Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
20-003987-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003987-16

Uitspraak : 17 juni 2020

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 december 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-820509-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde witwassen van geldbedragen van in totaal € 83.691,95. Tevens heeft de politierechter de teruggave gelast van de inbeslaggenomen Audi S5 aan de verdachte.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 25.000,- (verband houdend met de aankoop van de personenauto Audi, type S5), en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de in beslag genomen personenauto zal verbeurd verklaren.

De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde en subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 mei 2016, te Breda, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), van meerdere grote (contante) geldbedragen (in totaal (ongeveer) EUR 83.691,95-), althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze (contante) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015, in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte een (contant) geldbedrag, te weten € 25.000,- voorhanden gehad en overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat dit (contante) geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte ten aanzien van het aan hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is en dat het openbaar ministerie heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar deze verklaring.

Inleiding

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel 'afkomstig uit enig misdrijf' niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp 'afkomstig is uit enig misdrijf', kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de uit die verklaring van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het voorwerp. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.

Het hof stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het voorwerp, te weten het geldbedrag van € 25.000 ten behoeve van de aanschaf van de personenauto, Audi S5, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , waarop de ten laste gelegde witwasgedragingen van de verdachte betrekking zouden hebben, van een concreet aangeduid misdrijf afkomstig is. Het hof dient daarom vast te stellen of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Vermoeden van witwassen
Het hof stelt dienaangaande de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit een bevraging bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer op 30 maart 2016 volgt dat de personenauto, merk Audi, type S5, voorzien van het kenteken [kentekennummer] sinds 28 juli 2015 op naam is gesteld van de verdachte. Op 31 maart 2016 is de verdachte in de desbetreffende personenauto aangetroffen en aangehouden op verdenking van witwassen. Uit de verklaring van de getuige [getuige] , eigenaar van het autobedrijf “ [bedrijf] ” te Enschede volgt dat hij de bovengenoemde personenauto op 28 juli 2015 heeft verkocht voor een bedrag van € 25.000,-. Hier is geen factuur van opgemaakt. De verkoop van de personenauto heeft niet plaatsgevonden door middel van een girale betaling, maar de koper, aan de hand van een aan [getuige] getoonde foto blijkt de verdachte, heeft contant betaald. Hiertoe had de verdachte bankbiljetten van € 10,- en € 20,- bij zich in een plastic tas.

Tijdens een verhoor bij de politie op 22 oktober 2015, in een andere strafzaak, welk verhoor is gevoegd in onderhavig politiedossier, heeft de verdachte verklaard dat hij geen werk heeft en dat als hij geld nodig heeft, hij dit krijgt van zijn moeder. Ook de rekeningen worden betaald door zijn moeder. Bij het verhoor op 31 maart 2016 heeft de verdachte, naast dat hij geen werk heeft, verklaard dat hij geen uitkering ontvangt, geen inkomen heeft, maar wel schulden. Hij woont in de woonwagen van zijn moeder, zij betaalt de vaste lasten ook, en iedereen zorgt voor elkaar op het kamp. Als hij geld nodig heeft, wordt er geld gedeeld onder de verschillende families op het kamp, aldus de verdachte.

Bij de beantwoording van de vraag of het niet anders kan zijn dan dat deze personenauto met een geldbedrag is aangekocht dat uit enig misdrijf afkomstig is, kan acht worden geslagen op de door de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) vastgestelde lijst met zogenaamde witwastypologieën. Het gaat hierbij om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit de hiervoor gerelateerde bevindingen rijst het vermoeden dat op de verdachte de volgende witwastypologieën van toepassing zijn:

  • -

    bij fysiek vervoer van grote bedragen in contanten: het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich;

  • -

    het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld, zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf of beroep;

