Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2145

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
20-000001-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:6617, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000001-18

Uitspraak : 22 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-865067-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

blijkens een Informatiestaat SKDB-persoon betreffende verdachte d.d. 27 februari 2020 met als BRP-adres: [BRP-adres verdachte] ,

blijkens opgave van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 mei 2020 verblijvende te [verblijfadres verdachte] ,

postadres: [postadres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van:

  • -

    mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd (feit 1);

  • -

    bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd (feit 2);

  • -

    afpersing, meermalen gepleegd, en afdreiging, meermalen gepleegd (feit 3);

  • -

    poging tot afpersing (feit 4);

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 5);

  • -

    smaadschrift (feit 6);

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijke strafdeel naast algemene voorwaarden tevens bijzondere voorwaarden – te weten een contactverbod met [slachtoffer] en met de ouders van [slachtoffer] , alsmede een gebiedsverbod dat inhoudt dat verdachte zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning aan [adres slachtoffer] (zijnde de woning van [slachtoffer] ) – verbonden. De rechtbank heeft voornoemd contact- en gebiedsverbod tevens opgelegd in de vorm van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en heeft daarbij bevolen dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 weken zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden en maatregelen zijn door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts is bij vonnis waarvan beroep beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . Tot slot zijn bij voornoemd vonnis twee in beslag genomen voorwerpen, te weten een geweer en munitie, onttrokken aan het verkeer.

Verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting van 2 december 2019 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met inbegrip van de ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegde maatregelen en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, alsmede de beslissingen op het beslag en met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de op te leggen schadevergoedingsmaatregel en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest, waarbij de advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan het voorwaardelijke strafdeel dezelfde bijzondere voorwaarden zal verbinden als de rechtbank heeft gedaan en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zal verklaren;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel zal toewijzen tot een bedrag van € 8.600,39, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Op de terechtzitting van 19 mei 2020 heeft de advocaat-generaal de hiervoor weergegeven vordering gehandhaafd.

De verdediging heeft op de terechtzitting van 2 december 2019 bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding dan wel dat de vordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen. Op de terechtzitting van 19 mei 2020 heeft de verdediging de eerder ingenomen standpunten gehandhaafd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, (telkens) zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

- (met de vuist en/of een golfclub en/of een stok, althans een (hard) voorwerp) op/tegen het hoofd en/of de lip(pen) en/of het gezicht en/of de arm(en) en/of de/het be(e)n(en) en/of de borst(en) en/of de rug, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of

- (met geschoeide voet) op/tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- (met kracht) aan haar haren te trekken en/of aan haar haren over de grond te slepen en/of

- een kussen op/in het gezicht te duwen en/of geduwd te houden en/of

- een knietje op/tegen het bovenbeen, althans het lichaam, te geven en/of een knie tegen het bovenbeen te duwen en/of geduwd te houden en/of

- tegen een deur en/of een kast en/of een muur te duwen/gooien en/of

- een (groot) (keuken)mes tegen de keel te zetten/duwen en/of

- bij de keel te pakken en/of (stevig) vast te pakken;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, (telkens) [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling:

- door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je dat doet, dan sla ik je neus achter in je gezicht, in je hersenen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- door (meermalen) een mes op de keel van die [slachtoffer] te zetten/duwen en/of een bijl in haar nek te plaatsen en/of een voet op de keel van die [slachtoffer] te zetten en/of een geweer op die [slachtoffer] te richten en/of

- door een kussen in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en/of geduwd te houden en/of (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: "Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (voor de aankoop van een of meer horloge(s) en/of (motor)kleding en/of een of meer motorhelm(en) en/of een of meer paar (motor)laarzen en/of een bar en/of een biljart en/of een of meer auto('s) en/of een of meer motor(en)), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , althans aan een ander dan aan hem, verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- (meermalen) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of aan haar haren heeft getrokken en/of

- (meermalen) dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar neus achter in haar gezicht en/of in haar hersenen zou slaan als zij al haar inkomsten op zou gaan geven aan de Belastingdienst, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van (een) geheim(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (voor de aankoop van een of meer horloge(s) en/of (motor)kleding en/of een of meer motorhelm(en) en/of een of meer paar (motor)laarzen en/of een bar en/of een biljart en/of een of meer auto('s) en/of een of meer motor(en)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , althans aan een ander dan aan hem, verdachte, welke bedreiging hierin bestond dat hij, verdachte, (meermalen) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar opdrachtgevers te kennen zou geven dat zij niet integer zou zijn en/of dat hij ervoor zou zorgen dat zij helemaal geen werk meer zou hebben, als zij niet mee zou werken aan het openen van een zwarte (tweede) bankrekening (waarvan hij de bankpas beheerde en/of het geld dat door haar opdrachtgevers werd gestort opnam en/of voornoemde aankoop/aankopen heeft verricht);

4.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van de woning (gelegen aan [adres slachtoffer] ) en/of een geldbedrag van 100.000 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, die [slachtoffer] (meermalen) heeft geslagen en/of geschopt en/of tegen een kast heeft geduwd en/of een knietje tegen het bovenbeen heeft gegeven en/of een knie tegen het bovenbeen heeft geduwd en/of geduwd gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op of omstreeks 12 juni 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een (enkelloops, meerschots, randvuur) kogelgeweer van het merk Winchester, model 9422 Cheyenne (kaliber .22), en/of munitie van categorie III, te weten twee (randvuur) kogelpatronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

6.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te Grave en/of Venray en/of Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, en/of Valkenswaard en/of gemeente Echt-Susteren en/of Boxmeer, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk, door middel van het verspreiden van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel een of meerdere brieven naar ((een) medewerker(s) van) de gemeente(n) Venray en/of Woensdrecht en/of Valkenswaard en/of Echt-Susteren en/of Boxmeer gestuurd, waarin (onder andere) staat dat die [slachtoffer] (als werknemer van die betreffende gemeente) niet integer heeft gehandeld en/of haar hbo-diploma heeft vervalst en/of persoonsgegevens heeft gelekt en/of heeft gefraudeerd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven telkens zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

- met de vuist tegen het hoofd en/of de lip en/of het gezicht en/of de armen en/of de benen en/of de borsten te slaan en/of

- (met geschoeide voet) tegen het lichaam te schoppen en/of

- (met kracht) aan haar haren te trekken en/of aan haar haren over de grond te slepen en/of

- een kussen op/in het gezicht te duwen en geduwd te houden en/of

- een knietje op/tegen het bovenbeen te geven en/of een knie tegen het bovenbeen te duwen en geduwd te houden en/of

- tegen een deur en/of een kast en/of een muur te duwen/gooien en/of

- een keukenmes tegen de keel te zetten/duwen en/of

- bij de keel te pakken en/of vast te pakken;

2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven telkens [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht:

- door een mes op de keel van die [slachtoffer] te zetten/duwen en

- door een kussen in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen en geduwd te houden en daarbij dreigend de woorden toe te voegen: "Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger"

en

in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je dat doet, dan sla ik je neus achter in je gezicht, in je hersenen";


