Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2220

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
19/00179 tot en met 19/00182
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1113, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen OB voor afdrachtverschillen opgelegd op basis van door de boekhouder aangeleverde stukken. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de boekhouder niet meer haar boekhouder was of dat de stukken onjuist waren. Van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of het verdedigingsbeginsel acht het hof geen sprake. De verzuimboetes worden vernietigd, omdat deze zijn opgelegd voor niet betalen en het verwijt van niet aangeven is meegedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-08-2020
V-N Vandaag 2020/1974
FutD 2020-2327 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/50.1.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00179 tot en met 19/00182

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] C.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 maart 2019, nummers BRE 17/6044 tot en met 17/6047, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) over elk van de jaren 2011 tot en met 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking voor elk van de jaren 2011 tot en met 2013 een verzuimboete opgelegd en is bij beschikking (voor 2011) heffingsrente respectievelijk (voor 2012 tot en met 2014) belastingrente in rekening gebracht (hierna, ook wel aangeduid als: de rentebeschikkingen).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daarbij is [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, digitaal gehoord. Namens de inspecteur zijn [inspecteur 1] en [inspecteur 2] telefonisch gehoord.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is een commanditaire vennootschap (C.V.) opgericht op [datum] 2010 en exploiteert een uitzendbureau.

2.2.

In het kader van de aangiften vennootschapsbelasting zijn de jaarrekeningen van belanghebbende voor de jaren 2011, 2012 en 2013 elektronisch door de Belastingdienst ontvangen, respectievelijk op 5 juli 2013, 28 februari 2014 en 30 april 2016. De daarin opgenomen balanspost OB vermeldt als OB-schuld over het jaar 2011 een bedrag van € 15.694, over het jaar 2012 van € 14.001 en over het jaar 2013 van € 23.789.

2.3.

Naar aanleiding van een signaal uit het systeem Balansschulden omzetbelasting van de inspecteur wordt bij belanghebbende een afdrachtverschil omzetbelasting over het jaar 2012 geconstateerd. Bij brief van 30 september 2016 deelt de inspecteur belanghebbende mee dat zij als ondernemer verplicht is hem te melden wanneer er te veel of te weinig omzetbelasting is aangegeven. Daaraan voegt hij toe dat uit zijn gegevens over 2012 een verschil van € 7.743 blijkt tussen wat belanghebbende had moeten melden en wat in haar aangiften omzetbelasting is aangegeven. De inspecteur deelt mee voornemens te zijn voor dat afdrachtverschil een naheffingsaanslag met berekening van belastingrente en een verzuimboete van 10% op te leggen. In dat verband wordt belanghebbende de gelegenheid geboden het afdrachtsverschil te controleren en een verklaring voor het verschil te geven.

2.4.

In vervolg op de reactie van belanghebbende treedt de inspecteur in contact met de boekhouder van belanghebbende, [A BV] te [vestigingsplaats] (hierna: de boekhouder), en verzoekt om toezending van de nog niet ingediende suppleties OB over de jaren 2011 tot en met 2013 van belanghebbende. Bij email-berichten van 15 en 16 november 2016 verstrekt de boekhouder enkele overzichten met de hierna vermelde gegevens van de suppleties OB over de jaren 2011 tot en met 2014:

jaar

2011

2012

2013

2014

Totaal

nog te suppleren OB

€ 3.632

€ 4.111

€ 3.705

€ 2.761

€ 11.448

2.5.

Bij brief van 18 november 2016 herhaalt de inspecteur dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichting omzetbelastingschulden te melden. Hij deelt mee dat naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens en de verklaringen van de boekhouder de nog verschuldigde bedragen aan OB over de jaren 2011 tot en met 2013, zoals in 2.4 vermeld, worden nageheven. Omdat belanghebbende de betreffende bedragen aan OB niet op tijd heeft gemeld, wordt haar daarbij heffings- respectievelijk belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd. In dat verband deelt de inspecteur belanghebbende mee dat de verzuimboete is gebaseerd op artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst en 10% van de na te heffen belasting bedraagt.

2.6.

De naheffingsaanslagen OB over de jaren 2011 tot en met 2014 en de daarbij gegeven beschikkingen zijn op 30 november 2016 opgelegd en als volgt gespecificeerd:

Jaar

aanslagnummer

Nageheven OB

verzuimboete

rentebeschikking

2011

[aanslagnummer] .F.01.1501

€ 3.632

€ 363

€ 613

2012

[aanslagnummer] .F.01.2501

€ 4.111

€ 411

€ 599

2013

[aanslagnummer] .F.01.3501

€ 3.705

€ 370

€ 428

2014

[aanslagnummer] .F.01.4501

€ 2.761

--

€ 215

Voor het jaar 2014 is geen boete opgelegd, omdat naar de mening van de inspecteur belanghebbende die gegevens vrijwillig heeft aangegeven.

