Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1980

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
200.242.693_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2940
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is schade aan houtversnipperaar gedekt door schadeverzekering? Uitleg polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 6, p. 321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.242.693/01

(zaaknummer rechtbank Zeeland West-Brabant C/02/335421 / HA ZA 17-616)

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. T.M. Kools,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. E.H. Verweij.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 november 2017 en 16 mei 2018 die de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 10 juli 2018, met een productie,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3.

[appellante] vordert in het hoger beroep – samengevat – het vonnis van 16 mei 2018 te vernietigen en Achmea alsnog te veroordelen € 28.517,94 aan haar te betalen, te vermeerderen met rente en kosten.

3 De vaststaande feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] heeft ten behoeve van haar ondernemingen (onder meer bestaande uit een akkerbouwbedrijf, een loonwerkbedrijf in de landbouw en een groencomposteringsbedrijf) een verzekering bij Achmea afgesloten, de ToplandLandbouwPolis. Deze is op 1 september 2016 door Achmea vervangen door de ToplandPolis. Onder meer is een houtversnipperaar (Komtech Crambo 5000, bouwjaar 2007) van [appellante] casco verzekerd.

Aan de motor van deze machine is schade ontstaan doordat de chauffeur van de houtversnipperaar voorafgaand aan het gebruik van de machine niet het smeeroliepeil heeft gecontroleerd en geen smeerolie heeft bijgevuld. In de bedieningshandleiding van de motor van de houtversnipperaar is voorgeschreven dat het smeeroliepeil van de motor moet worden gecontroleerd voordat de motor van de machine wordt gestart en op welk punt van de peilstok het oliepeil moet worden gehouden. De motor heeft vervolgens gedraaid met een gebrek aan smering, waardoor de drijfstanglager is uitgelopen en deze in stukken in de motor is terechtgekomen. In het motorblok zijn onder andere de lagers, krukas, drijfstangen en de turbo beschadigd. De reparatiekosten exclusief btw zijn door de schade-expert van Achmea op € 32.715,57 vastgesteld. [appellante] heeft een beroep gedaan op dekking van de schade die volgens haar een gevolg is van onoordeelkundig gebruik of een bedieningsfout, wat onder de dekking van de verzekering valt. Achmea heeft dit afgewezen, omdat volgens haar de schade het gevolg is van onvoldoende of onoordeelkundig onderhoud en slijtage van het landbouwwerktuig, in welk geval de schade niet is gedekt door de verzekering.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg – samengevat – bij inleidende dagvaarding gevorderd Achmea te veroordelen tot betaling van in totaal € 33.909,34, te vermeerderen met rente en kosten, wegens schade aan de machine ad € 31.064,75 inclusief btw en € 2.884,59 inclusief btw aan bijkomende kosten. Op de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [appellante] haar eis verminderd met de btw die in het bedrag van € 31.064,75 begrepen was, zonder dit bedrag verder te concretiseren.

4.2.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 16 mei 2018 geoordeeld dat het controleren van het oliepeil en het tijdig bijvullen van olie moet worden gekwalificeerd als onderhoud en niet als bediening/gebruik en dat de schade niet gedekt is door de verzekering. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

De zaak draait om de vraag of Achmea gehouden is schade te vergoeden die is opgetreden aan de motor van de houtversnipperaar. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de chauffeur van de houtversnipperaar een bedieningsfout heeft gemaakt, of de machine onoordeelkundig heeft gebruikt, door niet het oliepeil te controleren en zonodig bij te vullen voordat hij de motor van de houtversnipperaar startte. Schade door onoordeelkundig gebruik of bediening is gedekt onder de verzekering.

Achmea stelt zich op het standpunt dat de schade niet is gedekt, omdat deze volgens haar het gevolg is van onvoldoende of onoordeelkundig onderhoud en slijtage van het landbouwwerktuig, wat niet is gedekt door de verzekering.

5.2.

[appellante] heeft vijf grieven tegen het bestreden vonnis gericht.

In grief I voert [appellante] aan dat de rechtbank de feiten niet volledig heeft weergegeven. Met grief II komt [appellante] op tegen de uitleg door de rechtbank van de bewoordingen in de verzekeringspolis en de bijbehorende voorwaarden.

Grief III komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de contra proferentem-regel niet van toepassing is.

Grief IV richt zich tegen de conclusie van de rechtbank in r.o. 3.6 van het vonnis.

Met grief V komt [appellante] op tegen de afwijzing van de vorderingen in het dictum van het vonnis.

