Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2215

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
16/03552 tot en met 16/03554
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3792, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur ontvangt op 16 mei 2014 de bezwaarschriften tegen de op 29 maart 2014 opgelegde naheffingsaanslagen en vergrijpboeten. De bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Voor wat betreft de bezwaarschriften tegen de vergrijpboeten bewijst de Inspecteur niet de onjuistheid van de stelling van belanghebbende dat de termijnoverschrijding aan PostNL is te wijten. Belanghebbende is ontvankelijk in haar bezwaren tegen de vergrijpboeten en het Hof wijst de zaken omtrent de vergrijpboeten terug naar de Inspecteur. Voor overschrijding van de redelijke termijn wordt een vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-08-2020
FutD 2020-2330 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2020/1990
V-N 2020/54.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 16/03552 tot en met 16/03554

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 9 juni 2016, nummers BRE 15/5335 tot en met 15/5337, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 29 maart 2014 voor de jaren 2011 en 2012 en voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 naheffingsaanslagen in de omzetbelasting (hierna: de naheffingsaanslagen) opgelegd. Gelijktijdig met elke van de naheffingsaanslagen is aan belanghebbende bij beschikking een boete (hierna: de vergrijpboeten) opgelegd en is bij beschikking heffings- respectievelijk belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen). De specificatie is als volgt:

Periode

Aanslagnummer

Omzetbelasting

Boete

Rente

01-01-2011 t/m 31-12-2011

[aanslagnummer] F.01.1501

€ 6.937

€ 3.468

€ 431

01-01-2012 t/m 31-12-2012

[aanslagnummer] F.01.2501

€ 1.819

€ 909

€ 70

01-01-2013 t/m 31-09-2013

[aanslagnummer] F.01.3501

€ 11.090

€ 5.545

€ 97

De daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij uitspraken van 19 juni 2015 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Bij geschrift van 23 juli 2015 gezonden aan de Rechtbank Arnhem-Leeuwarden, dat de Rechtbank Arnhem-Leeuwarden op 7 augustus 2015 heeft doorgezonden aan de Rechtbank, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Inspecteur. De Rechtbank heeft deze beroepen geregistreerd onder de nummers 15/5335 tot en met 15/5337. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal, te weten in de zaak met nummer 15/5335, een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de beroepen ongegrond verklaard en gelast dat de Inspecteur de immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende, verenigd in één geschrift per fax verzonden op 29 juli 2016, hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft dit hoger beroep gesplitst en geregistreerd onder de kenmerken 16/03552 tot en met 16/03554. Ter zake van deze hoger beroepen heeft de griffier van het Hof van belanghebbende eenmaal, te weten in de zaak met kenmerk 16/03552, een griffierecht geheven van € 503.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur bij conclusie van dupliek heeft gereageerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting, bij brief met bijlagen van 21 juni 2018, nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [A] , tot bijstand vergezeld van [B] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is op [datum] 1983 opgericht. Haar activiteiten bestaan uit het houden van veilingen en verrichten van taxaties van roerende zaken, handel in schilderijen en antiquiteiten, im- en export, groot-, klein- en detailhandel in en taxatie en restauratie van antiquiteiten, schilderijen, oudheden, muntverzamelingen en beleggen van eigen vermogen en belanghebbende is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

2.2.

Bij belanghebbende heeft vanaf 22 oktober 2013 een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting voor de jaren 2010, 2011 en 2012, dat voor de omzetbelasting is uitgebreid met de periode 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013. Tijdens het boekenonderzoek is, onder andere, vastgesteld dat de ingediende kwartaalaangiften omzetbelasting in de periode van het eerste kwartaal 2011 tot en met het derde kwartaal 2013 niet overeen komen met de voor het boekenonderzoek aangeleverde omzet-, inkoop- en kostenfacturen.

2.3.

Van de bevindingen van dit boekenonderzoek is een conceptrapport op 20 december 2013 opgemaakt. Bij brieven van 14 januari 2014, 27 januari 2014 en 6 februari 2014 heeft belanghebbende haar reactie op genoemd conceptrapport bij de Inspecteur bekend gemaakt.

In het rapport van het boekenonderzoek van 21 februari 2014 (hierna: het controlerapport) zijn de reacties van belanghebbende vermeld. Het controlerapport en de mededeling over het opleggen van vergrijpboetes zijn op 21 februari 2014 verzonden aan belanghebbende.

