Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:204

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2020
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
200.260.828_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ, onbevoegd inzien epd, geen tv en bv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0111
JBP 2020/37 met annotatie van Laan, V.
XpertHR.nl 2020-20004985
Module Privacy & AVG 2021/4184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 23 januari 2020

Zaaknummer : 200.260.828/01

Zaaknummer eerste aanleg : 7424231 AZ VERZ 18-124

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.M.A. Timmermans te Druten,

tegen

Stichting GGZ [GGZ] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als GGz,

advocaat: mr. D.B. Muller te Breda.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 11 maart 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2019;

  • -

    een brief van [appellante] met producties 7 en 8, ingekomen ter griffie op 15 november 2019;

  • -

    een brief van GGz met producties 40 t/m 46, ingekomen ter griffie op 27 november 2019;

- de op 28 november 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Timmermans;

- GGz, vertegenwoordigd door [P&O adviseur] , P&O adviseur en [manager bedrijfsvoering] , manager bedrijfsvoering, bijgestaan door mr. Muller. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

2.2.

Voornoemde brief (met bijlagen) van GGz ingekomen ter griffie op 27 november 2019, is ingekomen buiten de in het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven gestelde termijn. [appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op de omvang van de stukken en het moment van indiening heeft het hof beslist dat deze stukken niet worden toegelaten.

2.3.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken met uitzondering van die bedoeld in rov. 2.2.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante] , geboren op [geboortedatum] 1970, is op 2 november 1992 in dienst getreden bij GGz,

De laatste functie die [appellante] vervulde, is die van verzorgende IG, met een salaris van

€ 2.021,50 bruto per maand, te vermeerderen met onregelmatigheidstoeslag, vakantietoeslag en eindejaarstoeslag. De functie van verzorgende IG vereist een opleiding van het niveau MBO 3.

3.1.2.

[appellante] was in haar functie van verzorgende IG geautoriseerd om elektronische patiëntendossiers (hierna in enkelvoud EPD) te lezen en te bewerken. De regels, gedragscodes en protocollen omtrent het werken met het EPD staan - in het kwaliteitshandboek - op het intranet van GGz vermeld.

3.1.3.

In de “Gedragscode: toegang tot en omgang met het cliëntendossier door de

medewerker van 20 december 2013” (hierna Gedragscode) staat in paragraaf 4 het volgende

vermeld:” (...)

• U bekijkt alleen het dossier van een cliënt als u rechtstreeks betrokken bent bij de

uitvoering van de behandelovereenkomst van deze cliënt resp. ondersteunende

werkzaamheden t.b.v. het dossier uitvoert.

• U bekijkt/gebruikt alleen die informatie uit het dossier die u nodig heeft voor de

uitvoering van uw taak.”

Op de laatste pagina van de Gedragscode staat onderaan het volgende vermeld:

“NB. Bij schending van de privacyregels dient daarvan onverwijld melding te worden gemaakt bij de leiding en/of de Geneesheer-directeur.”

3.1.4.

GGz heeft een beleidsdocument opgesteld met regels voor de toegang tot het

systeem [systeem] , waarin de cliëntendossiers zijn opgeslagen (hierna “Beleid

[systeem] ”) In de inleiding van het Beleid [systeem] staat onder B het volgende

vermeld:

“Medewerkers moeten bevoegd zijn om toegang te krijgen en het EPD te bewerken.

Bevoegde medewerkers zijn de zorgmedewerkers die rechtstreeks bij de behandeling van de

betreffende cliënt betrokken zijn en degenen die optreden als intern vervanger van de

zorgmedewerker. Daarnaast zijn alle andere medewerkers bevoegd, wanneer het noodzakelijk is voor het beheer van de instelling. Wanneer vanuit de werkwijze alle

medewerkers van een team betrokken zijn hij de behandeling van een cliënt, dan kan

overwogen worden om de medewerkers te autoriseren voor de OE (organisatorische

eenheid).”

Onder 1 van het Beleid [systeem] staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Op de beleidsuitgangspunten met betrekking tot het autoriseren op behandelrelatie zijn de

volgende bijzondere situaties van toepassing:

- Voor alle medewerkers, met uitzondering van stagiaires, zijn alle cliëntendossiers in

te zien via de knop “Buiten autorisatie”. Er moet een reden opgegeven worden, en deze

toegang wordt vastgelegd in een logbestand (...).“

3.1.5.

Voor het gebruik van de buiten autorisatie situatie geldt de “Werkinstructie

Aanmeldingen zoeken via noodknop/buiten autorisatie [systeem] ”. In de werkinstructie

wordt uitgelegd dat en waar de reden voor het gebruik van de noodknop-procedure moet

worden ingevuld Het systeem biedt de mogelijkheid om een van de volgende zes redenen

aan te klikken: ‘Consultatie’, ‘Raadpleging Archief, ‘Raadpleging in verband met crisis’,

‘Vervanging collega’, Voorbereiden intake’ en ‘Voorbereiding MDO’.