5.3.

[appellante] heeft de houtversnipperaar voor schade casco verzekerd bij Achmea, in eerste instantie onder de voorwaarden van de ToplandLandbouwPolis. In deze verzekeringsvoorwaarden is onder meer vermeld:

3.5

Casco, machines en gereedschappen’

Verzekerd is schade door:

een plotseling van buiten komend onheil of onverschillig welke andere onzekere gebeurtenis.

Niet verzekerd is:

A.(…)

B. schade die wordt veroorzaakt door fabricage- en constructiefouten, slijtage, overbelasting of foutieve montage, tenzij hierdoor een gedekte gebeurtenis ontstaat;

C. schade als gevolg van bedieningsfouten en/of onoordeelkundig gebruik waarbij schade aan het inwendige gedeelte van de machine ontstaat;

(…).

Over het hiervoor weergegeven onderdeel C is bij de ‘speciale bepalingen’ in de ToplandLandbouwPolis vermeld dat bedieningsfouten en onoordeelkundig gebruik van machines, in tegensteling tot hetgeen in de verzekeringsvoorwaarden is vermeld, wèl zijn meeverzekerd.

5.4.

De ToplandLandbouwPolis is op 1 september 2016 door Achmea vervangen door de ToplandPolis. Voor zover de voorwaarden van de ToplandLandbouwPolis [appellante] meer voordeel boden dan de voorwaarden van de nieuwe ToplandPolis, kon [appellante] tot en met 31 december 2017 ook een beroep doen op de ToplandLandbouwPolisvoorwaarden. Omdat de schade aan de houtversnipperaar is ontstaan op 30 september 2016, kon [appellante] een beroep doen op de voorwaarden van zowel de oude als de nieuwe verzekeringspolis.

5.5.

In de ToplandPolis staat onder meer:

Verkeer ONGEWIJZIGD

407 Houtversnipperaar (…)

Dekking brand, natuur, diefstal, onoordeelkundig gebruik en bediening, overig van buitend

komend onheil.

5.6.

In de voorwaarden bij de ToplandPolis is in paragraaf 7 onder meer vermeld:

Onoordeelkundig gebruik en bediening

Landbouwwerktuigen

(…)

Omvang van de verzekering

Verzekerd is de schade aan of het geheel of gedeeltelijk verlies van het landbouwwerktuig ontstaan binnen Europa door onoordeelkundig gebruik en bediening. (…)

Uitsluitingen

(…)

Verder is nog van de verzekering uitgesloten:

(…)

. schade die het gevolg is van slijtage van het landbouwwerktuig

. schade die is ontstaan door onvoldoende of onoordeelkundig onderhoud

(…)

5.7.

De afwijzing van schadedekking door Achmea is gebaseerd op de bevindingen van haar schade-expert. Deze heeft gerapporteerd dat de schade is veroorzaakt doordat de motor heeft gedraaid met een gebrek aan smering, waardoor een lager is uitgelopen en in stukjes in de motor is terechtgekomen (aanvullend rapport van 15 november 2016, productie 6 bij inleidende dagvaarding). Als conclusie vermeldt de schade-expert dat: ‘de schade is veroorzaakt door eigen gebrek/slijtage in de motor van de houtversnipperaar. De hoeveelheid olie in de motor was onvoldoende.’ De deskundige heeft aanvullend gerapporteerd op 20 december 2016. In reactie op het standpunt van [appellante] dat de olie in de machine minimaal één per keer per week moest worden bijgevuld, rapporteert de schade-expert van Achmea dat dit aangeeft dat de motor in een mindere conditie was. Hij vermeldt daarover: ‘Hoe meer liters erbij moeten hoe hoger het olieverbruik, hoe slechter de conditie van de motor. De motor is immers aan het verslijten’.

Volgens Achmea volgt uit de bevindingen van haar schade-expert dat de schade het gevolg is van onvoldoende onderhoud of onoordeelkundig onderhoud en dat de motor versneld is versleten door niet tijdig motorolie bij te vullen, zodat de schade niet is gedekt.

5.8.

Beide partijen stellen zich op het standpunt dat op basis van de (voorwaarden van) beide polissen dekking bestaat voor schade als gevolg van onoordeelkundig gebruik of onoordeelkundige bediening, maar dat de voorwaarden van beide polissen geen dekking bieden voor schade als gevolg van onvoldoende onderhoud of slijtage, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

5.9.

