Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
20-003389-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:5668, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak en witwassen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van een administratie en het niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen. Een kringloopstichting heeft de administratie valselijk opgemaakt door daarin een groot aantal donatiebevestigingen op te nemen, terwijl er in werkelijkheid geen donaties waren gedaan. De betalingen onder de noemer van ‘donatie’ bleken namelijk in werkelijkheid betalingen te zijn van klanten ten behoeve van in hun opdracht verrichte werkzaamheden. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van twee contante geldbedragen van in totaliteit 201.000,00 gulden, die ter inwisseling voor euro's zijn aangeboden bij De Nederlandsche Bank. De fiscale fraudekamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn inbeslaggenomen en niet inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-07-2020
FutD 2020-2076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-003389-17

Uitspraak : 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 31 oktober 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-997515-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1968,

volgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep verblijvende
aan de [verblijfadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feit 1),
- ‘opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd’ (feit 2) en
- ‘witwassen, meermalen gepleegd’ (feit 3),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelast van diverse documenten, is een geldbedrag van € 45.378,00 verbeurd verklaard en is aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag, bij gebreke daarvan te vervangen door 261 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft partiële vrijspraak van feit 1 bepleit, namelijk van de tenlastegelegde gedragingen voor zover die zien op [klant 9] , alsmede integrale vrijspraak van feit 3. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte is verzocht niet over te gaan tot verbeurdverklaring van de vermeende witgewassen geldbedragen en, indien het hof daartoe wel over mocht gaan, geen vervangende hechtenis op te leggen voor het geval de verdachte niet betaalt, althans die vervangende hechtenis te stellen op één dag.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
Stichting [Kringloopstichting] Kringloop, verder te noemen 'de Stichting', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand april 2008 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente [pleegplaats] , althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de administratie van de Stichting, zijnde (dat deel van) die administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende de Stichting en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergeven – in (dat deel van) die administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken 18, althans een of meer bevestiging(en) ten behoeve van donatie aan de Stichting, volgens de bevestiging(en) voornoemd (telkens) afkomstig van de Stichting, (telkens) betrekking hebbend op (een) door (een) potentiële donateur(s) aan de Stichting toegezegde donatie(s) (DOC-029A, DOC-030A1 tot en met DOC-030A3, DOC-032A, DOC-033A1, DOC-047A1, DOC-057A1 tot en met DOC-057A8, DOC-048A1 tot en met DOC-048A3), zulks terwijl (telkens) in werkelijkheid (geheel of gedeeltelijk) geen sprake was van (een) toegezegde donatie(s) aan de Stichting maar van het (telkens) (geheel of gedeeltelijk) in rekening brengen van gefactureerde werkzaamheden door de Stichting en/of door (de aan de Stichting gelieerde) [Besloten Vennootschap I] B.V. en/of [Besloten Vennootschap II] B.V., zulks (telkens) met het oogmerk om voormeld(e) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2.
[Besloten Vennootschap I] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 25 maart 2009 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft de B.V. en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk – zakelijk weergegeven – geen (kopie)verkoopfacturen in verband met een of meer verkopen/verkoop van goederen en/of levering(en) van diensten opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden gehad in de (bedrijfs)administratie van de B.V., te weten ter zake van (onder meer) een of meer levering(en) en/of dienst(en), door de B.V. verricht aan/ten behoeve van
- [klant 7] en/of [echtgenoot klant 7] voor een of meer bedrag(en) tot een totaalbedrag groot € 8.095,00 of daaromtrent (paragraaf 3.2.6 zaaksproces-verbaal 1 van het eindproces-verbaal) en/of
- [klant 8] voor een of meer bedrag(en) tot een totaalbedrag groot € 29.500,00 of daaromtrent (paragraaf 3.2.11 zaaksproces-verbaal 1 van het eindproces-verbaal) en/of
- [klant 5] voor een of meer bedrag(en) tot een totaalbedrag groot € 36.000,00 of daaromtrent (paragraaf 3.2.10 zaaksproces-verbaal 1 van het eindproces-verbaal),
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);


3.
hij op twee, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 maart 2016 tot en met 2 mei 2016 in de gemeente(n) [pleegplaats] en/of Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten:
- een (contant) bedrag aan geld groot fl. 100.000,00 of daaromtrent en/of
- een (contant) bedrag aan geld groot fl. 101.000,00 of daaromtrent,

in elk geval (telkens) een of meer (contante) bedrag(en) aan geld, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een of meer van voornoemde (contant(e)) bedrag(en) aan geld gebruik heeft gemaakt, door (telkens) tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) voornoemd(e) (contant(e)) bedrag(en) aan geld ter omwisseling in euro's aan te (laten) bieden bij De Nederlandsche Bank, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 1 aan hem ten laste is gelegd kort gezegd terecht ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van de administratie van de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop door daarin donatiebevestigingen op te nemen, terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een donatie, maar van een betaling voor door [Besloten Vennootschap I] B.V. uitgevoerde werkzaamheden. De officier van justitie heeft ervoor gekozen dertien uit het procesdossier naar voren komende ‘donaties’ in de tenlastelegging te specificeren, te weten de ‘donaties’ die door [klant 1] , [klant 2] , [klant 3] , [klant 4] , [klant 9] , [klant 6/boekhoudster] , [klant 5] , [klant 7] / [echtgenoot klant 7] en [klant 8] zouden zijn gedaan.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bestreden dat de donatiebevestigingen aan [klant 9] valselijk zijn opgemaakt, aangezien [klant 9] driemaal daadwerkelijk aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop zou hebben gedoneerd. Dat wordt bevestigd door hetgeen [klant 9] als getuige bij de FIOD heeft verklaard. Dat er door [Besloten Vennootschap I] B.V. tevens werkzaamheden zijn verricht voor [klant 9] , maakt dat niet anders. Daarvoor heeft hij immers facturen ontvangen.

De advocaat-generaal heeft zich daarentegen bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de modus operandi ten aanzien van de gang van zaken bij [klant 9] overeenkomt met de overige gevallen in het dossier en dat projectleider [projectleider] als getuige belastend over het project [klant 9] heeft verklaard. Voorts heeft de advocaat-generaal gewezen op het feit dat de nummers op de donatiebevestigingen en facturen van [Besloten Vennootschap I] B.V. voor in rekening gebrachte werkzaamheden overeenkomen. Omwille van het voorgaande kan voorbij worden gegaan aan de verklaring van [klant 9] en kunnen eveneens de aan hem gerichte donatiebevestigingen worden beschouwd als te zijn valselijk opgemaakt.

Het hof stelt in dit verband vast dat zich drie donatiebevestigingen aan [klant 9] in het procesdossier bevinden (dossierpagina’s 837, 838 en 839). Tevens bevinden zich twee aan [klant 9] gerichte facturen van [Besloten Vennootschap I] B.V. bij de processtukken, welke facturen betrekking hebben op bouwwerkzaamheden, onder meer aan een garage (dossierpagina’s 868 en 872). Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of in rechte kan worden vastgesteld dat tegenover de donaties prestaties zijn verricht. In dat verband overweegt het hof als volgt.