3.
hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (voor de aankoop van horloges en/of motorkleding en/of motorhelmen en/of motorlaarzen en/of een bar en/of een biljart en/of auto's en/of motoren), toebehorende aan die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte:

- meermalen die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of aan haar haren heeft getrokken en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar neus achter in haar gezicht en/of in haar hersenen zou slaan als zij al haar inkomsten op zou gaan geven aan de Belastingdienst

en

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen (voor de aankoop van horloges en/of motorkleding en/of motorhelmen en/of motorlaarzen en/of een bar en/of een biljart en/of auto's en/of motoren), toebehorende aan die [slachtoffer] , welke bedreiging hierin bestond dat hij, verdachte, meermalen tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar opdrachtgevers te kennen zou geven dat zij niet integer zou zijn als zij niet mee zou werken aan het openen van een zwarte (tweede) bankrekening (waarvan hij de bankpas beheerde en het geld dat door haar opdrachtgevers werd gestort opnam en voornoemde aankopen heeft verricht);

4.
hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 12 juni 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van de woning gelegen aan [adres slachtoffer] en een geldbedrag van 100.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer] , die [slachtoffer] tegen een kast heeft geduwd en een knietje tegen het bovenbeen heeft gegeven en een knie tegen het bovenbeen heeft geduwd en geduwd gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.
hij op 12 juni 2017 te Eindhoven een wapen van categorie III, te weten een (enkelloops, meerschots, randvuur) kogelgeweer van het merk Winchester, model 9422 Cheyenne (kaliber .22), en munitie van categorie III, te weten twee (randvuur) kogelpatronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

6.
hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 in Nederland telkens opzettelijk, door middel van het verspreiden van geschriften, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij, verdachte, met voormeld doel brieven naar ((een) medewerker(s) van) de gemeenten Venray en Woensdrecht en Valkenswaard en Echt-Susteren en Boxmeer gestuurd, waarin staat dat die [slachtoffer] (als werknemer van die betreffende gemeente) heeft gefraudeerd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van het arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage is aan het arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde. Daartoe is – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

1.Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft de verdediging in de eerste plaats bepleit dat de verklaringen die aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft afgelegd als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt en om die reden niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Volgens de verdediging heeft aangeefster inconsistent verklaard en heeft zij op een aantal punten evident tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Ter onderbouwing van dit onderdeel van het verweer heeft de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2019 meerdere schriftelijke stukken overgelegd. Uit deze stukken blijkt naar de mening van de verdediging onder meer dat aangeefster wisselend heeft verklaard omtrent de wijze waarop de boekhouding van haar onderneming [bedrijfsnaam] werd gevoerd, alsmede omtrent haar betrokkenheid bij het regelen van parkeerplaatsen voor aangeschafte auto’s. Volgens de verdediging heeft aangeefster in haar aangiftes en in de later door haar afgelegde verklaringen verklaard dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten om de schuld van de door haar gepleegde (belasting)fraude in de schoenen van verdachte te schuiven, teneinde vervolging ter zake van de door haar gepleegde strafbare feiten te voorkomen.

2.Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de verdediging voorts bepleit dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, nu deze feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Volgens de verdediging bevat het voorhanden zijnde dossier onvoldoende steunbewijs om tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde mishandelingen respectievelijk bedreigingen te kunnen komen. Zo leveren de brieven die aangeefster aan verbalisant [verbalisant 1] heeft geschreven geen steunbewijs op, nu deze brieven niets anders inhouden dan verklaringen van aangeefster die zij zelf op papier heeft gezet. Ook de tot het dossier behorende foto’s van het letsel van aangeefster (weergegeven op dossierpagina’s 58 tot en met 63) en de medische verklaring betreffende aangeefster kunnen naar de mening van de verdediging niet bijdragen aan het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, nu verdachte heeft ontkend dat deze letsels door zijn toedoen zijn ontstaan en uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte de letsels aan aangeefster heeft toegebracht. De verklaringen die de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben afgelegd leveren naar de mening van de verdediging evenmin (voldoende) steunbewijs op. Zo heeft [getuige 1] enkel verklaard over één klap die verdachte aangeefster in het begin van het jaar 2017 zou hebben gegeven, maar heeft hij niets verklaard omtrent de mishandelingen en bedreigingen die verdachte volgens aangeefster in de periode van 2010 tot en met 2016 zou hebben gepleegd. De moeder van verdachte, [getuige 2] , heeft weliswaar verklaard dat aangeefster aan haar liet zien dat haar arm blauw was en dat aangeefster daarbij zei dat verdachte dit had gedaan, maar zij heeft zelf geen enkele mishandeling of bedreiging waargenomen. [getuige 3] , een zoon van aangeefster die het overgrote deel van de onder 1 en 2 ten laste gelegde pleegperiode bij aangeefster en verdachte in huis heeft gewoond, heeft tegenover de politie verklaard dat hij weinig van de mishandelingen heeft meegekregen. Naar de mening van de verdediging wordt het bewijsminimum ex artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op basis van het voorhanden zijnde dossier niet gehaald, zodat niet op grond van wettige bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden gekomen.

3.Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de verdediging eveneens bepleit dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Ter onderbouwing van dit onderdeel van het verweer heeft de verdediging onder meer verwezen naar hetgeen hierboven (onder punt 2) is opgenomen. In aanvulling daarop is aangevoerd dat het bewijs dat specifiek betrekking heeft op de zogenoemde financiële dwang hoofdzakelijk is gebaseerd op de verklaringen van aangeefster en dat (voldoende) steunbewijs ook op dit punt ontbreekt. Uit het dossier blijkt immers niet dat verdachte aangeefster direct voorafgaand aan een aankoop heeft mishandeld en/of bedreigd, zodat de in zeer algemene termen omschreven mishandelingen en bedreigingen niet kunnen worden gekoppeld aan concrete aankopen die verdachte met het geld van aangeefster heeft gedaan. Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde poging tot afpersing van de woning van aangeefster en een aan haar toebehorend geldbedrag ter hoogte van € 100.000,00 heeft de verdediging tot slot bepleit dat uit het dossier blijkt dat aangeefster er zelf voor heeft gekozen om haar appartement aan [getuige 4] , zijnde de zoon van verdachte, te verkopen, nu dit tot aanzienlijk lagere hypotheekkosten zou leiden. Op basis van het voorhanden zijnde dossier kan naar de mening van de verdediging niet worden bewezen dat verdachte geweld jegens aangeefster heeft gebruikt teneinde haar te bewegen haar woning aan zijn zoon te verkopen en voornoemd geldbedrag aan zijn zoon te schenken.

4.Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde heeft de verdediging bepleit dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu hij deze brieven heeft verstuurd teneinde de opdrachtgevers van aangeefster te waarschuwen voor de frauduleuze handelingen die aangeefster verrichtte.

Bewijsoverweging ad 1

Nu de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster heeft betwist, ziet het hof zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of deze verklaringen naar het oordeel van het hof als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en aldus tot het bewijs kunnen worden gebezigd. In dit kader overweegt het hof het navolgende.