Aldus moet worden beoordeeld of het niet controleren van het smeeroliepeil en het niet bijvullen van de smeerolie voordat de motor van de machine werd gestart, als een bedieningsfout of onoordeelkundig gebruik moet worden gekwalificeerd dan wel als onvoldoende of onoordeelkundig onderhoud of slijtage. In de kern gaat het er dan om wat in het licht van de polis en de daarbij behorende voorwaarden onder gebruik en onder onderhoud moet worden volstaan. Dit is een vraag van uitleg.

5.10.

Volgens vaste rechtspraak geschiedt de uitleg van overeenkomsten volgens de Haviltex-norm. Het komt dan in beginsel aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de contractsbepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij verzekeringsovereenkomsten geldt dat de polisvoorwaarden vaak eenzijdig door de verzekeraar zijn opgesteld en daarover dus niet is onderhandeld tussen partijen. Dan biedt de in de Haviltex-maatstaf vastgelegde subjectieve benaderingswijze weinig aanknopingspunten. Voor de uitleg van polisvoorwaarden waarover niet is onderhandeld, geldt daarom een aangepaste maatstaf, zoals onder meer tot uitdrukking is gebracht in het arrest Chubb/Dagenstaed (Hoge Raad 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793). In dit arrest is geoordeeld dat het bij de uitleg van zodanige polisvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren, zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Hierbij kan, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, onder meer acht mag worden geslagen op de volgende objectief te noemen (dat wil zeggen niet op de subjectieve partijbedoelingen gestoelde) gezichtspunten:

(1) de betekenis van het gebruikte begrip in het algemeen spraakgebruik;

(2) de betekenis van het gebruikte begrip in een specifieke setting;

(3) het samenstel van polisvoorwaarden en de eventuele toelichting;

(4) het met de bepaling beoogde doel en de functie van de verzekering.

5.11.

Het gaat in deze zaak om een schadeverzekering voor een landbouwmachine waarvan het oliepeil telkens voordat de machine wordt gestart, gecontroleerd moet worden. Zo nodig moet olie worden bijgevuld. Als dit wordt verzaakt, kan de machine beschadigd raken. De machine wordt ingezet op locatie en wordt daar bediend door verschillende chauffeurs. De vraag is of het controleren van de olie valt onder het gebruik van de machine of behoort tot het onderhoud. In het eerste geval is de schade verzekerd, in het tweede geval is dat niet zo.

5.12.

In het algemeen is het periodiek controleren en bijvullen van het oliepeil van een verbrandingsmotor te beschouwen als een handeling die ertoe strekt de motor in goede conditie te houden. Dit is dan te rekenen tot het onderhoud van die motor. Hier gaat het echter om een machine waarbij vóór ieder gebruik het oliepeil moet worden gecontroleerd omdat de machine als zij in werking is, veel olie verbruikt. [appellante] heeft onweersproken verklaard dat de olie om de paar dagen moest worden bijgevuld en soms nog vaker, afhankelijk van het aantal uren dat de machine had gedraaid. Voor het gewone gebruik van de houtversnipperaar is dus de actieve controle van de smering van het werkmechaniek door de bediener van de machine van wezenlijk belang. Een controle die slechts periodiek plaatsvindt, volstaat blijkbaar niet. Handelingen die voor (vrijwel) elk gebruik van een machine dienen plaats te vinden, vormen naar algemeen spraakgebruik geen onderhoud, maar betreffen gebruikshandelingen. De veelvuldige controle van het oliepeil en het zonodig bijvullen van de olie zijn aldus niet te scharen onder het begrip onderhoud.

5.13.

Een verdere aanwijzing daartoe vormt het gegeven dat onderhoud in het algemeen door of in opdracht van de eigenaar plaatsvindt. Deze ziet erop toe dat dit regelmatig en tijdig gebeurt. Gebruikers hebben er doorgaans alleen op te letten dat zij de gebruiksinstructies correct opvolgen. Als dat gebruik, zoals hier, niet op het bedrijf van de eigenaar plaatsvindt, maar op locatie, waardoor er voor de eigenaar amper toezicht is te houden op het correcte gebruik, loopt de eigenaar een bijzonder risico, zeker als voor dat gebruik specifieke instructies gelden.

5.14.