2.4.

In vervolg op het controlerapport heeft de Inspecteur met dagtekening 29 maart 2014 de naheffingsaanslagen en de onder 1.1 vermelde beschikkingen aan belanghebbende opgelegd. Van de ter postverzending van de betreffende aanslagbiljetten op 27 maart 2014 aan belanghebbende heeft de Inspecteur onderzoeksrapporten van 16 november 2015 overgelegd.

2.5.

Bij de Inspecteur zijn op 16 mei 2014 van belanghebbende drie brieven met dagtekening 15 mei 2014 en kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] respectievelijk [kenmerk 3] , binnengekomen, waarin belanghebbende meedeelt nogmaals te verzoeken om uitstel van betaling van elke van de naheffingsaanslagen en verwijst naar de door haar ingediende bezwaarschriften van 8 april 2014. Bij elke van deze drie brieven heeft belanghebbende als bijlage gevoegd een kopie van, de brief met kenmerk [kenmerk 4] , [kenmerk 5] respectievelijk [kenmerk 6] inzake, elke van de bezwaarschriften gedagtekend 8 april 2014 en geadresseerd aan de Inspecteur.

2.6.

In zijn brief van 1 juli 2014 bevestigt de Inspecteur belanghebbende de ontvangst op 16 mei 2014 van de bezwaarschriften gedagtekend 8 april 2014 en deelt hij belanghebbende mede, dat de bezwaarschriften niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken zijn ingediend, dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in bezwaar en dat de Inspecteur de bezwaarschriften als verzoeken om (ambtshalve) vermindering zal behandelen.

2.7.

In verband met de behandeling van de verzoeken om vermindering heeft tussen partijen een briefwisseling plaatsgevonden, heeft belanghebbende overzichten van aan- en verkopen van de onderhavige jaren verstrekt en hebben partijen een hoorgesprek gehouden.

2.8.

Bij de uitspraken op bezwaar van 19 juni 2015, gemotiveerd in zijn brief van 29 mei 2015, heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De behandeling van de bezwaarschriften als verzoeken om vermindering heeft de Inspecteur aanleiding gegeven de naheffingsaanslag over het jaar 2011 en de naheffingsaanslag over de eerste drie kwartalen van 2013 ambtshalve te verminderen. De bij deze naheffingsaanslagen opgelegde vergrijpboete en heffings- respectievelijk belastingrente heeft de Inspecteur dienovereenkomstig verminderd. De naheffingsaanslag over het jaar 2012, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de in rekening gebrachte belastingrente zijn gehandhaafd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I Zijn de bezwaarschriften van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

II Komt belanghebbende in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hun standpunten toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en, naar het Hof begrijpt, terugwijzing naar de Inspecteur ter behandeling van de bezwaarschriften en vergoeding van immateriële schade, het griffierecht en alle kosten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 Awb). Deze termijn vangt, voor zover hier relevant, aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j, aanhef en letter a, Algemene wet inzake rijksbelastingen). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 1, Awb). Bij verzending per post is een bezwaarschrift nog tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 2, Awb). Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).

4.2.

De naheffingsaanslagen zijn gedagtekend op zaterdag 29 maart 2014. De Inspecteur heeft voor elke van de naheffingsaanslagen onderzoeksrapporten van de ter postverzending van de aanslagbiljetten op 27 maart 2014 overgelegd. Dit is voor het Hof aanleiding aan te nemen dat de naheffingsaanslagen niet pas na de dagtekening daarvan zijn verzonden en belanghebbende betwist ook niet de naheffingsaanslagen op of rond de datum van dagtekening daarvan te hebben ontvangen. De termijn voor het indienen van bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen is dan geëindigd op maandag 12 mei 2014.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of belanghebbende de bezwaarschriften met dagtekening 8 april 2014, tijdig, namelijk uiterlijk op 12 mei 2014, heeft ingediend. Vaststaat dat de bezwaarschriften gedagtekend 8 april 2014 gericht zijn aan het adres van de Inspecteur en niet per aangetekende post zijn verzonden.

4.4.