[klant 9] heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de FIOD als getuige verklaard dat hij daadwerkelijk drie donaties aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop heeft gedaan en dat hij voor de verrichte verbouwwerkzaamheden aan zijn woning een factuur heeft ontvangen (dossierpagina’s 649, 650 en 651). Die lezing vindt steun in het feit dat in de administratie van [Besloten Vennootschap I] B.V. de hiervoor genoemde facturen zijn aangetroffen.
De advocaat-generaal heeft daartegenover gesteld dat deze verklaring van [klant 9] niet gevolgd zou moeten worden, gelet op hetgeen projectleider [projectleider 2] over het project [klant 9] heeft verklaard. Anders dan de advocaat-generaal vermag het hof evenwel niet in te zien dat projectleider [projectleider] zich in belastende zin over het project [klant 9] heeft uitgelaten. Uit diens getuigenverklaring valt immers slechts op te maken dat [Besloten Vennootschap I] B.V. werkzaamheden voor [klant 9] heeft verricht en dat met de door [klant 9] in een e-mail aangehaalde ‘korting’ wordt bedoeld dat [klant 9] zelf materialen heeft aangeschaft waarvan hij de kosten verrekend wilde zien (dossierpagina’s 547-550). Die laatste door [klant 9] gedane uitlating kan evengoed betrekking hebben op de factuur van [Besloten Vennootschap I] B.V. waarbij de verbouwwerkzaamheden aan [klant 9] in rekening zijn gebracht.

Ten slotte kan naar het oordeel van het hof aan de verklaring van boekhoudster [klant 6/boekhoudster] ter zake van de werkzaamheden bij [klant 9] (dossierpagina’s 535-538) evenmin de gerechtvaardigde conclusie worden verbonden dat de door [klant 9] gedane donaties in wezen betalingen waren voor verrichte werkzaamheden.

Bij die stand van zaken is het hof derhalve, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, maar met de verdediging van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden uitgesloten dat [klant 9] daadwerkelijk uit vrijgevigheid donaties aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop heeft gedaan, om welke reden de verdachte in zoverre van hetgeen onder feit 1 aan hem ten laste is gelegd zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
Stichting [Kringloopstichting] Kringloop, verder te noemen 'de Stichting', op tijdstippen in de periode vanaf de maand april 2008 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente [pleegplaats] , telkens opzettelijk (een deel van) de administratie van de Stichting, zijnde een samenstel van geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende de Stichting toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in (dat deel van) die administratie voornoemd doen of laten opnemen en/of verwerken bevestigingen ten behoeve van donatie aan de Stichting, afkomstig van de Stichting, telkens betrekking hebbend op een door een potentiële donateur aan de Stichting toegezegde donatie, zulks terwijl telkens in werkelijkheid geen sprake was van een toegezegde donatie aan de Stichting maar van het (geheel of gedeeltelijk) in rekening brengen van werkzaamheden door [Besloten Vennootschap I] B.V. en/of [Besloten Vennootschap II] B.V., zulks telkens met het oogmerk om voormelde geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2.
[Besloten Vennootschap I] B.V., verder te noemen 'de B.V.', in de periode vanaf 25 maart 2009 tot en met de maand augustus 2014 in de gemeente [pleegplaats] , als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft de B.V. toen aldaar opzettelijk geen verkoopfacturen in verband met verkopen van goederen en/of leveringen van diensten opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden gehad in de bedrijfsadministratie van de B.V., te weten ter zake van leveringen en/of diensten door de B.V. verricht aan/ten behoeve van
- [klant 7] en/of [echtgenoot klant 7] tot een totaalbedrag groot € 8.095,00 of daaromtrent en
- [klant 8] tot een totaalbedrag groot € 29.500,00 of daaromtrent en
- [klant 5] tot een totaalbedrag groot € 36.000,00 of daaromtrent,
hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging;


3.
hij op 7 maart 2016 in de gemeente Amsterdam een contant bedrag aan geld groot fl. 100.000,00 heeft voorhanden gehad, omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt en op
2 mei 2016 in de gemeente Amsterdam een contant bedrag aan geld groot fl. 101.000,00 heeft voorhanden gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, door telkens contante bedragen aan geld ter omwisseling in euro's aan te (laten) bieden bij De Nederlandsche Bank, terwijl hij wist dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

I.
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Eindhoven, op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 55526 (onderzoek Arend), gesloten d.d. 3 februari 2016, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-1570.

1
Donatiebevestigingen van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop aan:

  1. [klant 1] d.d. 10 april 2008 (dossierpagina 827);

  2. [klant 2] d.d. 18 maart 2009 (dossierpagina 932);

  3. [klant 3] d.d. 11 juni 2009 (dossierpagina 947);

  4. [klant 4] d.d. 7 juni 2011 (dossierpagina 1200);

  5. [klant 5] d.d. 11 september 2012 (dossierpagina 1307);

  6. [klant 5] d.d. 5 oktober 2012 (dossierpagina 1308);

  7. [klant 5] d.d. 9 november 2012 (dossierpagina 1309);

  8. [klant 5] d.d. 17 januari 2013 (dossierpagina 1310);

  9. [klant 5] d.d. 8 februari 2013 (dossierpagina 1311);

  10. [klant 5] d.d. 21 maart 2013 (dossierpagina 1312);

  11. [klant 5] d.d. 21 april 2014 (dossierpagina 1313);

  12. [klant 5] d.d. 11 augustus 2014 (dossierpagina 1314);

  13. [klant 6/boekhoudster] d.d. 25 juni 2013 (dossierpagina 1222);

  14. [klant 6/boekhoudster] d.d. 11 juli 2013 (dossierpagina 1223);

  15. [klant 6/boekhoudster] d.d. 28 augustus 2013 (dossierpagina 1224);

  16. [klant 7] d.d. 12 december 2009 (dossierpagina 968);

  17. [klant 7] d.d. 15 december 2009 (dossierpagina 969);

  18. [klant 7] d.d. 4 januari 2010 (dossierpagina 970);

  19. [klant 7] d.d. 11 januari 2010 (dossierpagina 971);

  20. [klant 7] d.d. 4 februari 2010 (dossierpagina 972);

  21. [klant 8] d.d. 24 april 2013 (dossierpagina 1001);

  22. [klant 8] d.d. 8 mei 2013 (dossierpagina 1002) en

  23. [klant 8] d.d. 5 augustus 2013 (dossierpagina 1003),

waarin telkens is vermeld dat voornoemde personen een donatie ter grootte van een bepaald geldbedrag zouden hebben gedaan aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en welke bevestigingen als bijlagen aan dit arrest zijn gehecht.

2
Proces-verbaal inzake bevindingen inbeslaggenomen goederen d.d. 16 december 2015, dossierpagina’s 273-319, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

In dit proces-verbaal zijn de van belang zijnde bevindingen geverbaliseerd van de inbeslaggenomen goederen van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop, [Besloten Vennootschap I] B.V. en [verdachte] .

Er hebben op zes locaties doorzoekingen ter inbeslagneming plaats gevonden. Deze locaties zijn opgenomen in onderstaande lijst onder de objectcodes B tot en met G.

Objectcode

Locatie

A

Belastingdienst

B

[adres 1] , [pleegplaats]
(hof: bedrijfspand Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en [Besloten Vennootschap I] B.V., zie proces-verbaal van bevindingen doorzoeking, dossierpagina’s 198-201)

D

[adres 2] , [pleegplaats]
(hof: woonadres van boekhoudster [klant 6/boekhoudster] , zie proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking, dossierpagina’s 211-212)

G

[adres 3] , [pleegplaats]
(hof: het vestigingsadres van [Besloten Vennootschap II] B.V., alwaar zich volgens aanwijzingen administratie van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en [Besloten Vennootschap I] B.V. zou bevinden, zie proces-verbaal van bevindingen doorzoeking, dossierpagina’s 219-221)

K

[adres 4] , Eindhoven
(hof: woonadres van [klant 7] , zie proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina’s 659-663)

N

[adres 5] , Eindhoven
(hof: woonadres van [klant 4] , zie proces-verbaal inzake bevindingen, dossierpagina’s 240-244)

I

[adres 6] , [pleegplaats]
(hof: woonadres van [klant 3] , zie proces-verbaal inzake bevindingen, dossierpagina’s 240-244)

Omschrijving

Waar aangetroffen

Donatiebevestiging [klant 1]
d.d. 10 april 2008
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder i.)