  • -

    het feit dat de handel in verdovende middelen veel geld in kleine coupures oplevert.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden en de verklaringen van de verdachte, waarbij de voormelde uitgangspunten in ogenschouw worden genomen, is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het vermoeden van witwassen. Nu op grond van het voormelde het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp, te weten het geldbedrag van € 25.000 ten behoeve van de aanschaf van de personenauto, merk Audi, type S5, uit enig misdrijf afkomstig is wordt gerechtvaardigd, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie op 31 maart 2016 aangaande de inbeslaggenomen personenauto verklaard dat hij veel vrouwen heeft gehad die hem geld gaven en dat hij daarnaast schenkingen heeft ontvangen. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij vanaf zijn 18e jaar in een grote auto rijdt en dat hij deze auto’s om de twee jaren omruilt en dat dit langzaam zo is opgebouwd. De inruilwaarde van een eerder op zijn naam gestelde BMW is waarschijnlijk ook deels gebruikt voor de aanschaf van de personenauto in kwestie. Met betrekking tot de aankoop van deze personenauto heeft de verdachte verklaard dat hij niet weet voor welk bedrag de auto is gekocht en dat hij niet aanwezig was bij de aankoop, nu iemand anders dit voor hem heeft geregeld. Op een gegeven moment was de Audi er ineens en toen heeft de verdachte deze personenauto op zijn naam gezet.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij wel degelijk aanwezig was bij de aankoop van de desbetreffende personenauto, nadat de getuige [getuige] , eigenaar van het autobedrijf “ [bedrijf] ”, bij de politie de verdachte heeft herkend op een foto als zijnde de persoon die tot tweemaal toe bij het autobedrijf is geweest en de personenauto in kwestie heeft gekocht. Voorts heeft de verdachte bij de politierechter ten aanzien van de herkomst van het geldbedrag voor de aankoop van de Audi verklaard dat hij voor de verkoop van zijn auto (het hof begrijpt de personenauto van het merk BMW) een bedrag van € 10.000,- heeft ontvangen, dat hij eenmalig een geldbedrag heeft ontvangen van de verzekeringsmaatschappij en dat hij

€ 5.000,- heeft geleend van zijn opa. Hij zou inmiddels twintig tot vijfentwintig auto’s op zijn naam hebben gehad, omdat hij steeds geld aan de kant zette om een nieuwere auto te kopen.

Nader onderzoek

Uit bevindingen van de Belastingdienst d.d. 4 mei 2016 blijkt dat van de verdachte geen inkomsten bekend zijn en hij vanaf 2010 geen aangifte voor de inkomstenbelasting doet. Tevens ontvangt de verdachte ook geen toeslagen. De verdachte heeft twee bankrekeningen op zijn naam staan, te weten [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] , waarvan het totaalsaldo per 1 januari 2016 € 8,- bedroeg. Ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal had de verdachte een belastingschuld van € 3.625,-.

Naar aanleiding van de gegevens van de Belastingdienst zijn op 15 juni 2016 bij de ABN Amro Bank N.V. de gegevens gevorderd van de bankrekeningnummers van de verdachte, te weten van de rekeningnummers [bankrekeningnummer 1] , [bankrekeningnummer 3] en [bankrekeningnummer 4] (vervallen 13 juni 2013). De digitaal verstrekte bankmutaties van deze bankrekeningen zijn geanalyseerd en aan de hand daarvan is een kasopstelling gemaakt over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 mei 2016. Uit de bankanalyse bleek dat er in die periode nagenoeg geen betaalautomaattransacties hebben plaatsgevonden. Op basis van het Nibud Budgethandboek is een berekening gemaakt wat de verdachte uitgegeven zou moeten hebben voor onder andere levensonderhoud. Samengevat bleek hieruit het navolgende:

Totaalbedrag aan pinbetalingen voor kosten levensonderhoud: € 3.889,49
Totaal contante opnames o.a. te besteden aan kosten levensonderhoud: € 5.450,00

Totaal: € 9.339,49


Minus totaalbedrag kosten levensonderhoud volgens de Nibud-normen: € 37.271,44
Tekort in kas: € 27.931,95

Daarnaast de volgende contante uitgaven:
Uitgaven door contante stortingen op bankrekening: € 30.760,00

Contante uitgaven Audi, type S5 (bron: getuigenverklaring): € 25.000,00

Onverklaarbaar vermogen: € 83.691,95

Tevens zijn de belastinggegevens van [moeder verdachte] gevorderd op 27 mei 2016. Uit deze gegevens blijkt, samengevat, dat bij de Belastingdienst niets bekend is over het kapitaal wat op naam zou staan van [moeder verdachte] . Bovendien zijn er vanaf 2008 geen looninkomsten en ook geen bankgegevens bekend en heeft zij in Nederland een belastingschuld van € 6.346,-.