3.1.6.

GGZ heeft tijdens een gesprek op 15 november 2018 aan [appellante] voorgehouden dat er

een heel sterk vermoeden bestond dat [appellante] gedurende een periode van meer dan 2,5 jaar via

de noodknop-procedure inzage heeft gehad in het dossier van een cliënt die niet in haar

verantwoordelijkheidsgebied valt. [appellante] heeft in dit gesprek erkend dat zij wel eens via de

noodknop-procedure in de dossiers van haar broer en schoonzus heeft gekeken. GGz heeft

aan het einde van het gesprek een brief, met daarin onder meer de mededeling van non-actiefstelling, aan [appellante] overhandigd. GGz heeft na het gesprek met [appellante] de collega’s van [appellante] geïnformeerd over de non-actiefstelling.

3.1.7.

GGz heeft de inhoud van het gesprek van 15 november 2018 bij brief van 22 november 2018 aan [appellante] bevestigd, waarbij [appellante] tevens werd uitgenodigd voor een

vervolggesprek op 29 november 2018.

3.1.8.

Op 29 november 2018 heeft in het bijzijn van de echtgenoot van [appellante] een

vervolggesprek tussen partijen plaatsgevonden. GGz heeft de inhoud van dit gesprek bij

aangetekende brief van diezelfde datum aan [appellante] bevestigd.

3.1.9. (

De gemachtigde van) [appellante] heeft bij brief van 6 december 2018 op de inhoud van de

brief van GGz van 29 november 2018 gereageerd.

3.1.10.

[appellante] heeft in de periode van eind 2017 tot en met 2018 acht keer via de noodknop-procedure in het elektronisch patiëntendossier (EPD) van haar broer gekeken. Daarnaast heeft zij ook een aantal keren op diezelfde wijze in het EPD van haar schoonzus gekeken.

3.2.

Het verzoek en de procedure bij de kantonrechter

3.2.1.

In de onderhavige procedure verzocht GGz in eerste aanleg in hoofdlijn ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn met een verklaring voor recht dat geen transitievergoeding is verschuldigd.

3.2.2.

Aan dit verzoek heeft GGz, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Primair heeft [appellante] verwijtbaar gehandeld door een groot aantal keren de noodknop-procedure oneigenlijk te gebruiken en in strijd met de haar bekende voorschriften stelselmatig de privacy van cliënten te schenden. Subsidiair is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. [appellante] is een zodanig ernstig verwijt te maken, dat zij geen recht heeft op een transitievergoeding.

3.2.3.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Primair heeft [appellante] verzocht de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen. Subsidiair heeft zij voor het geval dat de arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden, samengevat, verzocht om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding, alsmede dat een opzegtermijn van vier maanden in acht moet worden genomen en dat GGz [appellante] onder last van een dwangsom openlijk moet rehabiliteren.

3.3.

In de eindbeschikking van 11 maart 2019 heeft de kantonrechter (onder meer) overwogen dat [appellante] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, doordat er meerdere keren via haar account bij GGz een dossier van een bepaalde cliënt onbevoegd is ingezien, evenals het onbevoegd inzien door [appellante] van het dossier van haar broer en schoonzus. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 april 2019, heeft voor recht verklaard dat [appellante] geen transitievergoeding toekomt en heeft [appellante] veroordeeld in de proceskosten van GGz. Het tegenverzoek van [appellante] heeft hij onder compensatie van proceskosten afgewezen.

3.4.

Het hoger beroep

3.4.1.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] heeft in hoofdlijn geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en tot het alsnog toewijzen van haar verzoeken tot toekenning van de transitievergoeding, een billijke vergoeding en -onder last van een dwangsom- rehabilitatie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] gezegd dat zij geen herstel van de arbeidsovereenkomst (meer) wenst. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de verzoeken van [appellante] toewijsbaar zijn.

3.5.1.

Met de eerste grief betoogt [appellante] dat GGz de regels, gedragscodes en protocollen binnen haar organisatie beter kenbaar had moeten maken. Hierbij vindt [appellante] het onder meer van belang dat zij ruim 18 jaar in dienst was bij GGz als schoonmaakster voordat zij in 2011 de opleiding tot ‘helpende’ heeft gevolgd en in 2012 tot ‘verzorgende’. [appellante] vindt dat het bepaald onduidelijk was voor [appellante] wat er van haar verwacht werd, omdat de regels van GGz niet volstrekt helder en duidelijk zijn en bovendien verspreid zijn over een tiental documenten.

3.5.2.