Object G

Donatiebevestiging [klant 2]
d.d. 18 maart 2009
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder ii.)

Object G

Donatiebevestiging [klant 3]
d.d. 11 juni 2009
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder iii.)

Object I

Donatiebevestiging [klant 7]
d.d. 15 december 2009
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xvii.)

Object G (met aantekeningen), object K (zonder aantekeningen)

Donatiebevestiging [klant 7]
d.d. 4 januari 2010
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xviii.)

Object K

Donatiebevestiging [klant 7]
d.d. 4 februari 2010
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xx.)

Object K

Donatiebevestiging [klant 4]
d.d. 7 juni 2011
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder iv.)

Object N

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 11 september 2012
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder v.)

Object A

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 5 oktober 2012
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder vi.)

Object A

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 9 november 2012
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder vii.)

Object A

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 17 januari 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder viii.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 8 februari 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder ix.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 21 maart 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder x.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 21 april 2014
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xi.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 5]
d.d. 11 augustus 2014
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xii.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 8]
d.d. 24 april 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xxi.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 8]
d.d. 8 mei 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xxii.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 8]
d.d. 5 augustus 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xxiii.)

Object B

Donatiebevestiging [klant 6/boekhoudster]
d.d. 25 juni 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xiii.)

Object D

Donatiebevestiging [klant 6/boekhoudster]
d.d. 11 juli 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xiv.)

Object D

Donatiebevestiging [klant 6/boekhoudster]
d.d. 28 augustus 2013
(hof: hiervoor in bewijsmiddel 1 vermelde donatie onder xv.)

Object D


3
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 september 2015, dossierpagina’s 615-618, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 1] :

Aan gehoorde werd een donatiebevestiging d.d. 10 april 2008 met het nummer ‘0804A’ getoond betreffende een ‘donatie’ van € 1.2950,00.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u hierover vertellen?

Antwoord:
Dit herken ik, dit heb ik ontvangen. En naar aanleiding hiervan heb ik het bedrag van
€ 1.295 meteen per bank overgemaakt. Ik heb zojuist gezegd dat er iets van € 300 vanaf ging, dat staat namelijk ook op de opdrachtbevestiging die u mij zojuist heeft getoond, dat zal ook wel zo zijn geweest, alleen zie ik nu dat ik in ieder geval € 1.295 moest betalen en dat is ook gebeurd. (…) Ik zie verder dat er geen BTW op de donatiebevestiging vermeld staat. (…) De donatiebevestiging heb ik vervolgens bij de belastingpapieren gelegd en gebruikt bij het doen van aangifte inkomstenbelasting.

Vraag verbalisanten:
In hoeverre is er sprake geweest van een daadwerkelijke gift van € 1.295,00 aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop?

Antwoord:
Er staat verder helemaal niets in van wat ze gedaan hebben van het leegruimen van de woning en het opknappen van de tuin. Er staat alleen dat ik € 1.295 gedoneerd heb. Dus dit is geen juiste weergave, want volgens dit papier heb ik er niets voor teruggekregen. Maar in de praktijk heb ik er wel iets voor teruggekregen, er zijn namelijk werkzaamheden gedaan. Het is helemaal geen gift geweest. Ik heb vertrouwd op het bedrijf, van ‘dat zal zo wel moeten, dat zullen ze zo bij iedereen wel doen’. Vooral ook omdat ze er zelf mee zijn gekomen.

4
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 oktober 2015, dossierpagina’s 628-633, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 2] :

Via mijn ex-vriend [betrokkene] ben ik aan [Kringloopstichting] gekomen. (…) Via een woningstichting uit Eindhoven, (…), hoorde hij dat hij zijn badkamer kon laten opknappen via [Kringloopstichting] . Dat zou voordelig zijn omdat de kosten van de werkzaamheden afgetrokken konden worden van de belasting. (…) Hij heeft mij naderhand, toen ik in huis verschillende dingen moest laten opknappen, ook geadviseerd om met [Kringloopstichting] in zee te gaan. Ik heb de slaapkamer laten stuken, er is laminaat gelegd op de eerste etage, de trap is geschuurd en er is geschilderd. Ook is er een luifel vervangen aan de voordeur. Dat soort dingen allemaal.

U vraagt mij naar de donatiefactuur. Tijdens de bespreking met [voornaam projectleider 1] (hof: [projectleider] ) is de donatie ter sprake gekomen. (…) Ik had (…) mijn twijfels. Waarom? Omdat ze voor de gift iets terug deden. Ze kwamen hier tenslotte mijn huis opknappen.

Aan gehoorde werd een donatiebevestiging d.d. 18 maart 2009 met het nummer 290309 getoond betreffende een ‘donatie’ van € 5.500,00.

Vraag verbalisanten:
Deze donatiebrief is op dezelfde dag gedateerd als de factuur die wij u zojuist hebben getoond met het nummer DOC-032D-3. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord:
Het bedrag herken ik. Dat heb ik ook overgemaakt, maar bij mijn weten aan de hand van de urenverantwoording die ik u heb overhandigd en waarop het bankrekeningnummer van de stichting alsook het bedrag ad € 5.500,- aan donatie staat vermeld. (…) Volgens mij is [verdachte] de man gewest die de aantekeningen op de urenverantwoording heeft geschreven en die met mij de uiteindelijke afrekening heeft geregeld.

Aan gehoorde werd de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen betreffende het jaar 2009 getoond waarbij bij vraag 37 ‘giften’ een bedrag van € 4.368,00 in mindering is gebracht op het belastbaar inkomen van box 1.

Antwoord:
Het bedrag aan donatie heb ik ingevuld aan de hand van de urenverantwoording die ik aan u heb overhandigd. (…) Nu dat ik achteraf hoor dat het eigenlijk geen gift is dan begrijp ik dat die aangifte onjuist is, maar dat wist ik op dat moment niet. Het resultaat van het feit dat ik die gift heb opgevoerd is dat ik geld van de Belastingdienst heb teruggekregen.

5
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 oktober 2015, dossierpagina’s 642-646, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 3] :

Mijn oprit moest bestraat worden, daar had ik een offerte voor opgevraagd, daar kwam ik bij [Kringloopstichting] uit, daar was ik wel erg van onder de indruk.

Meneer [verdachte] is hier langs geweest. Toen hebben we gesproken over de werkzaamheden. Hij had alles hier opgemeten. Aan de hand daarvan heeft hij de offerte opgemaakt. (…) Hij is ook nog langs geweest toen ze bezig waren met de oprit, hij hield daar ook toezicht. Toen kwam de rekening, die was in mijn herinnering 1,5 keer zo hoog als de offerte. Ik heb hierover gebeld naar [verdachte] en gezegd dat ik daar niet zo blij van werd. (…) Toen gaf meneer [verdachte] aan dat hij daar een oplossing voor had. De factuur werd dan omgezet in een gift, waarvoor ik een donatiebevestiging heb ontvangen. De factuur is toen komen te vervallen. (…) De heer [verdachte] gaf aan dat het misschien niet helemaal volgens de regeltjes was, maar dat hij het wel kon uitleggen aan de Belastingdienst.

Wij tonen de gehoorde een donatiebevestiging afkomstig van Kringloop [Kringloopstichting] d.d. 11 juni 2009, donatienummer 0309044.

Vraag verbalisanten:
In hoeverre is er daadwerkelijk sprake van een gift?

