 van [geïntimeerde] in incidenteel appel hebben betrekking op de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van [geïntimeerde] in zijn vorderingen zoals vermeld in rov. 3.2 onder 6, 7, 9, 10, 11 en 12.

Deze grieven falen omdat de beslissingen van de rechtbank juist zijn. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder rov. 3.7.1 en 3.7.2 is overwogen.

3.11.

De rente en kosten over de belastingschulden van de erven (grief 3 in principaal

appel).

3.11.1.

De derde grief van [appellant 1] en [appellant 2] in principaal appel is gericht tegen de toewijzing door de rechtbank van vordering zoals vermeld in rov. 3.2 onder 14 van [geïntimeerde] in die zin dat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep voor recht heeft verklaard dat [appellant 1] aansprakelijk is voor de door de erven verschuldigde rente en kosten over de door de erven verschuldigde belastingschulden voor zover die zijn ontstaan ná 22 juni 2015.

3.11.2.

De rechtbank heeft [geïntimeerde] ontvankelijk geacht in zijn hiervoor genoemde vordering. Tegen dat (impliciete) oordeel is geen grief gericht zodat ook het hof hiervan dient uit te gaan.

3.11.3.

De rechtbank heeft [geïntimeerde] gevolgd in diens standpunt dat het – blijkens onderdeel VIII van het testament – de bedoeling van erflater is geweest dat [appellant 1] als legataris uiterlijk bij gelegenheid van de afgifte van de aanmerkelijk belangaandelen/vennootschapsaandelen een zodanig bedrag diende in te brengen in de nalatenschap dat de overige erfgenamen in staat zouden zijn hun aanslagen erfbelasting te betalen. Nu hij niet aan die verplichting heeft voldaan, dient hij de door de erven verschuldigde rente en kosten over hun belastingschulden, voor zover ontstaan ná 22 juni 2015 (de datum van afgifte van het legaat met betrekking tot de vennootschapsaandelen), voor zijn rekening te nemen.

3.11.4.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 1] er terecht op gewezen dat ingevolge onderdeel VIII van het testament (zie rov. 3.1.4) het door hem in te brengen bedrag in eerste instantie verrekend moet worden met zijn erfdeel en dat pas indien en voor zover hij na verrekening van zijn inbrengverplichting met zijn erfdeel nog een bedrag in contanten dient in te brengen, dit bedrag aan de (andere) erfgenamen moet worden voldaan.

In de notariële akte van 22 juni 2015, die met betrekking tot de afgifte van het legaat ter zake van de vennootschapsaandelen is opgemaakt (productie 23 bij conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, tevens akte nadere producties), is (op de pagina’s 8 en 9) verwezen naar de voormelde regeling in het testament. Op basis daarvan zijn de executeurs/afwikkelingsbewindvoerders namens de erfgenamen enerzijds en [appellant 1] als legataris anderzijds het volgende overeengekomen:

“Hieronder zal de inbrengverplichting van de legataris in eerste instantie worden omgezet in een schuld wegens geldlening, enerzijds om het mogelijk te maken dat aan de legataris kwijting wordt verleend en anderzijds omdat bedoelde finale verrekening van de inbrengschulden pas in een later stadium zal kunnen plaatsvinden.

Dit in aanmerking genomen, verklaren partijen te zijn overeengekomen dat de executeurs/afwikkelingsbewindvoerders namens de erfgenamen afstand zullen doen van gemelde vordering op de legataris ad achthonderdachtenvijftigduizend driehonderdvijfenzeventig euro (…), onder de verplichting voor de legataris om gelijktijdig wegens geldlening schuldig te erkennen aan de erfgenamen een bedrag van achthonderdachtenvijftigduizend driehonderdvijfenzeventig euro (…).

Ter uitvoering van het aldus overeengekomene doen de executeurs/afwikkelingsbewindvoerders namens de erfgenamen afstand van gemelde vordering op de legataris, onder gelijktijdige schuldigerkenning door de legataris wegens geldlening aan de erfgenamen van een bedrag van achthonderdachtenvijftigduizend driehonderdvijfenzeventig euro (…), welke schuldigerkenning de executeurs/afwikkelingsbewindvoerders namens de erfgenamen aannemen”.

3.11.5.

In het licht van het voorgaande kan, naar het oordeel van het hof, niet geconcludeerd worden dat [appellant 1] jegens zijn mede-erfgenamen tekort is geschoten ten aanzien zijn inbrengplicht en om die reden rente en kosten over hun belastingschulden voor zijn rekening zou moeten nemen.

Dit betekent dat de derde grief van [appellant 1] en [appellant 2] in principaal appel slaagt en dat de beslissing van de rechtbank op de vordering zoals vermeld in rov. 3.2 onder 14 van [geïntimeerde] niet in stand kan blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, die vordering alsnog afwijzen.

3.12.

De reconventionele schadevordering van [appellant 1] en [appellant 2] (grief 4 in principaal appel).

3.12.1.

[appellant 1] en [appellant 2] stellen zich op het standpunt dat [geïntimeerde] op grond van onrechtmatige daad dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid schadeplichtig is jegens [appellant 1] en [appellant 2] dan wel de nalatenschap. Zij stellen daartoe (samengevat) dat [geïntimeerde] met zijn houding en gedrag de kosten van afwikkeling van de nalatenschap heeft laten oplopen terwijl hij daarnaast meerdere procedures onontkoombaar heeft gemaakt en/of nodeloos heeft geprocedeerd.