Aangeefster heeft op 12 juni 2017 aangifte tegen verdachte gedaan. Vervolgens heeft zij tegenover de politie meerdere aanvullende verklaringen afgelegd, te weten op 13 juni 2017, 14 juni 2017, 15 juni 2017, 19 juni 2017, 23 juni 2017 en 24 juni 2017. Voorts heeft aangeefster op 16 april 2019 een verklaring afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris en is zij op de terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2020 als getuige gehoord naar aanleiding van de stukken die de verdediging op de terechtzitting van 2 december 2019 heeft overgelegd.

Het hof stelt voorop dat het – met de verdediging – heeft geconstateerd dat aangeefster op een aantal onderdelen wisselende verklaringen heeft afgelegd. Ook toen zij ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2020 met enkele door de verdediging naar voren gebrachte inconsistenties c.q. tegenstrijdigheden werd geconfronteerd, heeft zij op meerdere punten een verklaring afgelegd die anders luidde dan eerder door haar afgelegde verklaringen. Gelet hierop heeft het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster in zoverre de nodige voorzichtigheid betracht.

Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat de omstandigheid dat aangeefster op enkele onderdelen inconsistent heeft verklaard niet maakt dat al haar verklaringen op voorhand als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Hoewel aangeefster op een aantal punten wisselende verklaringen heeft afgelegd, is het hof van oordeel dat de door haar afgelegde verklaringen – voor zover deze verklaringen betrekking hebben op de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, met name de (gewelds)handelingen door verdachte – in de kern wel degelijk gelijkluidend zijn, ook voor zover deze zijn afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep. Voorts worden haar verklaringen op essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en uit hetgeen hieronder (onder Bewijsoverweging ad 2 en Bewijsoverweging ad 3) is overwogen.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende ziet het hof geen reden om aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster te twijfelen. Het hof zal daarbij de verklaringen die aangeefster tegenover de politie heeft afgelegd als uitgangspunt nemen. In die verklaringen heeft zij immers voor het eerst uitgebreid en zeer gedetailleerd over de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten verklaard, terwijl het tijdsverloop na die feiten bij de verklaringen tegenover de politie in 2017 een aanzienlijk minder grote rol heeft gespeeld dan bij de verklaringen die aangeefster op 16 april 2019 (ten overstaan van de raadsheer-commissaris) en 19 mei 2020 (ter terechtzitting in hoger beroep) heeft afgelegd.

Bewijsoverweging ad 2

Aangeefster heeft tegenover de politie meerdere uitgebreide verklaringen afgelegd, zoals hiervoor (onder Bewijsoverweging ad 1) reeds is overwogen. Haar verklaringen omtrent het onder 1 en 2 ten laste gelegde houden in de kern het navolgende in.

Volgens aangeefster hebben zij en verdachte elkaar in 2008 leren kennen en hebben zij na enige tijd een relatie gekregen. Hoewel de relatie aanvankelijk goed verliep, veranderde het gedrag van verdachte na verloop van tijd. In februari 2010 heeft de eerste mishandeling plaatsgevonden. Aangeefster heeft daaromtrent verklaard dat zij thuiskwam en dat zij verdachte direct achter de voordeur zag staan toen zij de deur opende. Verdachte trok haar vervolgens met kracht aan haar haren, waardoor zij ten val kwam. Hierop sleurde verdachte aangeefster aan haar haren de woonkamer in. Terwijl aangeefster nog op de grond lag, schopte verdachte met geschoeide voet tegen haar benen en rug. Aangeefster probeerde op te staan, maar dat lukte niet doordat verdachte met zijn vuisten in haar gezicht sloeg. Aangeefster heeft verklaard dat zij ten gevolge van deze mishandeling overal pijn had en dat haar gezicht blauw en opgezwollen was. Volgens aangeefster is verdachte haar vanaf dat moment volledig gaan controleren en mishandelde hij haar regelmatig. Indien haar houding verdachte niet aanstond, werd zij geschopt en geslagen. Omtrent een aantal gebeurtenissen heeft aangeefster een specifieke verklaring afgelegd.

In de eerste plaats heeft aangeefster een verklaring afgelegd omtrent een geweldsincident in december 2013. Volgens aangeefster wond verdachte zich op over het feit dat er buiten vuurwerk werd afgestoken, omdat zijn honden daar bang voor waren. Toen aangeefster tegen verdachte zei dat zij er niets aan kon doen en dat verdachte moest proberen zich een paar dagen in te houden en het te accepteren begon verdachte tegen haar te schreeuwen en pakte hij in de keuken een keukenmes uit het messenblok. Hierop liep verdachte met het mes in zijn hand naar aangeefster toe en duwde hij het mes hard tegen haar keel. Aangeefster heeft verklaard dat zij voelde dat het mes in haar keel sneed. Nadat verdachte was weggelopen, is aangeefster naar de badkamer gegaan, waar zij zag dat er een bloedende wond op haar keel zat.

Verder heeft aangeefster verklaard omtrent een incident in het begin van het jaar 2017. Zij zat destijds op bed toen verdachte de slaapkamer binnenkwam en op haar benen ging zitten. Verdachte had een e-mailbericht van een collega van aangeefster gelezen en hij was hier boos over. Hierop pakte verdachte een kussen en duwde hij dat met kracht tegen haar gezicht. Volgens aangeefster bleef verdachte het kussen tegen haar gezicht drukken, waardoor zij geen lucht meer kreeg en in paniek raakte. Op enig moment liet verdachte het kussen los en zei hij tegen haar: “Ik hoop dat je nu wel gaat luisteren en dat je doet wat ik zeg zonder tegenspraak, anders wordt het nog erger!”

In de derde plaats heeft aangeefster een verklaring afgelegd omtrent een mishandeling op 3 april 2017, op welke dag zij samen met verdachte en [getuige 1] in haar woning aanwezig was. Aangeefster en verdachte waren in de slaapkamer van verdachte toen verdachte boos werd en haar met kracht tegen de deuren van de kledingkast duwde. Daarop gaf verdachte haar een knietje tegen haar linkerbovenbeen, direct boven haar knie. Vervolgens gaf hij aangeefster een knietje tegen haar rechterbovenbeen. Aangeefster heeft verklaard dat zij direct voelde dat er iets mis was met haar linkerbovenbeen en linkerknie. Circa drie weken later is zij naar de huisarts gegaan en heeft zij verteld dat verdachte haar had mishandeld. Hierop is aangeefster doorverwezen naar het ziekenhuis, waar een echo is gemaakt. Hieruit bleek volgens aangeefster dat haar bovenbeenspier was gescheurd.

Aangeefster heeft tevens verklaard dat verdachte haar een keer in haar gezicht had geslagen, waardoor zij een gat in haar bovenlip had. Zij is hierop naar de huisarts gegaan om de wond te laten hechten. Ook heeft aangeefster verklaard omtrent een incident waarbij verdachte haar heeft bedreigd door tegen haar te zeggen: “Als je dat doet, dan sla ik je neus achter in je gezicht, in je hersenen.”