Antwoord:
Het geld is wel overgemaakt aan de stichting, maar het is duidelijk dat er geen sprake is van een gift, want er heeft iets tegenover gestaan. De heer [verdachte] kwam betrouwbaar op mij over, omdat hij zei dat hij het ook kon uitleggen aan de Belastingdienst.

6
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 oktober 2015, dossierpagina’s 666-670, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 4] :

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u vertellen over een bedrijf met de naam [Besloten Vennootschap I] B.V.?

Antwoord:
Ik had dat bedrijf doorgekregen van een kennis. Die kennis had gehoord dat ik een klusje had. Wat mij aansprak was dat zij jonge werklozen zonder opleiding op wilden leiden zodat zij een grotere kans hadden op een reguliere baan. Ik hoorde dat van de eigenaar, [verdachte] . Het visitekaartje wat ik u zojuist heb overhandigd heeft hij mij gegeven tijdens een bezoek in mijn woning. Hij was bij mij geweest om te zien welke werkzaamheden er moesten gebeuren. [Besloten Vennootschap I] B.V. ken ik eigenlijk niet, ik ken het bedrijf als Stichting [Kringloopstichting] .

Vraag verbalisanten:
Welke werkzaamheden hebben zij voor u uitgevoerd?

Antwoord:
De kamer is leeggeruimd, ze hebben het behang in de kamer er af gehaald en de kamer is opnieuw behangen, ook hebben ze de muren en het plafond geschilderd.

Vraag verbalisanten:
Met wie van [Besloten Vennootschap I] B.V. heeft u contact gehad?

Antwoord:
Met [verdachte] (…). [verdachte] was duidelijk de leider. Hij kwam opnemen wat hier gedaan moest worden en als er iets was waardoor de werkzaamheden niet goed liepen, belden ze hem op. Met ‘ze’ bedoel ik degenen die hier bij mij aan het werk waren.

Aan gehoorde werd een donatiebevestiging d.d. 7 juni 2011 met het nummer 0310008 getoond betreffende een ‘donatie’ van € 1.550,00.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u vertellen over deze donatie?

Antwoord:
Nadat de werkzaamheden waren gedaan kwam de manier van betalen ter sprake. Toen stelde [verdachte] voor om te doneren in plaats van een factuur. Ik vroeg aan hem wat dat betekende. Toen zei [voornaam verdachte] : ‘Als u doneert aan de stichting kunnen we het geld gebruiken voor de opleiding van de mensen die bij ons werken en daarnaast kunt u het aftrekken van de inkomstenbelasting’.

Vraag verbalisanten:
Van wie heeft u de donatiebevestiging ontvangen?

Antwoord:
Deze heeft [verdachte] per post opgestuurd.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u zeggen over de juistheid van deze donatiebevestiging?

Antwoord:
Dat deze niet juist is.

7
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 november 2015, dossierpagina’s 672-676, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 5] :

Vraag verbalisanten:
Kunnen er volgens u donaties en/of giften gedaan worden waar een tegenprestatie tegenover staat?

Antwoord:
In principe niet, maar door [projectleider] is mij verteld dat er een speciale ruling was met de Belastingdienst en dat de donatie afgetrokken kon worden. (…) Er zou werk worden verricht, onder andere verbouwingen, waarbij een deel gewoon in rekening gebracht zou worden en een deel in de vorm van een donatie zou gaan. (…) [voornaam projectleider 2] was voor mij de uitvoerder en tevens de contactpersoon met betrekking tot de verbouwingen die bij ons plaats hebben gevonden. Van [projectleider 2] hoorde ik dat ene [verdachte] dit had opgezet.

Vraag verbalisanten:
Welke verbouwingen/karweien dan wel aanpassingen heeft u laten doen in de woning aan de [adres 7] in Geldrop?

Antwoord:
In 2012 hebben wij de badkamer laten doen. Dat was een groot karwei. Boven hebben wij verder stucwerk laten doen. Boven hebben ze ook de vloer vernieuwd. Ze hebben toen parket gelegd. Dat werk ik heb wel bij [Kringloopstichting] ondergebracht, maar dat is door een ander, een onderaannemer dacht ik, uitgevoerd. [Kringloopstichting] heeft ook binnen en buiten schilderwerk verzorgd. Rondom het huis hebben ze ook verlichting aangebracht en nog wat kleinere werkzaamheden in de tuin. Dit betreft de periode 2012 tot en met 2014.

Wij tonen gehoorde 8 donatiebevestigingen afkomstig van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop:
- een donatiebevestiging van 11 september 2012, donatiebedrag € 3.000,00.
donatienummer 0320075;

- een donatiebevestiging van 5 oktober 2012, donatiebedrag € 4.000,00,
donatienummer 032006;
- een donatiebevestiging van 9 november 2012, donatiebedrag € 3.000,00,
donatienummer 0320100;
- een donatiebevestiging van 17 januari 2013, donatiebedrag € 5.000,00,
donatienummer K1300007;
- een donatiebevestiging van 8 februari 2013, donatiebedrag € 4.000,00,
donatienummer K1300011;
- een donatiebevestiging van 21 maart 2013, donatiebedrag € 11.000,00,
donatienummer K1300021;
- een donatiebevestiging van 21 april 2014, donatiebedrag € 4.000,00,
donatienummer K1400006;
- een donatiebevestiging van 11 augustus 2014, donatiebedrag € 2.000,00,
donatienummer K1400010.

Vraag verbalisanten:
Volgens deze donatiebevestigingen heeft u in totaal een bedrag van € 36.000,00 gedoneerd aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord:
Deze stukken heb ik per post ontvangen van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en heb deze per bank betaald. Over de redenen dat ik deze bedragen betaald heb, heb ik al eerder verklaard.

8
Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 november 2015, dossierpagina’s 525-538, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [klant 6/boekhoudster] :

[voornaam verdachte] is van hetgeen ik deed (het hof begrijpt: de administratie van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en [Besloten Vennootschap I] B.V.) de directe opdrachtgever. Hij keurde ook hetgeen ik deed goed. (…) Ik heb wel donatieformulieren voorbij zien komen en ‘geboekhoud’.

Vraag verbalisanten:
Welke werkzaamheden hebben [Besloten Vennootschap I] B.V. dan wel [Besloten Vennootschap II] B.V. in het verleden voor u verricht?

Antwoord:
Dat is die veranda en binnen wat stucwerk op het adres waar ik nu woonachtig ben. Er kwam ook wat straatwerk bij kijken bij de veranda. De werkzaamheden zij twee à drie jaar geleden verricht.

Wij tonen gehoorde een donatiebevestiging van 11 juli 2013 afkomstig van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop, donatiebedrag € 460,00, donatienummer K1300051.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u vertellen of deze donatie aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop?

Antwoord:
Dit is volgens mij de tweede donatiebevestiging die ik heb ontvangen vanuit de stichting van [verdachte] . Deze donatie heb ik betaald. Ik denk dat ik dit bedrag per bank heb betaald. Ik heb voor deze donatiebevestiging nog een andere donatiebevestiging ontvangen voor ongeveer het bedrag van € 6000,00.

Voor de werkzaamheden in 2013 heb ik een groot deel betaald op factuur. (…) Daarnaast heb ik afgerekend met het doen van een donatie aan de stichting die echt is en een deel donatie die betrekking heeft op werkzaamheden bij mij thuis. Ik heb een te groot bedrag aan giften opgevoerd in mijn aangiften inkomstenbelasting. (…) Ik heb over de wijze van betaling voor de bij mij thuis uitgevoerde werkzaamheden gesproken met [verdachte] . Dit is gebeurd in de periode van het uitvoeren van de werkzaamheden. [voornaam verdachte] heeft mij ervan overtuigd dat ik op deze wijze kon afrekenen voor verrichte prestaties bij mij thuis.