3.12.2.

De rechtbank heeft de reconventionele vordering van [appellant 1] en [appellant 2] afgewezen en daartoe overwogen dat de enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] het niet eens is met de standpunten van [appellant 1] en de heer [financieel adviseur] , ten gevolge waarvan de heer [financieel adviseur] en notaris [de notaris] meer tijd aan de afwikkeling van de nalatenschap hebben moeten besteden, onvoldoende is voor toewijzing, terwijl evenmin voldoende is dat [geïntimeerde] volhardt in bepaalde standpunten waardoor procedures gevoerd moeten worden.

3.12.3.

De vierde grief van [appellant 1] en [appellant 2] is tegen dit oordeel gericht.

3.12.4.

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief, omdat het oordeel van de rechtbank juist is. De omstandigheid dat [geïntimeerde] het oneens is met de standpunten van [appellant 1] en [appellant 2] en de heer [financieel adviseur] omtrent de afwikkeling van de nalatenschap en de omstandigheid dat de houding van [geïntimeerde] meerdere juridische procedures en extra werkzaamheden van adviseurs noodzakelijk heeft gemaakt, zijn onvoldoende om hem schadeplichtig te maken jegens [appellant 1] en [appellant 2] . Dit zou anders kunnen zijn indien van de zijde van [geïntimeerde] sprake zou zijn van een opstelling met geen ander doel dan het toebrengen van schade en/of het vertragen van de afwikkeling van de nalatenschap. Voor zover [appellant 1] en [appellant 2] bedoeld hebben te stellen dat deze situatie zich hier voordoet, hebben zij hun standpunt onvoldoende onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

Het voorgaande betekent dat de vierde grief van [appellant 1] en [appellant 2] in principaal appel faalt.

3.13.

De proceskosten (grief 5 in principaal appel).

3.13.1.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de proceskosten gecompenseerd, dit gelet op de relatie tussen partijen en op de uitkomst van de procedure.

[appellant 1] en [appellant 2] zijn het oneens met deze beslissing; zij menen dat er grond is om [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen. Hun vijfde grief heeft hierop betrekking.

3.13.2.

Het hof overweegt hieromtrent dat het gebruikelijk is om in procedures als de onderhavige, waarin sprake is van een geschil tussen broers over de verdeling van een nalatenschap, de proceskosten te compenseren (art. 237 Rv). Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken. Terecht heeft de rechtbank verwezen naar de uitkomst van de procedure. Dat sprake is geweest van nodeloos procederen, zoals [appellant 1] en [appellant 2] stellen, acht het hof onvoldoende onderbouwd.

3.14.

De inbrengverplichting van [appellant 1] (vermeerdering van eis van [geïntimeerde] in hoger beroep).

3.14.1.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd zoals hiervoor in rov. 3.5.1 is vermeld.

3.14.2.

De in de vermeerdering van eis begrepen vorderingen van [geïntimeerde] zijn niet toewijsbaar. Niet alleen gaat het bij die vorderingen om de omvang van de inbrengplicht van [appellant 1] , hetgeen een kwestie is die thuishoort in de vereffeningsprocedure (zie rov. 3.7.1 en 3.7.2), maar bovendien zijn deze vorderingen van [geïntimeerde] in hoger beroep onvoldoende onderbouwd, zoals [appellant 1] en [appellant 2] terecht aanvoeren. Immers: ingevolge onderdeel VIII van het testament dient, voor de berekening van de inbrengplicht van [appellant 1] , op de tegenwaarde van de aan hem toegekende legaten zijn erfdeel in mindering te worden gebracht. Een dergelijke berekening is niet ten grondslag gelegd aan de hier bedoelde vorderingen van [geïntimeerde] en kan ook nog niet – vooruitlopend op de vereffeningsprocedure – worden gemaakt. Voorts geldt met betrekking tot de inbrengplicht van [appellant 1] in verband met het legaat van de vennootschapsaandelen dat partijen een overeenkomst hebben gesloten zoals hiervoor weergegeven in rov. 3.11.4.

De conclusie is dat de vermeerderde eis van [geïntimeerde] in hoger beroep niet toewijsbaar is.

3.15.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. Er zijn door hen echter geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden dan hiervoor vermeld.

Om die reden wordt het bewijsaanbod van partijen door het hof gepasseerd.

3.16.

Op basis van de overwegingen die hiervoor in rov. 3.13.2 zijn vermeld zal het hof (ook) de kosten van het hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel, compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de rechtbank daarin :

- voor recht heeft verklaard dat het landbouwperceel te [plaats 1] met kadastraal nummer

[kadastraal nummer 4] ten onrechte aan [appellant 1] is afgegeven (rov. 5.2), en

- voor recht heeft verklaard dat [appellant 1] aansprakelijk is voor de door de erven verschuldigde

rente en kosten over de door de erven verschuldigde belastingschuld voor zover die zijn

ontstaan ná 22 juni 2015 (rov. 5.3);

in zoverre opnieuw rechtdoende: wijst de hierop betrekking hebbende vorderingen van [geïntimeerde] af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] en van [geïntimeerde] af;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.E. Smorenburg en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2020.

griffier rolraadsheer