[appellante] stelt dat zij juist het risico van ondeskundig gebruik van de houtversnipperaar heeft willen verzekeren. Zij stelt namelijk dat op haar uitdrukkelijke verzoek bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst schade die het gevolg is van bedieningsfouten of onoordeelkundig gebruik is meeverzekerd. Deze schade is normaalgesproken in de polis uitgesloten (onder 3.5 sub C van de ToplandLandbouwPolis, zie hiervoor onder rov. 5.3). De reden voor dit verzoek was volgens [appellante] dat de houtversnipperaar in het dagelijkse gebruik gevoelig is voor bedieningsfouten en onoordeelkundig gebruik. Zij heeft voor deze ruimere dekking ook extra premie betaald.

Achmea heeft deze stellingen van [appellante] op zichzelf niet weersproken. Zij stelt dat in het midden kan blijven of dit al dan niet zo is gebeurd als [appellante] stelt, omdat de schade een gevolg is van onvoldoende onderhoud (en dus niet het gevolg is van een bedieningsfout of onoordeelkundig gebruik, zodat het er niet toe doet of hier over is gesproken, zo begrijpt het hof).

Naar het oordeel van het hof is deze stelling van [appellante] echter wel van belang, in het bijzonder in het kader van de vraag met welk doel de bepaling is opgenomen en welke functie de verzekering had. Uit deze stelling volgt immers dat er is gesproken over een extra dekking voor deze machine omdat [appellante] de standaard uitsluitingsgrond niet in de polisvoorwaarden opgenomen wilde hebben en het risico van bedieningsfouten juist wilde verzekeren. Omdat Achmea dit vervolgens ook zo in de polis heeft opgenomen en tevens blijkbaar een hogere premie heeft verlangd, terwijl door haar niet is aangevoerd dat zij niet wist van de specifieke bedieningsvoorschriften die voor een houtversnipperaar gelden of het feit dat de houtversnipperaar door verschillende personen zou worden bediend op locatie buiten het zicht van [appellante] als eigenaar, mag worden aangenomen dat zij steeds heeft geweten dat [appellante] een brede dekking wilde voor het niet denkbeeldige risico van bedieningsfouten bij het gebruik.

5.15.

Dat in de onderhoudshandleiding het controleren van de smeerolie wordt geschaard onder dagelijks onderhoud, zoals Achmea aanvoert, weegt niet mee bij de uitleg van de polisvoorwaarden. Het gaat immers om de uitleg van het begrip onderhoud in het kader van de verzekering. De handleiding voor de houtversnipperaar is niet door de verzekeraar opgesteld en heeft een ander doel dat de verzekering.

5.16.

Achmea beroept zich er ook op dat sprake is van schade die is ontstaan door slijtage, wat in de polisvoorwaarden is uitgesloten. Zij verwijst naar de bevindingen van haar schade-expert.

Voor zover die heeft geconcludeerd dat de schade is ontstaan doordat er een versnelde slijtage optrad door het gebrek aan smeerolie, heeft te gelden dat dat niet de slijtage is zoals bedoeld in de uitsluiting van dekking. De in de uitsluitingen bedoelde slijtage ziet op slijtage door de gewone werking van de machine, dat wil zeggen door (normaal) gebruik en veroudering. Dat blijkt uit het feit dat slijtage in één zin wordt genoemd met schade die het rechtstreekse gevolg is van reparatie-, constructie- of materiaalfouten en van eigen gebrek. De slijtage die is uitgesloten van dekking kan niet worden geacht te zien op plotseling optredende slijtage door een gebrek aan smeerolie, zoals hier het geval was.

Voor zover Achmea onder verwijzing naar haar deskundige mocht menen dat er sprake was van hoog olieverbruik en dat dit duidde op reguliere slijtage van de motor, heeft het volgende te gelden. [appellante] heeft aangevoerd dat de houtversnipperaar door haar goed werd onderhouden. Zij liet de motor van de houtversnipperaar op regelmatige basis onderhouden door een monteur, die dan zaken als koelwater, hydrauliekolie en vet controleerde en een en ander bijhield in een onderhoudsstaat. Het smeerolieverbruik van de motor viel volgens de producent binnen de normale marges, zo heeft [appellante] in eerste aanleg tijdens de comparitie van partijen ook verklaard. Dit alles is niet gemotiveerd betwist door Achmea. Haar enkele stelling dat haar deskundige meent dat de motor veel olie verbruikte, biedt in het licht van het feit dat diezelfde deskundige heeft vastgesteld dat de motor is vastgelopen doordat niet op tijd smeerolie is bijgevuld, onvoldoende grond voor de conclusie dat de schade ook kan zijn ontstaan door kort gezegd ouderdomsslijtage. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat de schade uitsluitend is ontstaan door ondeskundig gebruik en niet door onvoldoende onderhoud.