Wij tonen gehoorde twee donatiebevestigingen van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop:
- een donatiebevestiging van 25 juni 2013, donatiebedrag € 5.000,00,
donatienummer K1300045;
- een donatiebevestiging van 28 augustus 2013, donatiebedrag € 1.000,00,
donatienummer K130009.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u vertellen over deze donaties aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop?

Antwoord:
Zoals ik al heb verklaard is het zo dat een deel van de werkzaamheden uitgevoerd door [Besloten Vennootschap I] B.V. als donatie is betaald. Als je dus de donatiebevestigingen optelt van
€ 5.000,00, € 1.000,00 en € 460,00 dan kom je aan het bedrag dat ik in feite heb betaald voor werkzaamheden die bij mij thuis zijn verricht. (…) De donatiebevestigingen zijn door [verdachte] ondertekend en per post door mij ontvangen.

Opmerking verbalisanten:

Als wij u goed begrijpen zegt u tegen ons dat u in relatie tot de werkzaamheden die in 2013 bij u zijn uitgevoerd en de giften die u toen heeft verstrekt aan de stichting dat u dan de gift heeft verwerkt bij de stichting in de administratie en de in- en verkoopfacturen in de administratie bij [Besloten Vennootschap I] B.V.

Vraag verbalisanten:

Klopt dit?

Antwoord:

Ja, dat klopt.

9
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 oktober 2015, dossierpagina’s 659-663, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 7] :

Vraag verbalisanten:
Welke verbouwingen dan wel aanpassingen heeft u vanaf 2008 laten doen in deze woning?

Antwoord:
Ik zal u de verbouwingen opnoemen die [Kringloopstichting] heeft gedaan. Ze hebben de zolder geïsoleerd. Ze hebben er vier dakramen in geplaatst, een muurtje weggehaald, een verlaagd plafond eruit gehaald en twee vlieringen gemaakt.

Vraag verbalisanten:
Aan gehoorde wordt gevraagd hoe een en ander is gegaan met betrekking tot het voorstel om de betaling te laten plaatsvinden middels een donatie.

Antwoord:
Dat is voorgesteld door Hans. (…) Hans heeft me duidelijk aangegeven dat het voor mij voordelig zou zijn om de betaling als gift af te trekken van de belasting. (…) Ik heb alle werkzaamheden betaald als een donatie. Dat zijn we zo overeengekomen.

Aan gehoorde werd een donatiebevestiging d.d. 15 december 2009 met het nummer 309062 getoond betreffende een ‘donatie’ van € 4.800,00.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u vertellen over deze donatie?

Antwoord:
Hier staat op dat ik geschonken heb, maar dat is niet zo want ik heb betaald voor de werkzaamheden die hebben plaatsgevonden.

Aan gehoorde werden drie donatiebevestigingen, d.d. 4 januari 2010 met het nummer 2010100, 11 januari 2010 met het nummer 20201033d en 4 februari 2010 met het nummer 2010002 getoond. Het betreft in beide gevallen een donatie van € 3.295,00 waarvan
€ 950,00 reeds is betaald.

Vraag verbalisanten:
Wat kunt u vertellen over deze donatiebevestigingen?

Antwoord:
Het zijn weliswaar drie verschillende versies maar het betreft één en dezelfde betaling. (…) De € 3.295,- die op deze donatie staat heeft betrekking op de werkzaamheden zoals die op de offerte van [Kringloopstichting] zijn overeengekomen. Ik heb dus op die manier voor die werkzaamheden betaald. Hetzelfde geldt ook voor het betaalde bedrag van € 4.800,00.

10
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 oktober 2015, dossierpagina’s 619-623, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [klant 8] :

Ik heb in 2013 een bedrijf nodig gehad die bij mij thuis een aantal klussen kon doen. We zijn terecht gekomen bij [Kringloopstichting] . Zij hebben aangegeven dat zij werkzaamheden konden doen die konden worden aangemerkt als een donatie, omdat zij mensen in dienst hadden die zij helpen om terug te keren in het arbeidsproces. (…) Het contact met [Kringloopstichting] is gegaan via [projectleider] . (…) [voornaam projectleider 2] is in 2013 naar ons huis komen kijken en we hebben besproken welke klussen er gedaan moesten worden. Dat was schilderwerk en stucwerk. Tevens is er een convectorput dichtgemaakt. Daarvoor in de plaats zijn radiatoren geplaatst. Er zijn twee deuren vervangen.

Wij tonen gehoorde drie donatiebevestigingen afkomstig van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop:
- donatiebevestiging van 24 april 2013, donatiebedrag € 6.000,00, donatienummer
K1300030;
- donatiebevestiging van 8 mei 2013, donatiebedrag € 10.000,00, donatienummer
K1300033;
- donatiebevestiging van 5 augustus 2013, donatiebedrag € 13.500,00,
donatienummer K1300058.

Vraag verbalisanten:
Herkent u deze stukken?

Antwoord:
Nu ik de stukken zie herken ik ze weer. Ik heb deze stukken ooit ontvangen.

Vraag verbalisanten:
In hoeverre is er sprake geweest van een daadwerkelijke donatie van € 29.500,00 aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop?

Antwoord:
Dat heb ik drie keer aangegeven. Als je de wet erop na slaat zal dit niet voldoen aan het begrip ‘gift’ of ‘donatie’. Ik heb daadwerkelijk die bedragen overgemaakt met de omschrijving ‘donatie’, maar ik heb hier wel iets voor teruggekregen, namelijk mijn huis is opgeknapt.

11
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 17 oktober 2017, pagina’s 2-5, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :

Van 2008 tot en met 2014 was ik degene die de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop aanstuurde. Ik was de baas van de Stichting en ik bepaalde wat er gebeurde. Ik had ook zicht op wat er gebeurde binnen de Stichting. Ik was van 13 november 2006 tot 1 september 2012 voorzitter van de Stichting en daarna was ik directeur van de Stichting. In diezelfde periode, van 2008 tot en met 2014, was ik ook de baas over de B.V.’s [Kringloopstichting] B.V. (het hof begrijpt: [Besloten Vennootschap I] B.V.) en [Besloten Vennootschap II] B.V.

Mevrouw [klant 6/boekhoudster] was mijn boekhoudster. Zij deed de administratie voor onder meer de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop, [Besloten Vennootschap I] B.V. en [Besloten Vennootschap II] B.V. Zij was niet degene die bepaalde wat er gebeurde. Ook de projectleiders die ik in dienst had bij mijn B.V.’s, zoals [projectleider] en [projectleider 2] , bepaalden niet wat er gebeurde. Ik was namelijk degene die dat bepaalde en het voor het zeggen had.

Het klopt dat ikzelf – of via tussenkomst van de door mij geïnstrueerde projectleiders – aan verschillende klanten van [Besloten Vennootschap I] B.V. en [Besloten Vennootschap II] B.V. het voorstel heb gedaan dat zij werkzaamheden door voornoemde B.V.’s konden laten verrichten in ruil voor een donatie aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop in plaats van de betaling van een factuur van de B.V. Het gaat hier om de navolgende klanten: [klant 1] , [klant 2] , [klant 3] , [klant 4] , [klant 5] , [klant 6/boekhoudster] , [klant 7] en [klant 8] . Ik heb dit gedaan zodat ik de werkzaamheden die door de B.V.’s werden uitgevoerd goedkoper kon aanbieden aan de klanten. Deze klanten kregen namelijk geen factuur van de B.V., maar een donatiebevestiging van de Stichting.