Indien, zoals in het onderhavige geval, de Inspecteur stelt een niet aangetekend verzonden stuk niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit brengt mee dat de belanghebbende in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Als dat bewijs wordt geleverd, ligt het vervolgens op de weg van de Belastingdienst het daaraan te ontlenen vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Daartoe is het voldoende dat op grond van hetgeen de Inspecteur aanvoert aan ontvangst van het stuk op het bedoelde adres redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt de Belastingdienst daarin, dan zal de ontvangst van het stuk slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de belanghebbende daarvan nader bewijs levert (zie HR 28 februari 2014, nr. 13/01830, ECLI:NL:HR:2014:418, rechtsoverweging 4.3.1).

4.5.

De Inspecteur betwist dat belanghebbende de bezwaarschriften al op 8 april 2014 heeft ingediend en voert aan niet eerder dan op 16 mei 2014 (kopieën van) de bezwaarschriften van 8 april 2014 te hebben ontvangen. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de Inspecteur over het moment van eerste ontvangst van (kopieën van) de bezwaarschriften. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de Inspecteur de bezwaarschriften pas op 16 mei 2014 heeft ontvangen.

4.6.

Nu de Inspecteur op geloofwaardige wijze heeft verklaard dat hij de bezwaarschriften niet voor 16 mei 2014 heeft ontvangen, zal de ontvangst van deze bezwaarschriften op uiterlijk 12 mei 2014 slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien belanghebbende daarvan nader bewijs levert. Indien niet aannemelijk wordt dat de bezwaarschriften tijdig op het adres van de Inspecteur zijn ontvangen, ligt het op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat dit het gevolg is van aan de Inspecteur toe te rekenen omstandigheden (zie HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, rechtsoverweging 3.2.3).

4.7.

Belanghebbende stelt de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen op 8 april 2014 te hebben ingediend. Belanghebbende heeft, in beroep, ten bewijze van verzending van de bezwaarschriften kopieën van de bezwaarschriften verstrekt. Daarbij heeft belanghebbende verschillende verklaringen verstrekt en bij het Hof daaraan twee verklaringen toegevoegd:

- Verklaring van [C] (10 mei 2016): [C] verklaart dat zij de brieven met kenmerk [kenmerk 4] , [kenmerk 5] en [kenmerk 6] persoonlijk heeft getypt en zij heeft deze drie bezwaarschriften tezamen in één envelop gedaan, geadresseerd aan de Belastingdienst, [postbus] te [postcode] [plaats] . Zij verklaart daarna “deze brief” aan haar collega, [D] , te hebben gegeven, die deze brief ter post zou bezorgen. Zij verklaart verder dat [A] erop stond dat de envelop aangetekend verstuurd zou worden. Of haar collega dit gedaan heeft, weet zij niet.

- Verklaring I van [D] (10 mei 2016): [D] verklaart dat hij de brief die [C] heeft klaargemaakt op of rond 8 april 2014 voor haar ter post heeft bezorgd. Het ging volgens hem om één envelop met een stempel van belanghebbende, waarin stukken zaten van belanghebbende voor de Belastingdienst te [plaats] , [postbus] . Hij verklaart verder dat hem is gevraagd de brief aangetekend te versturen, maar dat hij dit is vergeten.

- Verklaring II van [D] (28 december 2016): [D] blijft bij zijn verklaring van 10 mei 2016. Hij bevestigt nog eens dat hij de brief die door [C] werd aangereikt in de brievenbus heeft gedeponeerd en wel in de postzak met oranje deksel van Post.NL bij de Brunawinkel in [vestigingsplaats] .

- Verklaring van [E] (29 december 2016): [E] herinnert zich gezien te hebben dat [D] de brief van belanghebbende in de brievenbus deed bij de Brunawinkel in [vestigingsplaats] . Hij was op dit tijdstip daar om pakketten aan te bieden. Daarnaar gevraagd verklaart [E] zich dit moment in het voorjaar te herinneren. Op de mededeling aan [E] dat dit begin mei is geweest, verklaart hij zich de exacte datum niet meer te herinneren. [E] weet toch wel dat het zo is gebeurd. Hij verklaart dat korte tijd later op kantoor werd gesproken over de fout van [D] . De brief met stukken werd namelijk niet aangetekend verstuurd, dat had wel gemoeten. Dat was zo meegedeeld.

