Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2045

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
200.264.756_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene wordt op dit moment niet (meer) in staat geacht om zijn (niet-) materiële belangen waar te nemen. Er is mogelijk sprake van een aanzienlijk vermogen. Niet kan worden uitgesloten dat er zich op vermogensrechtelijk gebied een belangentegenstelling kan voordoen tussen de betrokkene en de gevolmachtigde, zodat het hof een beschermingsmaatregel op zijn plaats acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 2 juli 2020

Zaaknummer: 200.264.756/01

Zaaknummer eerste aanleg: 7675066 CU VERZ 19-69

in de zaak in hoger beroep van:

[de zoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de zoon,

advocaat: mr. W.G.M.M. van Montfort,

inzake het verzoek tot ondercuratelestelling van:

[de betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, thans verblijvende in verzorgingstehuis [verzorgings-/verpleegtehuis] , locatie [locatie] te [plaats] , hierna te noemen: de betrokkene.

Als overige belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

  • -

    [de dochter] , dochter van de betrokkene, bijgestaan door mr. J.F.E. Kikken, hierna te noemen: de dochter;

  • -

    [de broer] , broer en tevens gevolmachtigde van de betrokkene, hierna te noemen: de gevolmachtigde.

Als informant in deze zaak wordt aangemerkt: mr. [de beoogde curator] , de door de zoon beoogde curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2019, heeft appellant verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - naar het hof begrijpt, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 november 2020, heeft de dochter verzocht om het verzoek van de zoon in hoger beroep af te wijzen dan wel te ontzeggen, dan wel de zoon in dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, kosten rechtens.

2.3.

De meervoudige kamer van het hof heeft de zaak op grond van artikel 16 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de zoon, bijgestaan door mr. Van Montfort;

  • -

    de dochter, bijgestaan door mr. Kikken.

2.3.1.

Als informant is mr. [de beoogde curator] verschenen en gehoord.

2.3.2.

De betrokkene en de gevolmachtigde zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 16 mei 2019;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van appellant d.d. 23 september 2019;

  • -

    stukken, overgelegd door de advocaat van appellant, ter griffie ontvangen op 13 januari 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, het verzoek van de zoon tot ondercuratelestelling van de betrokkene, dan wel het subsidiaire verzoek tot het instellen van een bewind over de (toekomstige) goederen van de betrokkene, afgewezen.

3.2.

De zoon kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

De zoon voert, kort samengevat, het volgende aan.

De kantonrechter is op basis van onjuiste en onvolledige informatie tot zijn beslissing gekomen en hij heeft het verzoek tot ondercuratelestelling, dan wel onderbewindstelling ten onrechte afgewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat de betrokkene zijn broer heeft gevolmachtigd om hem - kort gezegd - te vertegenwoordigen en namens hem al hetgeen te verrichten dat in het belang van de vader nuttig, nodig of wenselijk is. De gevolmachtigde heeft bij de kantonrechter aangegeven dat hij slechts sporadisch van deze bevoegdheden gebruik maakt en dat de betrokkene een AOW-uitkering ontvangt en een vermogen heeft van ongeveer € 10.000,-.

Deze informatie is echter niet juist. De betrokkene is aandeelhouder en bestuurder van [beheer] Beheer B.V. en de Stichting Administratiekantoor [stichting] . De gevolmachtigde heeft met opzet onjuiste en onvolledige informatie verstrekt. De zoon schat de waarde van de B.V. op circa twee à tweeëneenhalf miljoen euro.

De volmacht dateert van 1 augustus 2018. De zoon heeft twijfels of de betrokkene op het moment van tekenen nog wilsbekwaam was, aangezien de betrokkene sinds 2016 signalen vertoonde van dementie en de betrokkene een aantal maanden na het afgeven van de volmacht is opgenomen. De gevolmachtigde heeft een grote bevoegdheid, terwijl er geen toezicht is en hij tegenstrijdige belangen heeft. Het is van belang dat er een neutraal persoon, die onder toezicht staat van de kantonrechter, de belangen van de betrokkene behartigt.