Tot slot heeft aangeefster verklaard omtrent het incident dat heeft plaatsgevonden op de dag dat zij aangifte heeft gedaan, te weten 12 juni 2017. Aangeefster heeft verklaard dat zij die dag thuiskwam van haar werk en dat verdachte direct de voordeur achter haar dicht sloeg. Verdachte vroeg haar waarom zij haar telefoon niet had opgenomen. Plotseling trok verdachte het shirt van aangeefster kapot en duwde hij haar tegen de deur. Hierop opende aangeefster de deur en rende zij weg, maar verdachte kwam haar achterna en haalde haar in. Nadat hij haar had ingehaald, gooide hij aangeefster met kracht tegen de muur, ten gevolge waarvan aangeefster pijn aan haar schouder en pink heeft ondervonden. Na deze mishandeling is aangeefster direct naar het politiebureau gerend en heeft zij aangifte tegen verdachte gedaan, aldus aangeefster.

Uit de verklaringen van aangeefster volgt dat zij tot de hiervoor beschreven mishandeling van 12 juni 2017 nooit aangifte tegen verdachte heeft durven doen, omdat zij bang voor hem was. Omdat zij haar verhaal wel graag met iemand wilde delen, heeft zij een zevental brieven aan verbalisant [verbalisant 1] gestuurd. In deze brieven beschreef zij wat haar overkwam. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat hij brieven van aangeefster heeft ontvangen die dateerden van 16 augustus 2012, 17 augustus 2012, 10 oktober 2012, 1 november 2012, 11 januari 2013, april 2017 en 12 juni 2017.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde brieven blijkt dat sprake is geweest van jarenlange mishandelingen en bedreigingen door verdachte. Uit deze brieven blijkt namelijk dat aangeefster op meerdere momenten gedurende de onder 1 en 2 ten laste gelegde pleegperiode heeft opgeschreven dat zij veelvuldig door verdachte werd mishandeld en bedreigd. Hoewel de brieven door aangeefster zelf zijn geschreven, is het hof van oordeel dat deze brieven als steunbewijs kunnen dienen, temeer nu zij zijn opgemaakt voordat aangeefster aangifte heeft gedaan. In een aantal gevallen zijn de brieven zelfs geruime tijd daarvoor geschreven en verstuurd.

Voorts is het hof van oordeel dat de verklaringen en brieven van aangeefster op essentiële punten worden ondersteund door voldoende andere bewijsmiddelen.

Zo heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar shirt kapot heeft getrokken voorafgaand aan de mishandeling op 12 juni 2017. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij direct na deze mishandeling naar het politiebureau is gegaan. Verbalisant [verbalisant 2] , zijnde de verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, heeft geconstateerd dat het shirt van aangeefster kapot was getrokken.

Daarnaast bevindt zich medische informatie betreffende aangeefster in het dossier. Deze medische informatie ondersteunt de verklaring die aangeefster omtrent de mishandeling op 12 juni 2017 heeft afgelegd. Aangeefster heeft immers verklaard dat verdachte op dat moment letsel heeft toegebracht aan haar schouder en pink, terwijl uit de medische informatie d.d. 13 juni 2017 blijkt dat bij onderzoek kneuzingen aan de rechterschouder en linkerpink van aangeefster zijn geconstateerd. Bovendien zijn er door de politie foto’s van aangeefster gemaakt. Deze foto’s maken onderdeel uit van het dossier en zijn weergegeven op dossierpagina’s 58 tot en met 63. Op voornoemde foto’s heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2020 letsel waargenomen, waaronder verkleuringen op de linkerhand en onderarm van aangeefster. Voorts heeft het hof op één van de foto’s waargenomen dat de ene pink van aangeefster wat dikker was dan haar andere pink.

Verder wijst het hof in dit verband op de getuigenverklaring die verpleegkundig specialist [getuige 5] tegenover de politie heeft afgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat in het patiëntendossier van aangeefster melding is gemaakt van meerdere consulten waarbij letsel is vastgesteld dat verband zou kunnen houden met (huiselijk) geweld. Zo staat daarin vermeld dat aangeefster in oktober 2011 met een wond boven haar lip bij de waarnemend huisarts is geweest. Aangeefster zou destijds hebben gezegd dat dit letsel door haar partner was toegebracht. Het patiëntendossier vermeldt blijkens de verklaring van voornoemde getuige voorts dat aangeefster in juli 2012 heeft verteld dat zij tijdens het volleyballen een knie tegen haar bovenbeen heeft gekregen. Het hof stelt in dit kader vast dat aangeefster in haar brief aan verbalisant [verbalisant 1] d.d. 16 augustus 2012 heeft geschreven dat verdachte haar op 4 juli 2012 een knietje had gegeven, dat zij hierdoor enorme pijn had en dat zij naar de huisarts is gegaan en aldaar heeft gezegd dat de blessure was ontstaan bij een wedstrijd handbal. Tot slot is in aangeefsters patiëntendossier melding gemaakt van een consult dat op 14 april 2017 heeft plaatsgevonden. Daarbij is opgetekend dat aangeefster naar aanleiding van een mishandeling door haar partner last had van haar linkerknie en haar bovenbeen. Blijkens de aantekening in het patiëntendossier had aangeefster destijds forse blauwe plekken.

De verklaringen van aangeefster worden tevens ondersteund door de verklaring van [getuige 2] , zijnde de moeder van verdachte. Zij heeft immers verklaard dat zij een keer heeft gezien dat de arm van aangeefster helemaal blauw was en dat aangeefster haar toen heeft verteld dat verdachte haar dit letsel had toegebracht.

Naar het oordeel van het hof worden de verklaringen van aangeefster voorts ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat hij (omstreeks) medio januari 2017 bij aangeefster en verdachte is gaan wonen en dat hij in het begin van zijn verblijf een keer in de woonkamer zat toen hij hoorde dat aangeefster en verdachte ruzie over hem hadden in de keuken. Hierop is [getuige 1] naar de keuken gerend, waar hij zag dat verdachte aangeefster sloeg. [getuige 1] heeft tevens verklaard dat aangeefster hem een keer een blauwe plek op haar been heeft laten zien en dat zij daarbij heeft verteld dat verdachte haar deze blauwe plek had toegebracht.

Tot slot is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster steun vinden in de verklaringen die haar zoon, [getuige 3] , op 24 juni 2017 (tegenover de politie) en 22 januari 2019 (ten overstaan van de raadsheer-commissaris) heeft afgelegd. Tegenover de politie heeft hij verklaard dat hij in de afgelopen zeven jaren meerdere malen heeft gezien dat aangeefster door verdachte werd mishandeld. [getuige 3] heeft destijds tevens verklaard omtrent een incident waarbij hij een keer door verdachte is geslagen toen hij op school het cijfer ‘1’ had gehaald. Volgens hem probeerde aangeefster hem destijds tegen verdachte te beschermen, waarna zij de volle laag kreeg. Tot slot heeft [getuige 3] tegenover de politie verklaard dat hij regelmatig blauwe plekken op het lichaam van aangeefster heeft gezien en dat hij heeft gezien dat aangeefster moeilijk liep. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [getuige 3] een in de kern gelijkluidende verklaring afgelegd. In aanvulling op hetgeen hij tegenover de politie heeft verklaard, heeft hij ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij een keer heeft gezien dat verdachte aangeefster met een mes heeft bedreigd en dat hij in de periode van 2011 tot 2017 regelmatig heeft gezien dat verdachte aangeefster schopte, sloeg en duwde.

Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 3] te twijfelen, temeer niet nu hij niet alleen belastend over verdachte heeft verklaard, maar ook positieve eigenschappen van verdachte heeft benoemd. Zo heeft hij verklaard dat verdachte een vaderfiguur voor hem was, dat hij veel zaken met verdachte kon bespreken en dat verdachte hem steunde. Het hof merkt in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 3] voorts nog op dat de enkele omstandigheid dat hij ten overstaan van de raadsheer-commissaris zaken heeft verklaard die hij tegenover de politie niet heeft verklaard niet maakt dat het hof zijn verklaringen onbetrouwbaar acht. Het hof ziet, mede gelet op de inhoud van andere bewijsmiddelen die steun bieden aan zijn verklaringen, ook overigens geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 3] te twijfelen, zodat het hof zijn verklaringen tot het bewijs zal bezigen.

Op grond van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster – die op dat moment zijn levensgezel was – gedurende de onder 1 ten laste gelegde periode meerdere malen heeft mishandeld.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde bedreigingen merkt het hof in de eerste plaats op dat deze bedreigingen niet door getuigen zijn gehoord of gezien. De verklaringen van aangeefster omtrent de onder 1 ten laste gelegde mishandelingen worden echter door meerdere bewijsmiddelen ondersteund, zoals hiervoor reeds is overwogen. Bovendien heeft [getuige 3] ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij een keer heeft gezien dat verdachte aangeefster met een mes heeft bedreigd. Hoewel uit de verklaring van [getuige 3] niet kan worden afgeleid dat het laatstgenoemde incident ziet op een onder 2 ten laste gelegde bedreiging (waarbij verdachte een mes op de keel van aangeefster zou hebben geduwd), is het hof van oordeel dat hierin wel degelijk steun kan worden gevonden voor de verklaringen die aangeefster omtrent de ten laste gelegde bedreigingen heeft afgelegd.

Gelet op het vorenstaande, alsmede in aanmerking genomen dat de ten laste gelegde bedreigingen passen bij de agressie die blijkt uit de bewezen geachte mishandelingen, ziet het hof geen enkele aanleiding om te twijfelen aan het deel van de verklaringen van aangeefster dat betrekking heeft op de ten laste gelegde bedreigingen. Het hof is van oordeel dat de ondersteunende bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, in combinatie met de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 3] , voldoende steun bieden om het onder 2 ten laste gelegde bewezen te achten. De omstandigheid dat voor de ten laste gelegde bedreigingen geen direct bewijsmiddel voorhanden is dat de verklaringen van aangeefster bevestigt, vormt naar het oordeel van het hof dan ook geen beletsel om tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde te kunnen komen.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster gedurende de onder 2 ten laste gelegde periode meerdere malen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een mes op haar keel te duwen en door een kussen in haar gezicht te duwen en daarbij te zeggen dat hij hoopt dat zij nu wel gaat luisteren en zonder tegenspraak doet wat hij zegt, omdat het anders nog erger wordt. Voorts acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd met zware mishandeling door tegen haar te zeggen dat hij haar neus achter in haar gezicht, in haar hersenen zou slaan als zij al haar inkomsten zou gaan opgeven bij de Belastingdienst.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen. Ook hetgeen hieromtrent overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Bewijsoverweging ad 3

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat aangeefster uitgebreide verklaringen heeft afgelegd omtrent de onder 1 ten laste gelegde mishandelingen en de onder 2 ten laste gelegde bedreigingen. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar door geweld, door bedreiging met geweld en door bedreiging met smaad heeft gedwongen tot de afgifte van haar geld aan verdachte. Aangeefster heeft onder andere verklaard dat verdachte haar, nadat zij in januari 2013 haar eigen onderneming was begonnen, heeft gedwongen om twee zakelijke bankrekeningen te openen. Op beide bankrekeningen diende een deel van de inkomsten van aangeefster te worden uitbetaald. De inkomsten die op de ene bankrekening werden uitbetaald mocht aangeefster van verdachte opgeven aan de Belastingdienst, maar de inkomsten die op de andere bankrekening werden uitbetaald mochten van verdachte niet aan de Belastingdienst worden opgegeven. Volgens aangeefster beheerde verdachte de bankpas van de ‘zwarte’ bankrekening. Het geld dat op die bankrekening werd gestort, werd door verdachte uitgegeven. Aangeefster heeft verklaard dat zij het absoluut niet eens was met het idee van verdachte om een ‘zwarte’ bankrekening te openen. Verdachte zou haar echter hebben gedwongen door haar te slaan, te schoppen en aan haar haren te trekken en door tegen haar te zeggen dat hij haar opdrachtgevers te kennen zou geven dat zij niet integer zou zijn als zij niet zou meewerken aan het hiervoor genoemde plan van verdachte. Toen aangeefster tegen verdachte zei dat zij zich echt niet goed voelde bij dit plan en dat zij al haar inkomsten wilde gaan opgeven bij de Belastingdienst, heeft verdachte haar bedreigd door tegen haar te zeggen dat hij haar neus achter in haar gezicht, in haar hersenen zou slaan indien zij dat zou gaan doen. Aangeefster heeft verklaard dat zij uit angst voor verdachte deed wat hij wilde. Van het geld van aangeefster heeft verdachte onder andere horloges, auto’s, motoren, motorkleding, motorhelmen, motorlaarzen, een bar en een biljart gekocht. Aangeefster heeft in dit kader tot slot verklaard dat zij verdachte geen toestemming heeft gegeven om gebruik te maken van haar geld of van haar bankrekeningen en dat verdachte alle hiervoor genoemde goederen zonder haar toestemming heeft gekocht.

Omtrent het onder 4 ten laste gelegde heeft aangeefster in de kern verklaard dat verdachte haar met geweld heeft geprobeerd te dwingen haar woning aan [getuige 4] , zijnde de zoon van verdachte, te verkopen. Ook zou verdachte haar hebben geprobeerd te dwingen een geldbedrag ter hoogte van € 100.000,00 aan voornoemde zoon van verdachte te schenken. Toen aangeefster te kennen gaf dat zij haar woning niet aan de zoon van verdachte wilde verkopen en dat zij die zoon voornoemd geldbedrag niet wilde schenken, heeft verdachte haar tegen een kast geduwd, heeft hij haar een knietje tegen het bovenbeen gegeven en heeft hij zijn knie tegen het bovenbeen van aangeefster geduwd en geduwd gehouden. Uit angst voor hetgeen verdachte haar zou kunnen aandoen indien zij niet zou meewerken aan de hiervoor genoemde verkoop en schenking, heeft aangeefster hier (uiteindelijk) mee ingestemd. De verkoop en schenking zijn uiteindelijk echter niet doorgegaan, omdat aangeefster enkele dagen voordat de notariële akte zou worden ondertekend aangifte tegen verdachte heeft gedaan en de verkoop heeft afgeblazen.