5.17.

De conclusie is dan ook dat de schade is gedekt door de verzekering. Daarmee komt aan de orde welk bedrag Achmea aan [appellante] moet uitkeren. Partijen zijn het erover eens dat het toe te wijzen bedrag exclusief btw is. [appellante] heeft haar eis in die zin ook verminderd met het bedrag aan btw. Ook zijn partijen het erover eens dat een eigen risico van € 1.500,00 geldt.

Daarnaast zijn partijen het erover eens dat een correctie-aftrek nieuw voor oud moet worden toegepast, maar niet over de hoogte van die aftrek. Achmea gaat uit van een correctie van 50% van de kosten van de te vervangen onderdelen. Zij heeft deze aftrek gebaseerd op de leeftijd van de houtversnipperaar, die op de schadedatum ruim negen jaar oud was. Achmea stelt dat de verwachte levensduur van de machine twintig jaren is, onder verwijzing naar het rapport van haar schade-expert (producties 5 en 6 bij inleidende dagvaarding).

[appellante] is het daarmee niet eens en stelt zich op het standpunt dat de aftrek maximaal 22,6% bedraagt. Zij heeft dat percentage berekend door uit te gaan van de verwachte levensduur van de machine van 30.000 uur en het feit dat de schade is opgetreden bij 6.800 draai-uren (zie 15 dagv). Zij verwijst met betrekking tot de levensduur van de motor naar een verklaring van importeur [Equipment] Equipment B.V. (hierna: [Equipment] ) (productie 15 eerste aanleg).

5.18.

In de polisvoorwaarden bij de ToplandPolis is onder meer bepaald dat op de herstelkosten van onderdelen die aan slijtage onderhevig zijn een redelijke aftrek nieuw voor oud wordt toegepast. Aldus moet worden beoordeeld wat een redelijke aftrek nieuw voor oud is.

De correctie nieuw voor oud kan alleen worden toegepast ten aanzien van de onderdelen van de machine en niet over arbeidsloon en bijkomende kosten, zodat de correctie moet worden toegepast over het bedrag van € 31.160,28 aan onderdelen, exclusief btw (zie prod 5 dagv, eindcalculatie).

5.19.

Naar het oordeel van het hof moet de correctiefactor worden bepaald aan de hand van de draaiuren en niet aan de hand van de verwachte levensduur van de motor in jaren. Daarbij is in aanmerking genomen dat de levensduur van de motor wordt beïnvloed door de intensiteit van gebruik van de machine, het aantal draaiuren. Een zeer intensief gebruik (in uren) zal de levensduur in jaren naar verwachting doen verminderen en vice versa. De motor zal immers eerder verslijten als deze intensiever wordt gebruikt. Het uitgangspunt van het aantal draai-uren geeft daarom een reëler beeld dan het aantal levensjaren. Dat het aantal draaiuren van belang is bij de motor blijkt ook uit de onderhoudssheet die de monteur bijhoudt (productie 14 bij dagvaarding). Daarop staan bij elke beurt het totaal aantal gedraaide uren tot dat moment vermeld, en niet de leeftijd van de machine in jaren.

De machine kan volgens de verklaring van importeur [Equipment] 25.000 tot 40.000 uur draaien, afhankelijk van de werkomstandigheden en de kwaliteit van het onderhoud en rekening houdend met deelrevisies. Uit het onderhoudssheet van de machine kan worden geconcludeerd dat deze op regelmatige basis werd onderhouden door een monteur. Er is overigens niet gesteld of gebleken dat de motor niet goed werd onderhouden of dat de werkomstandigheden van negatieve invloed zijn geweest op de levensduur van de motor.

In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de door [appellante] tot uitgangspunt genomen verwachte levensduur van 30.000 draai-uren redelijk is. Daarbij wordt voorbij gegaan aan de stelling van Achmea op de comparitie in eerste aanleg dat haar schade-expert [schade-expert] zou hebben achterhaald dat het gemiddeld aantal draaiuren zonder revisies 12.000 is. Niet alleen is gesteld noch gebleken dat de onderhavige motor geen revisies heeft gehad, ook is deze stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd, met name op het punt op welke wijze de expert dit heeft achterhaald en waarop dit getal is gebaseerd.

5.20.