De betrokkene en zijn erfgenamen hebben er recht op om te weten hoe groot het vermogen van de betrokkene is en wat er met zijn financiële middelen wordt gedaan. Het valt niet uit te sluiten dat de broers van de betrokkene, waaronder de gevolmachtigde, hun machtspositie aanwenden om hun eigen belangen en het belang van hun kinderen boven het belang van de betrokkene te plaatsen.

3.4.

De dochter voert, kort samengevat, het volgende aan.

De betrokkene verblijft in een verzorgingstehuis en zijn belangen worden waar nodig door de gevolmachtigde behartigd, tot tevredenheid van de betrokkene zelf en van de dochter.

De betrokkene is sinds jaar en dag met twee broers, waaronder de gevolmachtigde, certificaathouder van [beheer] Beheer B en de broers van de betrokkene regelen als bestuurders hetgeen in het belang van de B.V. en de daaraan verbonden Stichting Administratiekantoor [stichting] noodzakelijk is. Ook dit verloopt naar volle tevredenheid van de betrokkene.

De zoon, die door de ouders is onterfd, probeert op oneigenlijke gronden inzicht te krijgen in, en invloed uit te oefenen op, de financiën van de betrokkene. De maatregelen van curatele en bewind zijn daar niet voor bedoeld. De zoon heeft recht op zijn legitieme portie in de nalatenschap van de moeder en hij heeft recht op de stukken die voor de berekening hiervan noodzakelijk zijn. Dit wordt niet betwist. De zoon wenst echter meer inzage dan op grond van zijn recht als legitimaris noodzakelijk is, zoals inzage in stukken van de vennootschap. De directie van vennootschap kan hier niet zonder meer mee akkoord gaan.

De betrokkene was wel degelijk wilsbekwaam op het moment dat hij de volmacht heeft getekend en verstrekt. Enkele weken nadien heeft hij nog een verklaring van erfrecht afgegeven en heeft de notaris er geen bezwaar in gezien dat de betrokkene de erfenis van zijn overleden echtgenote zuiver heeft aanvaard. De volmacht kan min of meer gelijk worden gesteld met een levenstestament.

Het duurt echter enige tijd voordat de waarde van de aandelen van de B.V. is vastgesteld. De accountant en fiscalist van de vennootschap zijn hiermee bezig. Het is daarbij van belang dat er ten aanzien van deze waarde ook overeenstemming is met de Belastingdienst. Dit maakt dat de legitieme portie van de zoon nog niet berekend kan worden.

3.5.

Mr. [de beoogde curator] heeft ter mondelinge behandeling aangegeven dat hij nog steeds bereid is om als curator van de betrokkene te worden benoemd. Indien het hof echter zou overgaan tot het instellen van een bewind, dan ziet mr. [de beoogde curator] af van een benoeming tot bewindvoerder.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de rechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;

  2. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

3.6.2.

Op grond van de stukken en het besproken ter mondelinge behandeling overweegt het hof als volgt.

Vaststaat dat bij betrokkene sprake is van een voortgaand dementerend proces en dat hij op grond van zijn geestelijke toestand op dit moment niet (meer) in staat kan worden geacht om zijn (niet-) materiële belangen waar te nemen.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de niet-materiële belangen van de betrokkene voldoende zijn gewaarborgd doordat hij thans is opgenomen op de gesloten afdeling van een verpleeginrichting en doordat de dochter, waar nodig, voor de behartiging van die belangen zorg draagt.

Ten aanzien van de materiële belangen van de betrokkene oordeelt het hof anders.

De zoon heeft aangevoerd dat de behartiging van betrokkens materiële belangen onvoldoende is gewaarborgd met de volmacht die in 2018 door de betrokkene aan zijn broer, de gevolmachtigde, is afgegeven.