- Verklaring I van [F] (26 januari 2016): [F] verklaart dat zij de persoon is die op 15 mei 2014 de brieven met kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] met als bijlagen de brieven van 8 april 2014 (met kenmerk [kenmerk 4] , [kenmerk 5] respectievelijk [kenmerk 6] ) en een kopie van de brieven van de Belastingdienst van 23 april 2014 aan de Belastingdienst heeft gestuurd. Zij verklaart hierin te hebben verzaakt, omdat zij de desbetreffende brieven weken eerder had ontvangen en het de bedoeling was dat zij deze eerder had moeten verzenden. Destijds is dat haar wegens omstandigheden en drukte niet gelukt. Volgens haar is de handtekening onder deze brieven van [A] .

- Verklaring II van [F] (9 mei 2016): [F] bevestigt haar eerdere verklaring van 26 januari 2016 en verklaart dat zij de brieven heeft, die van “de Ontvanger” werden ontvangen. Dit is volgens haar in opdracht van [A] gebeurd, die haar kort na de ontvangst van deze brieven wees op het belang van een antwoord, tevens reactie, tevens “hernieuwd bezwaar” en tevens verzoek tot uitstel van betaling. Immers was het, volgens haar, zo dat “de Ontvanger” geen uitstel van betaling wenste te verlenen.

In aanvulling op de overgelegde verklaringen heeft [A] ter zitting van de Rechtbank (vastgelegd in het opmaakte proces-verbaal) verklaard dat hij van ziekte herstellende is en dat hem gevraagd is de brieven te ondertekenen. Hij is op 8 april 2014 op kantoor geweest om de, door [C] gemaakte, bezwaarschriften te ondertekenen en hij heeft daarbij gezegd dat de bezwaarschriften naar de Inspecteur moesten worden verstuurd. Volgens hem heeft [C] de bezwaarschriften aan [D] gegeven, die is vergeten de bezwaarschriften aangetekend te verzenden en heeft deze in de brievenbus gedaan. [A] heeft verder uiteengezet, dat de postverwerking bij de Belastingdienst via de distributie in [plaats] is geregeld en dat het daar dan fout is gegaan. Dat risico ligt dan niet bij belanghebbende, aldus [A] .

4.8.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de overgelegde kopieën van de bezwaarschriften en gezien de inhoud van de (overgelegde) verklaringen, niet aannemelijk gemaakt dat de bezwaarschriften van 8 april 2014 op die datum ook ter post zijn bezorgd.

Het Hof neemt daarbij het volgende in overweging. De verklaring van [C] heeft enkel betrekking op het (persoonlijk) opmaken van de bezwaarschriften van 8 april 2014 en de opdracht voor de aangetekende verzending daarvan en vormt daarmee geen bewijs voor een tijdige terpostbezorging of de ontvangst daarvan door de Inspecteur. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [A] , omdat deze verklaring, naast de bevestiging van het opmaken van de brieven door [C] , de (datum van) ondertekening van de bezwaarschriften van 8 april 2014 betreft en de opdracht voor de aangetekende verzending daarvan, geen duidelijkheid geeft over het moment van terpostbezorging, maar enkel over de gevolgde verzendwijze.

De verklaringen van [D] zien weliswaar op de (datum van) terpostbezorging van de bezwaarschriften van 8 april 2014, maar daarvoor ontbreekt een bevestiging. De verklaring van [E] betreft wel het moment van terpostbezorging van de brief, maar daarbij wordt “in het voorjaar” genoemd en weet hij zich de exacte datum niet te herinneren. Daarbij wordt de ontvangst van deze bezwaarschriften door de Inspecteur betwist.

4.9.

Het Hof neemt alle verklaringen in beschouwing en moet constateren dat de Inspecteur de (originele) bezwaarschriften niet heeft ontvangen. Dan is het aan belanghebbende aannemelijk te maken dat dit het gevolg is van aan de Inspecteur toe te rekenen omstandigheden. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over onbetrouwbaarheid van de postbezorging in algemene zin en de postverwerking bij de Belastingdienst kunnen niet tot die conclusie leiden. De algemene opmerking dat deze postvoorzieningen niet deugen is onvoldoende om te kunnen oordelen dat het niet ontvangen van de bezwaarschriften door de Inspecteur het gevolg is van aan de Inspecteur toe te rekenen omstandigheden. Hierbij acht het Hof van belang dat de Inspecteur betwist dat de bezwaarschriften tijdig zijn ontvangen. Het Hof komt tot de conclusie dat het niet ontvangen van de bezwaarschriften door de Inspecteur niet het gevolg is van aan hem toe te rekenen omstandigheden.

4.10.