Ook in de brieven die aangeefster aan verbalisant [verbalisant 1] heeft geschreven – waaromtrent het hof onder Bewijsoverweging ad 2 reeds heeft overwogen dat deze naar het oordeel van het hof als steunbewijs kunnen dienen – heeft aangeefster te kennen gegeven dat verdachte zonder haar toestemming allerlei voorwerpen van haar geld kocht en dat zij het hier niet mee eens was, maar dat zij door de mishandelingen en bedreigingen werd gedwongen met lede ogen toe te zien hoe verdachte haar geld spendeerde. Voorts heeft zij in één van haar brieven aan [verbalisant 1] te kennen gegeven dat zij door verdachte werd gedwongen haar woning aan de zoon van verdachte te verkopen en aan voornoemde zoon een geldbedrag ter hoogte van € 100.000,00 te schenken. Uit deze brief blijkt dat aangeefster niet wilde meewerken aan de verkoop en schenking, omdat zij daardoor een groot deel van haar bezittingen zou kwijtraken en zij haar eigen kinderen hiermee zou benadelen.

Het hof is – anders dan de verdediging – in de eerste plaats van oordeel dat de verklaringen en brieven van aangeefster omtrent het onder 3 ten laste gelegde voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, met name in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 3] .

Zo heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte een keer een auto had gekocht voor een bedrag van € 40.000,00 en dat aangeefster het daar niet mee eens was. Volgens [getuige 1] werd aangeefster kwaad op verdachte omdat hij voornoemde aankoop had gedaan, waarop verdachte zei dat het zijn geld was en dat hij daarmee deed wat hij wilde.

Ook de verklaring van [getuige 3] ondersteunt de verklaringen die aangeefster omtrent de onder 3 ten laste gelegde afpersingen en afdreigingen heeft afgelegd. Zo heeft [getuige 3] verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat aangeefster financieel werd benadeeld door verdachte, dat verdachte dagelijks wat kocht (waaronder dure spullen) en dat verdachte dit altijd met het geld van aangeefster betaalde. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat verdachte over twee bankpassen van aangeefster beschikte en dat de uitgaven altijd via verdachte verliepen. Verder heeft [getuige 3] verklaard dat bij verdachte alles moet gaan zoals hij het wil en dat aangeefster altijd moest doen wat verdachte zei.

Daar komt bij dat de verklaringen van aangeefster omtrent de onder 1 ten laste gelegde mishandelingen door meerdere bewijsmiddelen worden ondersteund, zoals hiervoor (onder Bewijsoverweging ad 2) reeds is overwogen. Hierin ziet het hof steun voor het bewijs van het onder 3 ten laste gelegde. Door de mishandelingen, bedreigingen met geweld en de bedreiging met smaad heeft verdachte immers een situatie van angst en onderdrukking gecreëerd waarin aangeefster werd gedwongen een ‘zwarte’ bankrekening te openen, de bankpas aan verdachte ter beschikking te stellen en toe te zien hoe verdachte zich haar geld toe-eigende en uitgaf. Door de situatie die verdachte had gecreëerd was aangeefster, gelet op de bewijsmiddelen, naar het oordeel van het hof niet bij machte om hier verandering in te brengen.

Op grond van de in de bewijsbijlage weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster gedurende de onder 3 ten laste gelegde pleegperiode heeft afgeperst en afgedreigd door haar te mishandelen en te bedreigen met geweld en met smaad.

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde poging tot afpersing van de woning van aangeefster en een aan haar toebehorend geldbedrag ter hoogte van € 100.000,00 overweegt het hof in de eerste plaats dat de verklaringen van aangeefster en hetgeen zij in haar brieven heeft geschreven steun vinden in de verklaring van kandidaat-notaris [getuige 6] . Voornoemde [getuige 6] heeft immers verklaard dat hij in verband met de verkoop van de woning van aangeefster telefonisch contact met haar heeft gehad en dat zij hem toen heeft verteld dat zij haar woning moest verkopen. Weliswaar heeft [getuige 6] tevens verklaard dat aangeefster in april 2017 bij hem op kantoor is geweest terwijl aangeefster bij meerdere gelegenheden heeft ontkend dat dit het geval is geweest, maar naar het oordeel van het hof maakt deze tegenstrijdigheid niet dat de verklaring van [getuige 6] de verklaringen van aangeefster niet langer ondersteunt daar waar het de poging tot afpersing betreft. Of aangeefster nu wel of niet in april 2017 bij de notaris is geweest laat immers de bewezenverklaring daarvan onverlet. Het hof bezigt de verklaring van [getuige 6] dan ook tot het bewijs.

Het hof is voorts van oordeel dat de verklaringen van aangeefster ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde worden ondersteund door de bewijsmiddelen die het hof ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten tot het bewijs heeft gebezigd. Hieruit – alsmede uit de hiervoor weergegeven verklaringen van aangeefster – komt immers het beeld naar voren dat verdachte aangeefster mishandelde en bedreigde, (mede) teneinde zichzelf en zijn zoon te bevoordelen. Het hof is ook ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde van oordeel dat verdachte door de mishandelingen een zodanige situatie heeft gecreëerd dat aangeefster zich gedwongen heeft gevoeld om mee te werken aan het plan dat verdachte had bedacht om zichzelf en/of zijn zoon ten koste van aangeefster te bevoordelen.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de onder 4 ten laste gelegde periode heeft gepoogd aangeefster te dwingen haar woning aan zijn zoon te verkopen en zijn zoon een geldbedrag ter hoogte van € 100.000,00 te schenken.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen. Ook hetgeen hieromtrent overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Bewijsoverweging ad 4

Voor een veroordeling ter zake van smaad(schrift) is onder meer vereist dat het opzet van de verdachte was gericht op het aanranden van de eer en/of de goede naam van het slachtoffer.

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte brieven naar de gemeenten Venray, Woensdrecht, Valkenswaard, Echt-Susteren en Boxmeer heeft gestuurd en dat in die brieven staat dat aangeefster als werknemer van die betreffende gemeenten heeft gefraudeerd. Uit het politiedossier blijkt voorts dat verdachte achter enkele van deze brieven een deel van één van de verklaringen van aangeefster heeft gevoegd, waarin aangeefster heeft erkend (belasting)fraude te hebben gepleegd.