2.7.

Belanghebbende maakt bij brief van 13 december 2016 “bezwaar tegen alle aanslagen van 2011 tm 2014” en verwijst naar in de aanhef genoemde aanslagen met aanslagnummers. In de aanhef worden de naheffingsaanslagen OB over 2011 tot en met 2013 wel opgesomd, maar ontbreekt de naheffingsaanslag OB over 2014. In de bezwaarfase hebben partijen stukken gewisseld en overleg gevoerd over de OB van alle vier de jaren. In de motivering van zijn uitspraak vermeldt de inspecteur dat hij op 14 december 2016 een bezwaarschrift heeft ontvangen tegen de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2011 tot en met 2014 en noemt daarvan de vier aanslagnummers. Bij de uitspraak op bezwaar is het bezwaar afgewezen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vragen:

I Zijn de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2011 tot en met 2014 en daarbij gegeven rentebeschikkingen en verzuimboetes terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

II Heeft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslagen OB en de daarbij gegeven beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Het hof stelt vast dat in de brief van 13 december 2016 niet uitdrukkelijk de naheffingsaanslag OB over 2014 is genoemd als aanslag waartegen belanghebbende bezwaar maakt. Het hof stelt verder vast dat de onderhavige naheffingsaanslagen OB over 2011 tot en met 2014 zijn opgelegd met dagtekening 30 november 2016 en dat belanghebbende in de brief van 13 december 2016 bezwaar maakt tegen alle aanslagen van 2011 tot en met 2014 en dat de inspecteur die brief van belanghebbende heeft aangemerkt als bezwaarschrift tegen alle vier de opgelegde naheffingsaanslagen OB. Gelet op deze feiten en omstandigheden en de inhoud van de brief van 13 december 2016, is het hof van oordeel dat belanghebbende ook tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag OB 2014 en daarin ontvankelijk is, zoals door de inspecteur en eveneens de rechtbank is aangenomen.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Het hof stelt voorop dat op de inspecteur de last rust te bewijzen dat sprake is van afdrachtsverschillen ter correctie waarvan de bestreden naheffingsaanslagen zijn opgelegd. De inspecteur moet aannemelijk maken dat de door belanghebbende verschuldigde OB voor de jaren 2011 tot en met 2014 meer bedraagt dan de OB die is begrepen in de door haar gedane aangiften OB voor deze jaren.

4.3.

De inspecteur betoogt dat de afdrachtverschillen juist zijn vastgesteld op basis van de gegevens die door de boekhouder, namens belanghebbende, zijn verstrekt. Daaruit blijkt dat belanghebbende de door haar verschuldigde OB over de hier bedoelde jaren niet volledig heeft voldaan. Verder voert de inspecteur aan dat belanghebbende de geconstateerde afdrachtverschillen ook niet met een cijfermatige onderbouwing heeft weerlegd.

4.4.

Belanghebbende verwijst in hoger beroep naar de grieven, die al in eerste aanleg zijn aangevoerd. Deze grieven betreffen, kortgezegd, dat de boekhouder fouten heeft gemaakt in de jaarrekeningen van 2011 tot en met 2014 en bij het opstellen van de overzichten inzake de suppletie-OB over die jaren. Belanghebbende stelt dat er overeenkomstig die jaarrekeningen door haar OB is betaald, die niet is verrekend in de overzichten inzake suppleties OB van de boekhouder en er dus sprake is van het tweemaal betalen van OB. Ook heeft de boekhouder de aangiften OB en de overzichten inzake de suppletie-OB onjuist en zonder toestemming van belanghebbende ingediend. Volgens belanghebbende is nog sprake van een dubbeltelling omdat de boekhouder ten onrechte het kas- in plaats van het factuurstelsel heeft toegepast. Belanghebbende heeft een aantal stukken over de betaling van OB verstrekt en meegedeeld dat zij uit kostenoverweging ervan heeft afgezien nieuwe jaarrekeningen op te (laten) stellen. Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende herhaald dat het opstellen van nieuwe jaarrekeningen over 2011 tot en met 2014 “vrij duur” is en daaraan toegevoegd dat de daarvoor benodigde stukken voor de nieuwe administrateur moeilijk te achterhalen zijn.

4.5.