Belanghebbende voert verder aan dat sprake is van ongelijke behandeling omdat aan haar als belastingplichtige hogere eisen worden gesteld over het bewijs dat de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen tijdig zijn ingediend, dan aan de Inspecteur over de verzending daarvan. Het Hof wijst deze grief af, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. In dit geding betwist belanghebbende immers niet de ontvangst van de naheffingsaanslagen op of rond de dagtekening daarvan en de Inspecteur betwist juist wel de ontvangst van de bezwaarschriften op of rond de datum van 8 april 2014.

Belanghebbende beroept zich verder op schending van het EVRM. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat sprake is van deze schending optredend in geschillen tussen met haar gelieerde vennootschappen en de Belastingdienst, verwerpt het Hof deze grief. Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure met betrekking tot deze grief over andere gevallen geen gegevens verstrekt en dan is een beoordeling door het Hof van de genoemde schending of een eventuele ongelijke behandeling niet mogelijk.

Aan het vorenstaande voegt het Hof toe, dat het Hof uit de gedingstukken niet gebleken is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door de Inspecteur.

4.11.

Belanghebbende herhaalt dat het controlerapport fouten bevat en dat zij de Inspecteur daarvan doorlopend heeft bericht. Verder verwijst belanghebbende naar, de overgelegde stukken van, toegewezen bezwaarschriften tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting van een aan haar gelieerde vennootschap. De Rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

“2.12. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat de door haar tegen het controlerapport kenbaar gemaakte bezwaren eveneens moeten worden opgevat als bezwaren tegen de onderhavige naheffingsaanslagen, faalt haar betoog. Gelet op artikel 6:10, eerste lid, van de Awb zijn de bezwaren van 14 januari 2014, 27 januari 2014 en 6 februari 2014 in dat verband namelijk prematuur, nu de onderhavige aanslagen op dat moment nog niet tot stand waren gekomen en belanghebbende ook niet redelijkerwijs kon menen dat dit wel het geval was. Bovendien is met hetgeen in die brieven is verwoord rekening gehouden bij het vaststellen van het definitieve rapport. Anders dan belanghebbende meent, kunnen ook bezwaarschriften die door of namens andere belastingplichtigen ter zake van diens aangelegenheden zijn ingediend niet als bezwaarschriften tegen de onderhavige naheffingsaanslagen worden aangemerkt. In zoverre faalt belanghebbendes betoog.”

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden terecht deze grieven van belanghebbende verworpen en het Hof maakt die gronden van de Rechtbank tot de zijne.

4.12.

Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij eerder dan bij de drie brieven gedagtekend op 15 mei 2014 (kopieën van) de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen (met dagtekening 8 april 2014) heeft ingediend. Daaruit volgt dat deze op 16 mei 2014 door de Inspecteur ontvangen drie brieven de eerste bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen zijn. Nu niet in geschil is dat deze drie brieven eerst op 15 mei 2014, en dus niet vóór het einde van de bezwaartermijn van 12 mei 2014, ter post zijn bezorgd zijn ook de kopieën van de bezwaarschriften buiten de termijn en derhalve niet tijdig ingediend.

4.13.

Vervolgens komt aan de orde of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege moet blijven omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (artikel 6:11 Awb). De stelplicht van de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, rust op belanghebbende.

4.14.

Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij als indiener van de bezwaarschriften niet in verzuim is geweest. Voor zover belanghebbende dit heeft bedoeld te stellen met de onder 4.7 vermelde verklaring van [F] , omdat belanghebbende de intentie had tijdig te reageren, maar dat wegens omstandigheden en drukte van [F] dit niet is gelukt, wijst het Hof deze stelling af. Belanghebbende is degene die de hier getroffen werkwijze heeft gekozen en dan komen dergelijke omstandigheden redelijkerwijs voor haar rekening. Ook overigens is het Hof niet van een grond voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding gebleken. Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb, die eraan in de weg zou staan de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen niet-ontvankelijk te verklaren.

4.15.

Gelet op de omstandigheid dat het bezwaar tegen een aanslag tevens moet worden opgevat als bezwaar tegen een op hetzelfde aanslagbiljet vermelde beschikking inzake heffings- of belastingrente die met deze aanslag samenhangt, leidt het vorenoverwogene ertoe dat eveneens de bezwaarschriften tegen de rentebeschikkingen niet-ontvankelijk zijn.