Het hof oordeelt hierover anders. Het hof passeert de stellingname van [appellante] dat zij niet of niet in toereikende mate op de hoogte zou zijn gesteld van de voor haar rond het EPD geldende gedragsregelingen. [appellante] heeft daar al sinds 1 maart 2012 mee gewerkt en daar moet in haar opleiding, trainingen en werkomgeving ook aandacht aan zijn besteed. Bekendmakingen op het intranet van GGz en voor [appellante] functie geldende codes hebben daar ook aandacht aan besteed. Dat [appellante] zelf heeft begrepen dat zij de grenzen van het toelaatbare overschreed, ziet het hof ook bevestigd in het gesprek dat GGz met [appellante] had op 15 november 2018 (rov. 3.1.6). Dat maakt voor het hof duidelijk dat [appellante] op de hoogte was van de instructie met betrekking tot bijvoorbeeld de noodknop-procedure in het EPD en [appellante] wist toen ook meteen waar GGz met haar vragen op doelde. [appellante] heeft toen erkend dat zij wel eens via de noodknop-procedure in de dossiers van haar broer en schoonzus heeft gekeken, terwijl zij wist dat zij daartoe niet bevoegd was en de noodknopprocedure niet bedoeld is. De eerste grief faalt derhalve.

3.6.1.

De tweede grief van [appellante] ziet onder meer op de overwegingen van de kantonrechter over het raadplegen van het EPD van een zogenoemde “bepaalde patiënt” op verschillende data. [appellante] voert onder meer aan dat zij kan aantonen dat zij ziek was op sommige data waarop van uit haar account is gekeken in het EPD van die bepaalde patiënt. Verder voert [appellante] aan dat zij zich niet goed kan verdedigen tegen de verwijten van GGz bij deze bepaalde patiënt, omdat zij zelf geen onderzoek heeft kunnen doen met betrekking tot de loggegevens en GGz de naam van die bepaalde patiënt niet aan haar bekend heeft gemaakt.

3.6.2.

Het hof overweegt allereerst dat GGz een afweging heeft moeten maken bij de vraag of zij de naam van de bepaalde patiënt in deze procedure (en de aanloop daarvan) bekend zou maken. GGz heeft gekozen voor de privacy van de bepaalde patiënt. Dat staat GGz vrij en is ook alleszins te billijken. Tegelijkertijd betekent dit wel dat het moeilijker is geworden voor [appellante] om zich te verdedigen tegen de verwijten van GGz met betrekking tot deze patiënt. Het evenwicht tussen beide procespartijen is hiermee uit balans. Het betekent ook dat de in zoverre aan [appellante] gemaakte verwijten in rechte onvoldoende zijn komen vast te staan. Anders dan de kantonrechter zal het hof daarom de feiten die samenhangen met deze bepaalde patiënt bij de beoordeling van deze zaak buiten beschouwing laten.

3.7.1.

Het hof zal de tweede grief voor het overige samen met de derde en vierde grief behandelen voor zover deze gaan over de gedragingen van [appellante] en de kwalificatie daarvan. Door middel van deze grieven betoogt [appellante] dat zij niet (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld en dat er dus geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst was.

3.7.2.

Het hof overweegt dat [appellante] de opleiding tot verzorgende heeft afgerond en ook in deze functie werkzaam was bij GGz. Deze opleiding heeft als niveau MBO 3. Het hof overweegt dat zowel het niveau als de inhoud van deze opleiding met zich brengt dat [appellante] zich bewust was en in elk geval had moeten zijn, hoe zwaar de privacy van patiënten weegt. In het EPD staan vertrouwelijke gegevens van patiënten die onder het medisch beroepsgeheim vallen en waarmee uiterst zorgvuldig dient te worden omgegaan. Dat [appellante] zich dat ook realiseerde, heeft het hof hiervoor ook al overwogen bij rov. 3.5.2. Het hof rekent het [appellante] zwaar aan dat zij desondanks acht keer onbevoegd in het EPD van haar broer heeft gekeken en ook een aantal keren in het EPD van haar schoonzus. [appellante] heeft de noodknop-procedure in het EPD misbruikt en daarmee het vertrouwen van GGz en haar patiënten ernstig beschaamd, niet in de laatste plaats omdat bij GGz kwetsbare mensen met een psychische aandoening worden behandeld. Daaraan kan niet afdoen, dat [appellante] niet met kwade bedoelingen gebruik heeft gemaakt van de noodknop-procedure. Het handelen van [appellante] is naar het oordeel van het hof ernstig verwijtbaar en vormt een redelijke grond voor ontslag.

3.8.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat de grieven 1 tot en met 4 falen. Daarmee faalt ook de daarmee samenhangende grief 5 over de proceskosten. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de verzoeken van [appellante] afwijzen.

3.9.

Het hof zal [appellante] in de proceskosten in hoger beroep veroordelen, omdat zij in het ongelijk is gesteld.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van GGz op € 741,-- aan griffierecht en op € 2.148,-- aan salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking is voldaan aan de bij deze beschikking uitgesproken veroordeling en betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.G.W.M. Stienissen, H.K.N. Vos en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2020.