Een factuur is belast met BTW en een donatie niet. Het klopt dat de betalingen van de klanten aan de Stichting eigenlijk geen vrijblijvende donaties of giften waren, maar betalingen voor de door de B.V.’s verrichtte werkzaamheden. Het klopt dat ik aan deze klanten heb verteld dat zij dit bedrag als aftrekpost konden opvoeren bij de aangifte inkomstenbelasting, zodat zij een deel van de betaling aan de Stichting konden terug krijgen van de Belastingdienst.
Het klopt dat deze klanten eigenlijk een factuur hadden moeten ontvangen omdat er werkzaamheden waren verricht door [Besloten Vennootschap I] B.V. of [Besloten Vennootschap II] B.V. Ik was degene die de betalingen afwikkelde en de donatiebevestigingen verstuurde. (…) Ik heb deze constructie zelf bedacht en tot uitvoer gebracht.


Op 7 maart 2016 heb ik een contant geldbedrag van 100.000 gulden, in coupures van 1000 gulden, voorhanden gehad en bij De Nederlandsche Bank te Amsterdam ingewisseld voor euro’s. Dit bedrag is door de Nederlandsche Bank op mijn eigen bankrekening gestort. Op 2 mei 2016 heb ik een contant geldbedrag van 101.000 gulden, in coupures van 1000 gulden, 250 gulden en 100 gulden, voorhanden gehad en bij De Nederlandsche Bank te Amsterdam ingewisseld voor euro’s. Dit bedrag moest op de bankrekening van [medeverdachte] gestort worden. Ik heb [medeverdachte] op 2 mei 2016 geholpen met het invullen van het formulier. Ik heb tegen hem gezegd wat hij op het formulier moest invullen zodat mijn geld omgewisseld zou worden in euro’s en op zijn bankrekening zou worden gestort. Het totaalbedrag van 201.000 gulden was van mij.

II.

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Eindhoven, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 58513 (onderzoek Monaco), gesloten d.d. 6 juli 2016, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-314.


12
Transactieformulier van De Nederlandsche Bank N.V., ingevuld en ondertekend door verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2016, dossierpagina’s 125-127, inhoudende:

Op 7 maart 2016 heeft verdachte [verdachte] een totaalbedrag van 100.000 gulden bij De Nederlandsche Bank te Amsterdam aangeboden ter inwisseling in euro’s. Het bedrag bestond uit 100 biljetten van 1000 gulden en vertegenwoordigde een waarde van 45.378,02 euro. Verdachte [verdachte] heeft De Nederlandsche Bank opdracht gegeven het bedrag van 45.378,02 euro te storten op zijn bankrekening met rekeningnummer [bankrekening 1] .

13
Transactieformulier van De Nederlandsche Bank N.V., ingevuld en ondertekend door medeverdachte [medeverdachte] d.d. 2 mei 2016, dossierpagina’s 114-117, inhoudende:

Op 2 mei 2016 heeft [medeverdachte] een totaalbedrag van 101.000 gulden bij De Nederlandsche Bank te Amsterdam aangeboden ter inwisseling in euro’s. Het bedrag bestond uit 79 biljetten van 1000 gulden, 20 biljetten van 250 gulden en 170 biljetten van 100 gulden en vertegenwoordigde een waarde van 45.831,80 euro. Het bedrag was afkomstig van verdachte [verdachte] en aan De Nederlandsche Bank is opdracht gegeven het bedrag van 45.831,80 euro te storten op de bankrekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [bankrekening 2] .

14

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 mei 2016, dossierpagina’s 108-111, voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

Opmerking verbalisanten:
Wij tonen u een formulier van De Nederlandsche Bank N.V. in verband met deze omwisseling (hof: het hiervoor onder 13 genoemde bewijsmiddel).

Vraag verbalisanten:
Herkent u dit formulier?

Antwoord:
Dit is mijn handschrift en dit is het formulier wat ik daar heb ingevuld. (…) [verdachte] zei tegen mij dat het zo moest. [verdachte] zei tegen mij dat ik het moest invullen, omdat het geld dan op mijn rekening gestort kon worden. Zo moest het volgens [verdachte] .

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder feit 3 tenlastegelegde witwassen van een contant geldbedrag van 100.000,00 gulden en van een contant geldbedrag van 101.000,00 gulden. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat de verdachte voor de herkomst van deze geldbedragen een concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Het feit dat zijn verklaring thans niet meer kan worden geverifieerd hangt samen met de periode waarin het geld is verdiend, namelijk erg lang geleden. De raadsman heeft opgemerkt dat destijds sprake was van een andere wijze van het voeren van administratie als heden ten dage in de (gedigitaliseerde) samenleving het geval is, zodat administratie minder gemakkelijk is terug te vinden. Die omstandigheid mag de verdachte niet worden tegengeworpen. Om deze redenen meent de verdediging dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat voormelde geldbedragen door de verdachte zijn witgewassen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat de desbetreffende voorwerpen – in dit geldbedragen ad respectievelijk 100.000,00 en 101.000,00 gulden die ter inwisseling zijn aangeboden bij De Nederlandsche Bank – afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat er onvoldoende bewijs voorhanden is op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen voormelde geldbedragen en een bepaald misdrijf.

Niettemin kan bewezen worden geacht dat deze geldbedragen, al dan niet gedeeltelijk, uit enig misdrijf afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van beide geldbedragen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte zich op 7 maart 2016 bij De Nederlandsche Bank te Amsterdam heeft vervoegd en daar een geldbedrag van 100.000,00 gulden ter inwisseling voor euro’s heeft aangeboden. Dit bedrag bestond uit 100 biljetten van 1000 gulden. Op 2 mei 2016 heeft medeverdachte [medeverdachte] , in het bijzijn van en geïnstrueerd door de verdachte, aldaar een geldbedrag van 101.000,00 gulden aangeboden ter inwisseling voor euro’s, welk bedrag bestond uit 79 biljetten van 1000 gulden, 20 biljetten van 250 gulden en 170 biljetten van 100 gulden. Het geldbedrag dat door medeverdachte [medeverdachte] werd aangeboden was eveneens van de verdachte.

Bij de beantwoording van de vraag of het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, is het hof allereerst uitgegaan van het volgende. Veel vormen van criminaliteit gaan gepaard met het bezit van grote hoeveelheden contant geld. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminele transacties met ongebruikelijke coupures van grote waarde – zoals die ter inwisseling bij De Nederlandsche Bank zijn aangeboden – plegen te worden afgewikkeld. Bankbiljetten van 1000 gulden werden eertijds nauwelijks gebruikt in het legale economische handelsverkeer, maar wel om criminele transacties af te wikkelen en in die zin in het kader van witwassen van crimineel geld. Bovendien is de gulden met ingang van 1 januari 2002 niet meer het wettig betaalmiddel in Nederland. Het inwisselen van guldens bij banken kon tot 1 januari 2003 en bij De Nederlandsche Bank tot 1 januari 2007. Hoewel guldenbankbiljetten nog tot 1 januari 2032 bij De Nederlandsche Bank kunnen worden ingewisseld, wekt het gelet op de hoogte van de geldbedragen bevreemding dat de verdachte na 1 januari 2002 niet eerder dan in maart en mei 2016 van de mogelijkheid tot inwisseling gebruik heeft gemaakt.

De verdachte heeft, hoewel daartoe wettelijk gehouden, voorts verzuimd om de geldbedragen in guldens aan te geven in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2014 (vide dossierpagina’s 12-15). Gelet hierop en voormelde uitgangspunten in ogenschouw genomen, waarbij nog moet worden opgemerkt dat het voorhanden hebben van dergelijke grote geldbedragen risico’s met zich brengt zoals verlies en/of diefstal en dat de verdachte niet genoodzaakt was dergelijke grote geldbedragen voorhanden te hebben op grond van beroep of bedrijf, is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het vermoeden van witwassen.