De vergrijpboeten

4.16.

et hoger beroep heeft mede betrekking op de opgelegde vergrijpboeten.

4.17.

Het Hof stelt voorop dat de Hoge Raad, bij zijn arrest van 5 juli 2019, nr. 18/01961, ECLI:NL:HR:2019:1102, is teruggekomen van de rechtsopvatting, aanvaard in het hierna aangehaalde arrest van 22 juni 1988, BNB 1988/292, omtrent de ontvankelijkheid van een te laat aangewend rechtsmiddel tegen een bestuurlijke boete. Daarbij is verder geoordeeld dat gelet op het rechtszekerheidsbeginsel de in het arrest van 5 juli 2019 aanvaarde bewijsregels buiten toepassing blijven voor bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend vóór 1 augustus 2019. Vaststaat dat daarvan in de onderhavige procedures sprake is. Hieruit volgt dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag (en de daarbij vastgestelde rentebeschikking) en de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetebeschikking afzonderlijk dienen te worden beoordeeld (vgl. HR 22 juni 1988, nr. 24.998, BNB 1988/292, en HR 25 april 2008, nr. 43.871, ECLI:NL:HR:2008:BD0469). In dit verband wordt als rechtsopvatting aanvaard dat in de boetezaak de waarborgen van artikel 6 EVRM gelden en dat in verband daarmee de bewijslastverdeling over de tijdige indiening van het bezwaarschrift als volgt ligt. Ingeval de belastingplichtige aan wie een boete is opgelegd, stelt dat hij het bezwaarschrift tijdig ter post heeft bezorgd, dan wel dat de overschrijding van de bezwaartermijn aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten, terwijl omtrent de juistheid van die stelling in rechte geen zekerheid valt te verkrijgen, is eerbiediging van zijn recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd wanneer die onzekerheid voor zijn risico komt. Daarom moet de regel, volgens welke een na afloop van de geldende termijn gemaakt bezwaar of ingesteld beroep niet-ontvankelijk is, buiten toepassing blijven, indien de belastingplichtige aan wie een boete is opgelegd, stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de niet-ontvankelijkheid kan dan slechts worden uitgesproken indien de Inspecteur de onjuistheid van de stelling van belanghebbende heeft bewezen.

4.18.

Het Hof stelt vast dat niet in geschil is dat de aanslagen waarbij de vergrijpboeten zijn opgelegd op of rond 29 maart 2014 aan belanghebbende bekend zijn gemaakt. De bezwaartermijn tegen de vergrijpboeten is dan geëindigd op maandag 12 mei 2014. Tegenover de stelling van belanghebbende dat de overschrijding van de bezwaartermijn op basis van hetgeen onder 4.7 en 4.9 is aangevoerd niet aan haar – maar aan Post.NL – is te wijten, heeft de Inspecteur ingebracht,

- dat hij de indiening van de bezwaarschriften op 8 april 2014 betwist, en

- dat hij niet eerder dan op 16 mei 2014 (kopieën van) de bezwaarschriften van 8 april 2014 heeft ontvangen.

4.19.

Hoewel de door de Inspecteur ingebrachte argumenten een aanwijzing vormen, dat de kans gering is dat in het onderhavige geval niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden hebben geleid tot overschrijding van de bezwaartermijn, is daarmee de onjuistheid van de stelling van belanghebbende – dat de termijnoverschrijding aan Post.NL is te wijten – door de Inspecteur niet bewezen. In dit verband acht het Hof van belang dat niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur navraag heeft gedaan omtrent de postbezorging rond 8 april 2014. De vereiste zekerheid in rechte omtrent de juistheid van de stelling van belanghebbende is naar het oordeel van het Hof dan ook niet verkregen. Daarom moeten belanghebbendes bezwaarschriften tegen de vergrijpboeten ontvankelijk worden verklaard.

4.20.

In de omstandigheid dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de bezwaren tegen de vergrijpboeten en terzake niet aan een inhoudelijke beoordeling is toegekomen, vindt het Hof, nu belanghebbende daarom zelf heeft gevraagd, aanleiding die zaken terug te wijzen naar de Inspecteur om opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften tegen de vergrijpboeten.

4.21.

Voor het antwoord op de eerste vraag is het gelijk omtrent de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen aan de Inspecteur en omtrent de vergrijpboeten aan belanghebbende.