In het kader van de door de boekhouder verrichte werkzaamheden voor belanghebbende acht het hof het volgende van belang. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift erop gewezen met de boekhouder te zijn overeengekomen dat hij de “hele boekhouding en aangiften onder zijn hoede zal nemen”. Verder heeft belanghebbende daarin vermeld dat, vanwege de overname van een bedrijf door de boekhouder, bij die boekhouder achterstand is ontstaan in de voor haar te verzorgen aangiften, dat belanghebbende daarvan de dupe is geworden en dat zij misschien een ander administratiekantoor moet zoeken. Hieruit leidt het hof af dat de boekhouder destijds gerechtigd was om de aangiften OB te doen en de gegevens inzake de suppletie-OB namens belanghebbende aan de inspecteur te verstrekken.

4.6.

Vaststaat dat de inspecteur de naheffingsaanslagen heeft opgelegd overeenkomstig de door de boekhouder namens belanghebbende verstrekte overzichten van de suppleties. Het is dan aan belanghebbende om feiten en omstandigheden aan te voeren om aannemelijk te maken dat die namens haar verstrekte gegevens van de suppletie OB over de jaren 2011 tot en met 2014 onjuist zijn. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat de opgemaakte jaarrekeningen foutief zijn en dat dubbeltellingen zijn opgetreden, maar zij heeft die stelling niet met stukken, bijvoorbeeld in de vorm van herziene jaarrekeningen, of anderszins cijfermatig onderbouwd. Het hof stelt vast dat de bedragen van de omzetbelastingschulden in de jaarrekeningen en de gegevens van de suppleties op elkaar aansluiten. Dat sprake zou zijn van onjuiste suppleties OB en dubbele betalingen van OB heeft belanghebbende, tegenover de betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt.

4.7.

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep de in beroep ingenomen stelling dat de inspecteur bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen algemene beginselen van behoorlijk heeft geschonden. Hierover heeft de rechtbank overwogen:

“2.13. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, lid 3 van de AWR, opgelegd binnen de termijn van vijf jaren na het ontstaan van de belastingschuld. In dat geval kan de omstandigheid dat een naheffingsaanslag mogelijk ook eerder opgelegd had kunnen worden er normaal gesproken niet toe leiden dat sprake is van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd die in dit geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daar voegt de rechtbank het volgende aan toe. Op basis van [toevoeging Hof; artikel 10a AWR in samenhang met] artikel 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 was belanghebbende gehouden, zodra zij constateerde dat over de onderhavige jaren te weinig belasting was betaald, bij wijze van suppletie alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken. Belanghebbende had dit kunnen doen bij het opstellen van de jaarrekeningen, maar heeft dit niet gedaan, waardoor het aan haarzelf te wijten is dat de naheffingsaanslagen zo laat zijn opgelegd. De rechtbank acht op grond hiervan van een schending van het rechtszekerheid- of vertrouwensbeginsel, waarop belanghebbende zich beroept, temeer geen sprake. De omstandigheid dat de inspecteur verklaard heeft dat belanghebbende de aangegeven omzetbelasting heeft betaald leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarmee kan de inspecteur geen vertrouwen gewekt hebben met betrekking tot de niet-aangegeven omzetbelasting. Ten slotte verwerpt de rechtbank het beroep van belanghebbende op het overtreden van het verbod van détournement de pouvoir, nu zij dit op geen enkel wijze onderbouwd heeft. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank geen sprake van strijd met het zorgvuldigheids- of vertrouwensbeginsel of met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en verwerpt daarmee ook de zesde grief van belanghebbende.”

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Het hof neemt deze dan ook over en maakt deze tot de zijne.

4.8.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur haar rechten van verdediging niet heeft geëerbiedigd en verwijst daarbij naar het arrest Sopropé1 en het arrest van de Hoge Raad van 4 november 20172. Zij merkt op, dat zij in verband met het opleggen van de naheffingsaanslagen niet is gehoord en dat geen stukken ter inzage zijn gelegd ten einde door haar een zienswijze over de concept naheffingsaanslagen naar voren te kunnen brengen.

4.9.

De inspecteur betoogt dat hij zorgvuldig te werk is gegaan alvorens over te gaan tot het opleggen van naheffingsaanslagen omzetbelasting. Belanghebbende heeft in de fase van het opleggen van de naheffingsaanslagen voldoende gelegenheid gehad om zich te verdedigen. Daarbij komt dat de naheffingsaanslagen OB over 2011 tot en met 2014 zijn opgelegd op basis van de gegevens die door of namens belanghebbende zijn aangeleverd. Verder heeft belanghebbende in de bezwaarfase gebruik gemaakt van de gelegenheid om het bezwaar mondeling toe te lichten en dus van de mogelijkheid om zich te verdedigen.

4.10.