Naar het oordeel van het hof zijn bovenstaande gedragingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm erop gericht aangeefster in haar eer en goede naam aan te randen, temeer nu verdachte slechts dat deel van de verklaring van aangeefster achter enkele van zijn brieven heeft gevoegd waarin aangeefster zichzelf heeft belast. Hierdoor is bij de door verdachte aangeschreven gemeenten de indruk gewekt dat aangeefster doelbewust en ten behoeve van haar eigen financieel gewin belastingfraude heeft gepleegd, terwijl uit de overige inhoud van haar verklaringen blijkt dat zij heeft verklaard dat verdachte haar door middel van mishandelingen en bedreigingen heeft gedwongen voornoemde fraude te plegen. Verdachte heeft dan ook welbewust een onvolledige en mede ook daardoor onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Bij zijn oordeel heeft het hof tot slot de verklaring van verdachte betrokken die hij ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2019 heeft afgelegd, inhoudende dat hij de brieven uit boosheid heeft geschreven. Het hof is van oordeel dat uit zowel de hiervoor beschreven uiterlijke verschijningsvorm als uit voornoemde verklaring van verdachte blijkt dat het opzet van verdachte was gericht op het verstrekken van misleidende informatie over aangeefster aan meerdere gemeenten met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven en het aanranden van de eer en/of goede naam van aangeefster en niet op het waarschuwen van de opdrachtgevers van aangeefster voor de frauduleuze handelingen die zij verrichtte.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op tijdstippen gedurende de onder 6 ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijke verzoeken gedaan, ingeval het hof het onder 1, 2, 3 en/of 4 ten laste gelegde bewezen acht. Het eerste voorwaardelijke verzoek betreft het als getuige horen van een aantal autoverkopers en een motorverkoper teneinde aan te tonen dat aangeefster – anders dan zij zelf heeft verklaard – wel degelijk was betrokken bij de aankoop van de in de tenlastelegging onder 3 genoemde auto’s en motoren. Het tweede voorwaardelijke verzoek betreft het achterhalen van een afwijzingsbrief van de Rabobank, waaruit zou blijken dat aangeefster zelf als eerste heeft getracht om een hypotheek met een lagere hypotheekrente te verkrijgen en dat de aanvraag van aangeefster daartoe door de Rabobank is afgewezen. Tevens heeft de verdediging opgemerkt dat aangeefster de btw betaalde van de bankrekening en dat, indien het hof dat niet zou geloven, dit moet worden uitgezocht.

Het hof wijst voornoemde voorwaardelijke verzoeken af. Het hof acht een nader onderzoek niet noodzakelijk, nu het hof zich voldoende voorgelicht acht en het van oordeel is dat de verdediging al hetgeen van belang zou kunnen zijn voor de behandeling in hoger beroep naar voren heeft kunnen brengen. Het hof merkt in dit verband nog op dat een eventuele betrokkenheid van aangeefster bij de aankoop van enkele goederen dan wel het inwinnen van informatie over de mogelijkheid om de hypotheekrente te kunnen verlagen niet afdoet aan de omstandigheid dat aangeefster is gedwongen tot de afgifte van geld dan wel dat verdachte heeft gepoogd haar te dwingen tot de afgifte van haar woning en een geldbedrag van € 100.000,00. Ook de omstandigheid dat zij BTW zou hebben betaald van de bankrekening doet niet af aan de beslissing van het hof. Van een noodzaak tot het (laten) verrichten van nader onderzoek is aldus niet gebleken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, en bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

afpersing, meermalen gepleegd, en afdreiging, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

smaadschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet overschrijdt. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht het reeds geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zeven jaren schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn toenmalige levensgezel, aangeefster [slachtoffer] . Ook heeft hij haar door middel van afpersing en afdreiging veel geld afhandig gemaakt. Van dit geld kocht hij onder andere een groot aantal auto’s, meerdere motoren, (motor)kleding, horloges, een bar en een biljart. Daarnaast heeft verdachte door middel van geweld geprobeerd aangeefster ertoe te bewegen haar woning aan zijn zoon te verkopen en een geldbedrag van € 100.000,00 aan zijn zoon te schenken. De verkoop van de woning van aangeefster en de hiervoor genoemde schenking zouden gaan plaatsvinden op 16 juni 2017. Enkele dagen daarvoor is aangeefster, na wederom door verdachte te zijn mishandeld, echter in paniek naar het politiebureau gegaan om aangifte tegen verdachte te doen. Hierdoor heeft de afspraak bij de notaris geen doorgang gevonden.

Blijkens de door haar afgelegde verklaringen, waaronder de ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen, hebben de hiervoor genoemde bewezen verklaarde feiten het leven van aangeefster jarenlang tot een hel gemaakt. Uit de verklaringen die aangeefster heeft afgelegd volgt dat zij vanaf februari 2010 tot en met juni 2017 in angst en onderdrukking heeft geleefd. Uit angst voor represailles van verdachte in de richting van haar of haar familie had zij het gevoel dat zij geen kant op kon en niets anders kon doen dan de mishandelingen, bedreigingen en vernederingen te ondergaan en toe te zien hoe verdachte haar geld spendeerde.

Door te handelen zoals onder 1, 2, 3 en 4 bewezen is verklaard heeft verdachte het veiligheidsgevoel van aangeefster in en rondom haar huiselijke omgeving ernstig aangetast, terwijl zij zich juist in haar eigen woning en in de relatie met haar partner te allen tijde veilig en geborgd had moeten kunnen voelen. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van huiselijk geweld hiervan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de verklaringen van aangeefster blijkt ook dat de hierboven genoemde feiten een grote impact op haar leven hebben gehad en dat zij dat nog steeds hebben. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich volstrekt niet heeft bekommerd om het welzijn van aangeefster. Integendeel, verdachte heeft haar keer op keer mishandeld en bedreigd, onder meer teneinde haar te dwingen haar geld aan hem af te staan.

Zelfs toen verdachte in verband met de hiervoor genoemde feiten reeds in voorarrest verbleef, heeft hij geprobeerd invloed uit te blijven oefenen op het leven van aangeefster door vanuit het huis van bewaring waar hij verbleef brieven aan toenmalige opdrachtgevers van aangeefster te sturen, in welke brieven hij haar betichtte van het plegen van (belasting)fraude. Door aldus te handelen heeft verdachte de eer en/of goede naam van aangeefster aangetast. Bovendien kan het versturen van dergelijke brieven zeer nadelige gevolgen hebben voor het slachtoffer, zoals ook in de onderhavige zaak is gebleken. Naar aanleiding van de door verdachte verstuurde brieven zijn de werkzaamheden van aangeefster voor verschillende opdrachtgevers immers per direct stopgezet.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geweer en munitie. Het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich. Tegen het illegale bezit hiervan dient dan ook krachtig te worden opgetreden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 februari 2020. Hieruit blijkt dat verdachte gedurende de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde pleegperiode en voorafgaand aan de onder 4 bewezen verklaarde pleegperiode onherroepelijk is veroordeeld ter zake van meerdere mishandelingen. Zo heeft de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant verdachte op 13 oktober 2014 ter zake van twee mishandelingen veroordeeld tot een taakstraf (parketnummer 01-845004-14) en heeft dit hof verdachte op 3 december 2014 ter zake van één mishandeling veroordeeld tot een geldboete (parketnummer 20-001435-14). Gelet op deze veroordelingen is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheden dat verdachte inmiddels een relatie met een nieuwe partner heeft en dat hij voornemens is om in de nabije toekomst een eigen bedrijf op te starten.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat enkele componenten van de door verdachte gepleegde mishandelingen en bedreigingen zowel bij de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten als bij de onder 3 en/of 4 bewezen verklaarde feiten in de tenlastelegging zijn opgenomen, zodat eenzelfde handeling van verdachte niet dubbel wordt bestraft.