Conclusie

Het hof constateert allereerst dat de verdachte niet consistent heeft verklaard. Het gedeelte van zijn verklaring bij de politie omtrent zijn afwezigheid bij de aankoop van de personenauto Audi S5 is zelfs leugenachtig, nu hij wel degelijk degene is geweest die bij het autobedrijf “ [bedrijf] ” de auto heeft gekocht. Uit het onderzoek van het openbaar ministerie volgt dat de verdachte en zijn moeder geen inkomen hebben, dat beiden schulden hebben en dat de verdachte een aanzienlijk bedrag aan onverklaarbaar vermogen heeft. Deze resultaten zijn niet te rijmen met de verklaring van de verdachte dat zijn moeder zijn rekeningen betaald en dat hij af en toe eens iets toegestopt krijgt van de bewoners van het kamp. Het hof acht deze verklaring dan ook ongeloofwaardig en schuift deze verklaring terzijde.

Met betrekking tot de overige verklaringen van de verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag waarmee de personenauto is aangekocht, is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als een verklaring kan worden aangemerkt die voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is waaruit blijkt dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Dienaangaande overweegt het hof als volgt:

Ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat een deel van het geldbedrag van de aankoop van de personenauto in kwestie afkomstig is van een uitkering van een verzekeringsmaatschappij en van een lening van zijn opa, is het hof van oordeel dat dit terzijde dient te worden geschoven. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie niet verklaard dat de personenauto deels hiermee zou zijn aangekocht. Tevens verklaart dit de omstandigheid dat de verdachte met bankbiljetten van € 10,- en € 20,- de auto heeft gekocht niet.

Voor wat betreft de verklaring van de verdachte dat de personenauto deels gefinancierd is met een geldbedrag uit de verkoop van de BMW, merkt het hof dat het begin van iedere aannemelijkheid hiertoe ontbreekt, nu uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat hij de BMW niet inruilwaardig vond, nu deze rondom schade had. Tevens blijken uit de verklaring van de verdachte geen concrete, verifieerbare gegevens waaruit de verkoop van deze BMW zou kunnen worden aangetoond. Dit geldt ook voor de verklaring van de verdachte dat hij al jaren auto’s koopt en doorverkoopt. Hiertoe heeft hij geen aanknopingspunten of gegevens overgelegd, waaruit zou blijken dat hij hiermee geld heeft verdiend. Dit is ook van toepassing op de stelling van de verdachte dat hij geld heeft gekregen van verschillende vrouwen.

Gelet op deze stand van zaken komt het hof op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het contante geldbedrag van € 25.000 waarmee de onderhavige Audi door de verdachte is aangekocht onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof verzocht geen straf op te leggen aan de verdachte, dan wel te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een fors geldbedrag. Het plegen van een dergelijk strafbaar feit vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Deze werking wordt versterkt indien het geld als vermeend legaal geld wordt aangewend in de legale economie. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand. De verdachte heeft zich daar kennelijk niets van aangetrokken en slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 24 maart 2020, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit voormeld uittreksel volgt eveneens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht meermalen van toepassing is, gelet op onder meer het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 26 april 2019 in verband met overtreding van artikel 3C van de Opiumwet, waarbij – samengevat – 6 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk is opgelegd, alsmede een taakstraf van 100 uren. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, waaronder de omstandigheid dat verdachte in België tot 6 mei 2020 voorlopig gehecht heeft gezeten.

Gelet op het bovenstaande en in het bijzonder de aard en de ernst van het feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Van omstandigheden die dit oordeel anders zouden kunnen maken, is niet gebleken.

Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. De officier van justitie heeft op 29 december 2016 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas bij arrest van heden, 17 juni 2020, arrest wijst. Derhalve is er sprake van een overschrijding van ongeveer anderhalf jaar. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf.

Het hof is van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken passend zou zijn geweest. Echter, gelet op vorenstaande genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken passend is.

Beslag

Het hierna in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten

een personenauto, Audi S5, voorzien van kenteken [kentekennummer] (G1396578).

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. J. Platschorre, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 17 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.