Niet in geschil is dat de motor 6.800 uur had gedraaid op het moment van het schadevoorval. Uitgaande van de hiervoor vermelde verwachte levensduur van 30.000 draaiuren moet een correctiefactor nieuw voor oud van 22,6% worden toegepast. Op het bedrag aan onderdelen van € 31.160,28 moet dus een bedrag van € 7.042,22 in mindering worden gebracht, zodat een bedrag van € 24.118,06 als vergoeding voor schade aan de onderdelen resteert. Daar komt bij een bedrag aan arbeidsloon van € 1.139,29 en bijkomende kosten van € 416,00, (zie eindcalculatie schade-expert) in totaal € 25.673,35. Daarop komt in mindering het eigen risico van € 1.500,00, zodat een bedrag van € 24.173,35 resteert. Dit bedrag zal worden toegewezen.

5.21.

Achmea heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf de schadedatum 30 september 2016, zodat dit zo kan worden toegewezen.

5.22.

[appellante] vordert daarnaast een bedrag van € 2.844,59 aan bijkomende kosten. Deze kosten hebben betrekking op werkzaamheden in verband met het (de)monteren van de motor, het schoonmaken en wegbrengen van de motor naar [Equipment] , reiskosten in dat verband en dergelijke (zie punt 16 dagv eerste aanleg).

Achmea heeft (de noodzaak tot het maken van) deze kosten gemotiveerd betwist. Achmea heeft er op gewezen dat [appellante] de kosten niet heeft gemeld bij haar schade-expert. Op grond van de polisvoorwaarden stelt de schade-expert onder meer de omvang van de schade en de hoogte van de kosten vast.

[appellante] heeft niets gesteld over de grondslag voor dit deel van zijn vordering. In wezen gaat het in deze zaak om een nakomingskwestie, de omvang daarvan wordt in beginsel bepaald door de verplichtingen die Achmea op grond van de polis heeft. Daarnaast zou er wellicht sprake kunnen zijn van gevolgschade, maar dan ligt het op de weg van [appellante] om daartoe het nodige te stellen. Nu zij dit heeft nagelaten, moet dit deel van de vordering wegens onvoldoende onderbouwing worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1.

Uit het voorgaande volgt de conclusie dat de grieven II, IV en V slagen. Hetgeen [appellante] overigens nog in haar tweede grief aanvoert hoeft daarom niet te worden besproken.

Bij de behandeling van grief III, die ziet op het buiten toepassing laten van de contra-proferentem regel, heeft [appellante] dan geen belang meer. Hetzelfde geldt voor grief I, waar [appellante] stelt dat de door de rechtbank vastgestelde feiten onvolledig zijn.

6.2.

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal als na te melden worden beslist.

6.3.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Achmea in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 86,73

- griffierecht € 1.924,00

totaal verschotten € 2.010,73

- salaris advocaat € 1.390,00 (2 punten x tarief III ad € 695,00)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 85,44

- griffierecht € 1.978,00

totaal verschotten € 2.063,44

- salaris advocaat € 1.391,00 (1 punt x tarief III ad € 1.391,00)

6.4.

[appellante] heeft tevens terugbetaling gevorderd van de proceskosten die zij ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank heeft betaald van € 3.314,00. Achmea heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Nu het vonnis van de rechtbank integraal zal worden vernietigd, is de rechtsgrond aan de betaling van de proceskosten komen te ontvallen. In die zin heeft [appellante] deze kosten onverschuldigd betaald, zodat recht op terugbetaling bestaat. De vordering zal daarom worden toegewezen.

6.5.

Als niet weersproken zal het hof een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toewijzen, gerelateerd aan de toe te wijzen hoofdsom en de gevorderde wettelijke rente daarover, nu het redelijk kan worden geacht dat [appellante] in de gegeven omstandigheden de desbetreffende kosten heeft gemaakt. Een bedrag van € 1.045,18 zal worden toegewezen. Ook de gevorderde nakosten zullen worden toegewezen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 mei 2018 en doet opnieuw recht;

veroordeelt Achmea tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 24.173,35 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de schadedatum 30 september 2016 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Achmea tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 1.045,18 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na betekening van dit arrest tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Achmea tot (terug)betaling aan [appellante] van de proceskosten in eerste aanleg van € 3.314,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na betekening van dit arrest, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Achmea in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 2.010,73 voor verschotten en op € 1.390,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.063,44 voor verschotten en op € 1.391,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

veroordeelt Achmea in de gevorderde nakosten van € 131,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,00 in geval Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden,

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, O.G.H. Milar en R.F. Groos, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.

griffier rolraadsheer