Het hof overweegt dat het verdedigingsbeginsel voor een bestuursorgaan de verplichting meebrengt de geadresseerde van een besluit in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen. Deze regel heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten3. Hieruit volgt dat het verdedigingsbeginsel niet verder strekt dan dat een belanghebbende als geadresseerde van het besluit zijn opmerkingen kenbaar kan maken over het hem eerder kenbaar gemaakte voornemen van de inspecteur4. De inspecteur heeft bij brief van 30 november 2016 belanghebbende in kennis gesteld van het voornemen voor het geconstateerde afdrachtverschil een naheffingsaanslag op te leggen en haar de gelegenheid geboden hierop te reageren. Belanghebbende heeft ook zelf in haar reactie van 17 oktober 2016 en bij monde van de boekhouder bij de email-berichten van 15 en 16 november 2016 gereageerd. Daarna heeft de inspecteur bij brief van 18 november 2016 meegedeeld de naheffingsaanslagen op te leggen; deze zijn vervolgens op 30 november 2016 opgelegd. Van schending van het verdedigingsbeginsel acht het hof derhalve geen sprake.

4.11.

Uit het vorengaande volgt dat de naheffingsaanslagen OB over 2011 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

4.12.

Belanghebbende heeft tegen de rentebeschikkingen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het is het hof ook overigens niet gebleken dat de bepalingen voor het in rekening brengen van heffings- respectievelijk belastingrente onjuist zijn toegepast. Het hof is derhalve van oordeel dat de heffings- respectievelijk belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening zijn gebracht.

4.13.

Met betrekking tot de verzuimboetes opgelegd bij de naheffingsaanslagen OB over 2011 tot en met 2013 stelt het hof voorop dat in de mededeling over de boete is vermeld; omdat belanghebbende het bedrag van de OB-schuld opgenomen in de balans van 2013 niet op tijd heeft gemeld, wordt een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67c AWR van 10% van de na te heffen OB. In (hoger) beroep herhaalt de inspecteur dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 10a AWR om afdrachtverschillen aan OB te melden en dat vanwege het niet op tijd melden van de afdrachtverschillen verzuimboetes zijn opgelegd ingevolge artikel 67c AWR van de na te heffen bedragen aan OB.

Ter zitting bij het hof heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de gekozen bewoording waarom een boete wordt opgelegd niet helemaal duidelijk is, maar er is voldoende aangeduid dat de boete wordt opgelegd omdat te weinig OB is afgedragen.

4.14.

In artikel 67c AWR is geregeld, indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een verzuimboete kan opleggen.

4.15.

De mededeling aan belanghebbende over de boete en het verwijt dat de inspecteur haar maakt in (hoger) beroep betreffen het niet melden van de afdrachtverschillen en dat is een ander verzuim dan beboetbaar is gesteld op grond van artikel 67c AWR. Over het begane verzuim en het overtreden voorschrift mag naar het oordeel van het hof geen misverstand mogelijk zijn, omdat het een belanghebbende uiterlijk op het moment dat een boete wordt opgelegd duidelijk moet zijn welk verwijt hem wordt gemaakt en waartegen hij zich heeft te verdedigen. Gelet op de aard van een boete en de daarbij behorende verdedigingsrechten is naar het oordeel van het hof in dit geval niet voldaan aan de geldende mededelingsplicht voor de boete. De verzuimboetes dienen daarmee te vervallen.

Tussenconclusie

4.16.

De slotsom is dat wat de verzuimboetes betreft het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 333 respectievelijk € 519, in totaal € 852, te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.18.

Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar wijst het hof af. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op bezwaar heeft beslist5.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.

4.20.

Daarbij wordt uitgegaan van drie samenhangende zaken waarin belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft de zaken waarin de bij elke van de naheffingsaanslagen OB voor de jaren 2011 tot en met 2013 bij beschikking opgelegde boete is vernietigd.

4.21.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling bij de rechtbank op 2 (punten)6 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.050, en voor de behandeling bij het hof op 2 (punten)7 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.050,

in totaal € 2.100.

4.22.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het betreft de bij beschikking over elk van de jaren 2011 tot en met 2013 opgelegde boete;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    handhaaft de naheffingsaanslagen OB voor de jaren 2011 tot en met 2014 en de bij elke naheffingsaanslag gegeven rentebeschikking;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 852 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 2.100.

De uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, M.J.C. Pieterse en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, als griffier. De uitspraak is alleen ondertekend door de griffier, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

De beslissing is in het openbaar zitting uitgesproken op 16 juli 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 HvJ EU 18 december 2008, Sopropé, C-349/07, ECLI:EU:C:2008:746.

2 ECLI:NL:HR:2017:2980.

3 HvJ EU 3 juli 2014, Kamino, C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041.

4 Hoge Raad 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467.

5 Artikel 7:15, lid 3, Awb.

6 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

7 1 punt voor hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie het Besluit.