Alle voornoemde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is het hof derhalve van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Het hof stelt vast dat de verdachte dienaangaande zowel bij De Nederlandsche Bank, bij gelegenheid van zijn verhoor door de FIOD alsook ten overstaan van de rechtbank en het gerechtshof heeft verklaard dat hij de twee contante geldbedragen van in totaliteit 201.000,00 gulden in de periode van 1989 tot en met 1994 bij elkaar heeft gespaard. De verdachte was toentertijd werkzaam als fotolasser. De verdachte werkte via uitzendbureaus bij verschillende bedrijven, welke hij ter terechtzitting in hoger beroep bij naam heeft genoemd. Hij werkte structureel minstens 60 uren per week en verdiende daarmee op weekbasis ongeveer 1200 tot 1400 gulden. Uitbetaling van het loon geschiedde volgens de verdachte contant. De verdachte heeft zijn loon voor een groot deel opzij gelegd ten behoeve van zijn pensioen. De reden waarom de verdachte dit geld steeds verborgen heeft gehouden was omdat hij bang was dit geld kwijt te raken aan zijn inmiddels ex-echtgenotes die volgens hem een spreekwoordelijk ‘gat in de hand hadden’. De verdachte heeft naar eigen zeggen het geld ook nooit eerder aangewend omdat de noodzaak daartoe niet eerder bestond.

Hoewel de verdachte hiermee een voldoende concrete en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag, stelt het hof vast dat de door hem aangedragen verklaring over de beweerdelijke legale herkomst op geen enkele wijze wordt onderbouwd en derhalve in het geheel niet verifieerbaar is. Het moet de verdediging weliswaar worden nagegeven dat in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de verdachte zijn gehele administratie uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw nog voorhanden heeft, maar dat ontslaat de verdachte, gegeven het feit dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, naar ’s hofs oordeel niet van zijn krachtens bestendige jurisprudentie geldende verplichting om aanknopingspunten aan te dragen waarmee zijn verklaring op juistheid kan worden getoetst. Het ligt in de rede dat de verdachte over tenminste enige documenten (zoals jaaropgaves, arbeidsovereenkomsten of loonstroken) zou beschikken die zijn verklaring kunnen staven. Dat is evenwel niet het geval. Het hof merkt in dat verband bovendien op dat de verdachte zijn verklaring niet uitsluitend verifieerbaar zou kunnen maken door administratie te overleggen, maar bijvoorbeeld ook door getuigen voor te dragen. Zo zouden zijn directe collega’s of de persoon van wie de verdachte destijds contant zijn loon uitbetaald heeft gekregen de verklaring van de verdachte kunnen bevestigen, temeer nu de verdachte naar eigen zeggen vele uren per week gedurende vijf jaren heeft gewerkt. De verdachte heeft echter in het geheel geen namen van dergelijke personen genoemd. In dit verband is slechts naar voren gebracht dat zijn broer een en ander zou hebben kunnen bevestigen, maar deze is inmiddels overleden.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte het aldus, bij gebreke van het geven van enige aanknopingspunten, onmogelijk gemaakt om nader onderzoek te kunnen doen naar de juistheid van zijn verklaring voor de herkomst van het geldbedrag, zodat die verklaring op geen enkele wijze verifieerbaar is.

Daar komt nog bij dat het naar het oordeel van het hof bevreemding wekt dat een jong iemand van begin 20 jaar oud al geldbedragen, zeker in de orde van grootte van 201.000,00 gulden, opzij legt voor zijn pensioen en dat hij dit geldbedrag vervolgens tot 2016 in het geheel onaangeroerd zou hebben gelaten. De noodzaak daartoe kan, anders dan de verdachte naar voren heeft gebracht, naar het oordeel van het hof niet gelegen zijn in angst voor het kwijtraken van het geld aan zijn (ex-)echtgenotes, nu de verdachte telkens had kunnen kiezen om op huwelijkse voorwaarden te huwen en het door hem beweerdelijk gespaard bedrag daarmee buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen. De verklaring van de verdachte wordt door het hof in zoverre dan ook niet geloofwaardig geacht.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke én verifieerbare verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van in totaliteit 201.000,00 gulden. Derhalve kan het niet anders zijn dan dat de geldbedragen van 100.000,00 en 101.000,00 gulden, die de verdachte op 7 maart 2016 en 2 mei 2016 voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en waarvan hij gebruik heeft gemaakt, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft –, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van een administratie en het niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen. De Stichting [Kringloopstichting] Kringloop heeft de administratie valselijk opgemaakt door daarin een groot aantal donatiebevestigingen op te nemen, terwijl er in werkelijkheid geen donaties waren gedaan. De betalingen onder de noemer van ‘donatie’ bleken namelijk in werkelijkheid betalingen te zijn van klanten ten behoeve van in hun opdracht verrichte werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door [Besloten Vennootschap I] B.V. De verdachte adviseerde zijn klanten betalingen voor deze werkzaamheden te doen in de vorm van een donatie aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en deze zogenaamde ‘gift’ als aftrekpost op te voeren in de aangifte inkomstenbelasting. Uit het procesdossier komt naar voren dat diverse klanten de ‘donatie’ daadwerkelijk als aftrekpost in hun aangiften inkomstenbelasting hebben opgevoerd. Aangezien het in werkelijkheid niet ging om een gift, hadden deze klanten helemaal geen recht op deze aftrekpost.

[Besloten Vennootschap I] B.V. heeft in dit verband steeds opzettelijk nagelaten de facturen van de geleverde diensten of goederen te verwerken of op te nemen in haar bedrijfsadministratie. Een bedrijfsadministratie dient echter zodanig te worden ingericht en voor controle door de fiscus toegankelijk te zijn dat binnen redelijke termijn conclusies kunnen worden getrokken omtrent de aard en omvang van de fiscale verplichtingen. Door het niet opnemen van verkoopfacturen in de administratie zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte deze controlemogelijkheid feitelijk onmogelijk gemaakt. Het is op grond van algemene ervaringsregels waarschijnlijk dat een dergelijke handelswijze ertoe leidt dat te weinig belasting wordt geheven. Doordat er in casu geen facturen zijn opgemaakt is er evenmin BTW aan de klanten in rekening gebracht, waardoor er te weinig omzetbelasting door de [Besloten Vennootschap I] B.V. is afgedragen.

Uit het boekenonderzoek door de FIOD komt naar voren dat er in 179 van de 306 onderzochte gevallen betalingen aan de Stichting [Kringloopstichting] Kringloop zijn gedaan onder de noemer van ‘donatie’ of ‘gift’. Slechts ten aanzien van 13 particulieren is nader onderzoek door de FIOD verricht. Op die nader onderzochte particulieren is de tenlastelegging toegesneden en in het overgrote deel van die gevallen heeft het hof bewezen verklaard dat sprake is geweest van frauduleus handelen.