Met de zoon is het hof van oordeel dat ten tijde van de beoordeling door de kantonrechter onvolledige gegevens voor handen waren over de omvang van de bezittingen c.q. het vermogen van de betrokkene. Immers, de gevolmachtigde heeft ter mondelinge behandeling in eerste aanleg niet gemeld dat betrokkene voor een derde deel aandeelhouder is van [beheer] Beheer B.V., waarbij zijn beider broers (waaronder de gevolmachtigde) de andere aandeelhouders zijn en hij heeft daarbij verklaard dat het vermogen van de betrokkene niet groot is. De kantonrechter heeft zich derhalve geen goed beeld kunnen vormen over de omvang van het vermogen van de betrokkene, terwijl niet kan worden uitgesloten dat er bij de betrokkene sprake is van een aanzienlijk vermogen.

Verder kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat er zich op vermogensrechtelijk gebied een belangentegenstelling kan voordoen tussen de betrokkene en de gevolmachtigde. Om die reden acht het hof een beschermingsmaatregel ten aanzien van de bezittingen c.q. het vermogen van betrokkene op zijn plaats, zodat een onafhankelijke derde de vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene kan behartigen.

Nu er kan worden volstaan met de maatregel van een bewind zal het hof op grond van het voorgaande het aanvankelijk subsidiaire verzoek van de zoon alsnog toewijzen.

Aan de noodzaak tot het instellen van een bewind kan niet afdoen dat de zoon er wellicht een eigen belang bij heeft dat er een neutrale bewindvoerder wordt benoemd, omdat de zoon als legitimaris in de nalatenschap van zijn overleden moeder (met wie de betrokkene in gemeenschap van goederen was gehuwd) streeft naar helderheid omtrent de omvang van het vermogen op de datum van overlijden van zijn moeder.

3.6.3.

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft mr. [de beoogde curator] , die aanvankelijk door de zoon als curator is voorgedragen, te kennen gegeven niet bereid te zijn om als bewindvoerder te worden benoemd. Ook de aan de zijde van de dochter voorgestelde bewindvoerder [de voorgestelde bewindvoerder] komt wat het hof betreft niet aanmerking voor benoeming. De zoon heeft tegen die benoeming ter mondelinge behandeling bezwaren geuit en het hof acht die gegrond, omdat genoemde [de voorgestelde bewindvoerder] degene was die namens de dochter in eerste aanleg een uitgebreid verweerschrift tegen het instellen van een beschermingsmaatregel heeft ingediend.

De zoon en de dochter hebben tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij ermee kunnen instemmen dat het hof, indien een bewind zal worden ingesteld, zelf een bewindvoerder aanzoekt en benoemt.

3.6.4.

Het hof heeft [de bewindvoerder] te [kantoorplaats] bereid bevonden om tot bewindvoerder over de huidige en toekomstige goederen van de betrokkene te worden benoemd.

Het hof zal op grond van artikel 1:431 BW tot die benoeming overgaan zoals hierna beslist.

3.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat het hof zal beslissen als volgt.

3.8.

Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 mei 2019;

stelt, met ingang van de dag nadat deze beschikking is verzonden, een bewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [de betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, wonende aan [adres] te [plaats] ( [postcode] ), echter thans verblijvende in verpleegtehuis [verzorgings-/verpleegtehuis] , locatie [locatie] te [plaats] ;

benoemt met ingang van 3 juli 2020 [de bewindvoerder] , Postbus [postbus] , [postcode] [kantoorplaats] , telefoonnummer [telefoonnummer] tot bewindvoerder;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen drie maanden na aanvang van het bewind een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie (het Bewindsbureau) van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht;

stelt de jaarlijkse beloning en de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a, respectievelijk 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. van Winkel en is op 2 juli 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.A.R.M. van Leuven in tegenwoordigheid van de griffier.