Naar het oordeel van het hof kan – in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de lange periode waarin deze feiten hebben plaatsgevonden – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alle omstandigheden afwegende is het hof, met de verdediging, van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet overschrijdt passend is. Voorts is het hof van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf in de onderhavige zaak geboden is. Met oplegging hiervan wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een contactverbod met [slachtoffer] en met de ouders van [slachtoffer] , alsmede een gebiedsverbod dat inhoudt dat verdachte zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning van aangeefster.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat verdachte in 2014 meerdere malen is veroordeeld ter zake van mishandeling en dat het hof in de onderhavige zaak bewezen heeft verklaard dat verdachte zich ook na 2014 heeft schuldig gemaakt aan geweldsdelicten, alsmede de omstandigheid dat de mishandelingen en bedreigingen van het slachtoffer gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden. Het hof zal aan het voorwaardelijke strafdeel dan ook een proeftijd van 5 jaren verbinden. Om diezelfde reden zal het hof bepalen dat de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Anders dan de rechtbank en door de advocaat-generaal gevorderd zal het hof het hiervoor genoemde contact- en gebiedsverbod niet tevens als afzonderlijke maatregelen (ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opleggen. Gelet op de hierna te noemen hoogte van de door het hof op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf, de duur van de hieraan verbonden proeftijd en de omstandigheid dat het hof zal bepalen dat de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, acht het hof het niet noodzakelijk een contactverbod of gebiedsverbod tevens in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Redelijke termijn

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld in welke mate dit het geval is. In dat verband merkt het hof in de eerste plaats op dat de redelijke termijn in beginsel 24 maanden na het instellen van hoger beroep bedraagt, tenzij zich een omstandigheid voordoet die maakt dat de redelijke termijn korter is. Zo bedraagt de redelijke termijn slechts 16 maanden indien een verdachte zich in verband met de aan de orde zijnde strafzaak in voorlopige hechtenis bevindt.

In het onderhavige geval bevindt verdachte zich ten tijde van de einduitspraak door het hof weliswaar niet meer in voorlopige hechtenis, maar heeft hij in de hoger beroepsfase wel een aanzienlijke periode (te weten: ruim 18 maanden) in voorlopige hechtenis verbleven. Nu verdachte in de hoger beroepsfase langer dan 16 maanden in voorarrest heeft doorgebracht, is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep in de onderhavige zaak 16 maanden bedraagt.

Nu namens verdachte op 29 december 2017 hoger beroep is ingesteld en het hof eerst op 22 juni 2020 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met circa 14 maanden overschreden. Deze termijnoverschrijding is weliswaar deels veroorzaakt door het onderzoek dat in de hoger beroepsfase op verzoek van de verdediging is verricht, maar komt naar het oordeel van het hof niet geheel voor rekening van verdachte. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Zonder schending van de redelijke termijn zou de door de rechtbank opgelegde straf – te weten (kort gezegd) een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest – naar het oordeel van het hof en in afwijking van de vordering van de advocaat generaal passend en geboden zijn geweest.

Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof zal aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een contactverbod met [slachtoffer] en met haar ouders, alsmede een gebiedsverbod dat inhoudt dat verdachte zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning van aangeefster. Voorts zal het hof bepalen dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Gelet op de duur van het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf (te weten: 24 maanden), alsmede gelet op de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (te weten: circa 25 maanden), is het hof van oordeel dat het reeds geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven. Het verzoek van de verdediging daartoe zal dan ook worden toegewezen.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen – te weten een geweer (Winchester 9422.22) en munitie (patronen .22) – vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu dit voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder 5 bewezen verklaarde is begaan, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.600,39, bestaande uit € 600,39 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De vordering is, voor zover betrekking hebbend op de materiële schade, als volgt opgebouwd:

  1. Reiskosten € 50,39

  2. Kosten van bereddering en het doen van aangifte € 250,00

  3. Bedrag dat door verdachte is gepind op 12 juni 2017 € 300,00

De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.600,39, bestaande uit € 600,39 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering merkt het hof op dat het heeft vastgesteld dat de gevorderde reiskosten – die betrekking hebben op het bezoeken van de officier van justitie (ten behoeve van een slachtoffergesprek) en de rechtbank (ten behoeve van het bijwonen van een tweetal zittingen) – dienen te worden aangemerkt als door de benadeelde partij gemaakte proceskosten en niet als materiële schade. Het hof begrijpt de vordering in het vervolg dan ook zoals hier beschreven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de schadeposten afzonderlijk van elkaar worden besproken.

Materiële schade

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade onder de posten 2 (kosten van bereddering en het doen van aangifte) en 3 (bedrag dat door verdachte is gepind op 12 juni 2017) overweegt het hof dat de hoogte van dit deel van de vordering door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet is betwist, terwijl de geleden schade door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Het hof acht de vordering ter zake van de materiële schade derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 550,00.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Voorts is het hof van oordeel dat de geleden immateriële schade voldoende is onderbouwd. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Totale schade en wettelijke rente

In totaal wijst het hof een bedrag van (€ 550,00 + € 5.000,00 =) € 5.550,00 aan schadevergoeding toe.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 december 2017 – zijnde de dag waarop de vordering is ingediend – tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2017 – zijnde de laatste dag van de onder 6 bewezen verklaarde periode – tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenveroordeling

Zoals hiervoor reeds is overwogen, dienen de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als door haar gemaakte proceskosten.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten in verband met het eenmaal bezoeken van de officier van justitie en het tweemaal bezoeken van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd, zodat de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten tot aan de datum van deze uitspraak worden begroot op een bedrag van € 50,39.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding ter zake van de geleden schade de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2017 (ten aanzien van de materiële schade) respectievelijk 28 juli 2017 (ten aanzien van de immateriële schade) tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 62 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 63, 261, 285, 300, 304, 317 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] en met de ouders van [slachtoffer] ;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de woning aan [adres slachtoffer] (zijnde de woning van [slachtoffer] ).

Beveelt dat voormelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een geweer, Winchester 9422.22, [wapennummer] (goednummer G1201013);

  • -

    munitie, patronen.22 (goednummer G1201370).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.550,00 (vijfduizend vijfhonderdvijftig euro), bestaande uit € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 50,39 (vijftig euro en negenendertig cent).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.550,00 (vijfduizend vijfhonderdvijftig euro), bestaande uit

€ 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan één van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 december 2017 en voor de immateriële schade op 28 juli 2017.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste, tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 22 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.