Vraag II Vergoeding immateriële schade

4.22.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van frustratie mede bij het bestuur en andere personen die bij haar betrokken zijn vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken. De Rechtbank heeft voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase van 1 maand een vergoeding van € 500 voor de onderhavige zaken tezamen ten laste van de Inspecteur toegekend. In hoger beroep beklaagt belanghebbende zich er alleen over dat de Rechtbank is uitgegaan van samenhang van de drie zaken. Volgens haar is sprake van een hogere frustratie bij meer zaken. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een hogere vergoeding dan hem door de Rechtbank is opgelegd.

Met betrekking tot een vergoeding van immateriële schade oordeelt het Hof als volgt.

4.23.

De Hoge Raad heeft op 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest) herhaald, dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, meebrengt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van een geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten, neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof, behoudens bijzondere omstandigheden, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is aangewend.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, dan wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van een gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (zie rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).

Het Hof constateert dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van samenhang van drie zaken.

4.24.

De stelling van belanghebbenden dat sprake is van meerdere gefrustreerden, met name het bestuur en andere bij haar betrokken personen en dat deze omstandigheid in aanmerking moet worden genomen bij de toekenning van de vergoeding van immateriële schade, wijst het Hof af. Met inachtneming van het overzichtsarrest stelt het Hof voorop dat het beginsel van de rechtszekerheid ertoe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. In dat kader is het Hof van oordeel dat ter zake van frustratie bij het bestuur of bij belanghebbende betrokken personen voor een vergoeding vanwege de lange duur in de hoofdzaken van de belastinggeschillen van belanghebbende geen grond bestaat, nu het bestuur of genoemde andere personen in die belastinggeschillen geen procespartij zijn.

4.25.

Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep stelt het Hof het volgende vast. Bij geschrift van 29 juli 2016, per fax op die datum binnengekomen bij het Hof, is hoger beroep ingesteld en het Hof doet uitspraak op 16 juli 2020. De hoger beroepsfase heeft derhalve bijna vier jaren geduurd en daarmee is de voor de behandeling van het hoger beroep gestelde termijn van twee jaren met bijna twee jaren overschreden. Het Hof heeft in de zaken zelf geen aanknopingspunten gevonden voor een langere duur van de hoger beroepsfase dan de redelijke termijn van twee jaren en de langere duur wordt aan het Hof toegerekend.

In de onderhavige hoger beroepsprocedures zijn de niet-ontvankelijkverklaringen van bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen (en de rentebeschikkingen) voor drie verschillende jaren gezamenlijke behandeld. Het Hof ziet hierin aanleiding voor de drie zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar te hanteren.

De overschrijding in de hoger beroepsfase berekent het Hof op, afgerond, twee jaren. De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) wordt, in verband met een in aanmerking te nemen tarief van € 500 per half jaar, veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 4 x € 500 = € 2.000.

4.26.

Voor het antwoord op de tweede vraag is het gelijk aan belanghebbende.

Slotsom

4.27.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen ongegrond is en voor wat betreft en de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaarschriften tegen de vergrijpboeten en het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd. De zaken betreffende de vergrijpboeten worden ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak teruggewezen naar de Inspecteur en het Hof kent aan belanghebbende een schadevergoeding toe.

Ten aanzien van het griffierecht

4.28.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.29.

Gelet op de omstandigheid dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

Daarbij wordt uitgegaan dat in de onderhavige zaken sprake is van drie samenhangende zaken waarin belanghebbenden gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld.

4.30.

Het Hof bepaalt de tegemoetkoming in deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zitting 1 (punt wegens proceshandelingen) x € 525 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) x 1 (samenhangende zaken) is € 525.

Betreffende de reiskosten van [A] voor het bijwonen van de zitting, treinretour [vestigingsplaats] - ’s-Hertogenbosch van € 34,10, is een vergoeding verleend in de eveneens ter zitting van de onderhavige zaken behandelde zaak ten name van [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] , kenmerk 15/01010, en komt een vergoeding in de onderhavige zaken niet meer aan de orde.

4.31.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de immateriële schade, het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de vergrijpboeten;

  • -

    verklaart de bezwaarschriften tegen de vergrijpboeten ontvankelijk;

- draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak op bezwaar betreffende de vergrijpboeten te doen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding aan belanghebbende van de immateriële schade toerekenbaar aan de hoger beroepsfase, vastgesteld op € 2.000;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 503; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 525.

De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. ( Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.