Over de vraag of het meerdere van die bewezenverklaarde gevallen een rol behoort te spelen bij de straftoemeting, overweegt het hof als volgt. Het grootschalige karakter van het delict kan een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met een beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient evenwel op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat buiten de bewezenverklaarde gevallen niet kan worden uitgesloten dat de overige gevallen in het procesdossier waarbij sprake is van een ‘donatie’ of ‘gift’ daadwerkelijk sprake was van vrijgevigheid en niet slechts van betalingen voor verrichte werkzaamheden. De zich in het procesdossier bevindende lijsten van een vergelijking van alle donatiebevestigingen van de Stichting [Kringloopstichting] met de facturen, offertes, aantekeningen enzovoorts van bij particulieren verrichte werkzaamheden (DOC-070 en DOC-071) zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende uitgewerkt om de verdachte in staat te stellen zich erover te kunnen uitlaten. De verdediging heeft uitdrukkelijk betwist dat in alle gevallen waarin is gedoneerd sprake is geweest van frauduleus handelen. Of en in hoeverre deze betwisting slaagt kan aan de hand van het dossier door het hof niet in voldoende mate worden beoordeeld. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat het grootschalige karakter groter was dan de bewezenverklaarde gevallen. Daarmee ontvalt aan de nadeelberekening deels de grondslag (DOC-080 en DOC-081). Derhalve zal het hof bij de straftoemeting slechts uitgaan van het nadeel dat is opgetreden als gevolg van de bewezenverklaarde gevallen.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Bij de belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu daarmee wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Door de geraffineerde constructie die door de verdachte is opgezet en tot uitvoer is gebracht heeft [Besloten Vennootschap I] B.V. tevens lagere prijzen kunnen hanteren. Daardoor is andere bedrijven oneerlijke concurrentie aangedaan.

Dat de verdachte naar eigen zeggen uit idealisme heeft gehandeld, namelijk om de personen die in zijn reïntegratiebedrijf werkzaam waren te kunnen (blijven) verlonen, rechtvaardigt geenszins om strafbare feiten te plegen, hoe nobel zijn streven ook geweest mag zijn.

Naast het feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en het niet voldoen aan de fiscale administratieplicht heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan het witwassen van twee contante geldbedragen van in totaliteit 201.000,00 gulden. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Ook witwassen is een ernstig strafbaar feit, dat vanwege het corrumperende effect op de samenleving niet kan worden getolereerd.

Het nadeelbedrag als gevolg van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde handelen wordt door het hof gesteld op € 120.324,82, welk bedrag uiteenvalt in een bedrag van
€ 10.311,00 aan misgelopen omzetbelasting (dossierpagina 1565), een bedrag van
€ 18.804,00 aan misgelopen inkomstenbelasting (dossierpagina’s 1560-1562) en een bedrag van € 91.209,82 aan witgewassen gelden (het equivalent van fl. 201.000,00). Anders dan de raadsman ten verwere heeft betoogd kan de misgelopen inkomstenbelasting naar het oordeel van het hof wel degelijk aan het handelen van de verdachte worden toegerekend, nu de betreffende particulieren op zijn instigatie de ‘donaties’ in aftrek hebben genomen in hun aangiften inkomstenbelasting.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevinden zich veroordelingen voor valsheid in geschrift, sociale verzekeringsfraude en uitkeringsfraude.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij als gevolg van de faillissementen van zijn bedrijven aanzienlijke schulden heeft, hij voor zijn schuldeisers op de vlucht is, hij gescheiden is en drie kinderen heeft. De verdachte heeft thans geen inkomsten en evenmin een eigen woonadres.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarbij heeft het hof tevens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, in aanmerking genomen.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte voor het eerst op 26 november 2015 door de FIOD als verdachte is gehoord. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 31 oktober 2017 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 1 november 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 30 juni 2020 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve ruim 23 maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voormelde bijna 32 maanden. Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 4 jaren.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak complex van aard is, is het hof van oordeel dat die omstandigheid niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop kunnen verklaren is niet gebleken.


Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat in de fase van het hoger beroep eindarrest zal worden gedaan na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 8 maanden is overschreden. Het hof zal deze overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat van de op te leggen gevangenisstraf één maand voorwaardelijk zal zijn.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt tevens enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Verbeurdverklaring

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de bedragen van fl. 100.000,00 en fl. 101.000,00 die op 7 maart 2016 door de verdachte in persoon en op
2 mei 2016 op instigatie van de verdachte door medeverdachte [medeverdachte] ter inwisseling voor euro’s bij De Nederlandsche Bank zijn aangeboden, toebehoren aan de verdachte. Het hof wijst in dat verband onder meer op de door de verdachte ten overstaan van de rechtbank en het hof daaromtrent afgelegde verklaring, alsmede op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] zoals hij die heeft afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de FIOD.

Op grond van het procesdossier kan voorts worden vastgesteld dat het bedrag van fl. 100.000,00 op 7 maart 2016 is ingewisseld voor een bedrag van € 45.378,02. Dat geldbedrag is vervolgens door De Nederlandsche Bank gestort op de bankrekening van de verdachte. Op dit omgezette geldbedrag rust geen strafvorderlijk beslag.

Voor wat betreft het bedrag van fl. 101.000,00 geldt dat dit bedrag weliswaar op 2 mei 2016 ter inwisseling is aangeboden bij De Nederlandsche Bank, doch dat daaropvolgend niet tot inwisseling voor euro’s en storting op een bankrekening is overgegaan. Het bedrag van fl. 101.000,00 is daarentegen ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering ten laste van medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen en De Nederlandsche Bank is door het Openbaar Ministerie als bewaarder van dat geldbedrag aangesteld.

Het hof stelt vast dat met betrekking tot beide geldbedragen de bewezenverklaarde witwasfeiten zijn begaan. Het hof is derhalve van oordeel dat zowel het bedrag ad
€ 45.378,02 als het bedrag van fl. 101.000,00 (waarvan het equivalent in euro’s € 45.831,80 bedraagt) vatbaar is voor verbeurdverklaring. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan. Bij die beslissing heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Voorts zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de verdachte voormeld niet inbeslaggenomen geldbedrag ad € 45.378,02 zal uitleveren dan wel betalen aan de Staat der Nederlanden. Daarbij zal tevens worden bepaald dat indien de verdachte daaraan niet zal voldoen, vervangende hechtenis voor de duur van 261 dagen zal worden toegepast. In hetgeen de raadsman dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om van het wettelijk stelsel als vervat in artikel 34, derde lid, juncto artikel 24c van het Wetboek van Strafrecht af te wijken.

Beslag

Tijdens het vooronderzoek is strafvorderlijk beslag gelegd op documenten. Deze documenten maken deel uit van de administratie van Stichting [Kringloopstichting] Kringloop dan wel [Besloten Vennootschap I] B.V. en zijn in het eindproces-verbaal van de FIOD/Belastingdienst genummerd als DOC-001 tot en met DOC-088.

Nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op de documenten, zal het hof de teruggave daarvan gelasten aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en [Besloten Vennootschap I] B.V., als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbenden aan te merken rechtspersonen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 24c, 27, 33, 33a, 34, 51, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 52, 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd een niet ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering inbeslaggenomen geldbedrag van € 45.378,02 (zegge: vijfenveertigduizenddriehonderdachtenzeventig euro en twee eurocent), alsmede een ten laste van medeverdachte [medeverdachte] inbeslaggenomen, doch de verdachte toebehorend geldbedrag van fl. 101.000,00 (zegge: honderdeenduizend gulden), van welk laatstgenoemd bedrag het equivalent in euro’s bedraagt € 45.831,80 (zegge: vijfenveertigduizend-achthonderdeenendertig euro en tachtig eurocent);

beveelt de uitlevering dan wel betaling door de verdachte van voormeld verbeurdverklaard niet inbeslaggenomen geldbedrag ad € 45.378,02 (zegge: vijfenveertigduizenddriehonderdachtenzeventig euro en twee eurocent) aan de Staat der Nederlanden en bepaalt dat bij gebreke daarvan vervangende hechtenis voor de duur van 261 dagen zal worden toegepast;

gelast de teruggave aan Stichting [Kringloopstichting] Kringloop en [Besloten Vennootschap I] B.V. van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven administratieve documenten met nummering DOC-001 tot en met DOC-088 in het eindproces-verbaal van de FIOD/Belastingdienst (beslagnummer OI2956-55526).

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. B. Stapert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 30 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. drs. P. Fortuin is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.