Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1979

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
200.243.192_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 juni 2020

Zaaknummer: 200.243.192/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/323818/FA RK 17-3762

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. J. Ran, thans mr. F.E.J. Menkveld,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 april 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2018, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te wijzigen op het onder 3.3. genoemde punt, in dier voege dat de vader met [minderjarige] contact zal hebben eenmaal per veertien dagen van 15:00 uur tot 17:00 uur op het adres [adres 1] te [plaats] , een en ander in het bijzijn van de moeder dan wel op een nader overeen te komen adres en op een nader door partijen te bepalen tijdstip.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 december 2018, heeft de vader het hof verzocht de moeder in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de moeder af te wijzen als ongegrond dan wel onbewezen, met veroordeling van de moeder in de kosten van dit geding.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Hiervan is een verkort proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Ran;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Kerkhof;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het procesdossier eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 10 augustus 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 9 januari 2019.

2.5.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Menkveld;

- de vader, bijgestaan door mr. Van Kerkhof.

2.5.1.

Namens de raad is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, geen vertegenwoordiger ter

mondelinge behandeling verschenen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de advocaat van de vader d.d. 2 december 2019;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 9 januari 2020;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 13 februari 2020;

  • -

    de brief van de advocaat van de vader d.d. 17 februari 2020;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 5 mei 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 18 april 2016 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang,

een - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - zorgregeling vastgesteld zoals partijen ter zitting zijn overeengekomen, waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen op de zaterdag van 10:00 uur tot 13:00 uur op een neutrale plek bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] haalt en terug brengt.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in haar beroepschrift, kort samengevat, aan dat de bepaling in de bestreden beschikking onder 3.3. door de vader ten onrechte zodanig wordt uitgelegd dat hij degene is die bepaalt op welke plek de ontmoeting tussen hem en [minderjarige] plaatsvindt en dat de moeder daarbij niet aanwezig is. Partijen zijn echter voor en tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank overeengekomen dat de omgang zal plaatsvinden op een neutrale plaats, later ingevuld op het adres [adres 1] te [plaats] van 15.00 uur tot 17.00 uur in het bijzijn van de moeder. De moeder wijst er verder in haar beroepschrift nog op dat de vader, sinds de geboorte van [minderjarige] , slechts enkele uurtjes met hem heeft doorgebracht.

3.5.

De vader voert in zijn verweerschrift, kort samengevat, aan dat het de moeder was die de

zorgregeling niet nakwam. De vader benadrukt verder dat de moeder haar verzoek niet onderbouwt. De vader is bereid om contact met [minderjarige] te hebben op een neutrale plek in het bijzijn van de moeder, maar niet bij haar thuis.

3.6.

De raad heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling geadviseerd dat de ouders, onder begeleiding, moeten werken aan hun onderlinge communicatie en samenwerking.

3.7.

Uit het verkort proces-verbaal van de eerste, op 29 januari 2019 gehouden mondelinge behandeling bij het hof volgt dat partijen zich bereid hebben verklaard om, afzonderlijk van elkaar, zich binnen drie weken na deze mondelinge behandeling aan de melden bij Geynwijs te [vestigingsplaats 1] voor ouderschapsbemiddeling. Het hof heeft toen met partijen afgesproken dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van verdere ontwikkelingen.

3.8.

Uit de, na de eerste mondelinge behandeling bij het hof, ontvangen stukken blijkt dat

hoewel er enkele contacten tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding van een trajectbegeleider van Youké hebben plaatsgevonden, dit traject voortijdig is gestopt.

Uit het verslag van Ouderschap Blijft blijkt dat de aanhoudende echtscheidingsproblematiek voor escalaties zorgde en leidde tot verbaal agressieve uitlatingen tussen de ouders over en weer. Het bleek lastig om de omgang tussen de vader en [minderjarige] een vervolg te geven.

Blijkens de reactie van partijen op het traject bij Youké, heeft de vader de moeder enkele keren aanwezig heeft laten zijn bij de contactmomenten met [minderjarige] . Hij vindt dat de tijd nu rijp is om enkel onder begeleiding van een trajectbegeleider contact met [minderjarige] te hebben.

De moeder benadrukt dat [minderjarige] de vader onvoldoende kent om zonder haar aanwezigheid op de achtergrond onbevangen contact met de vader te kunnen hebben. Zij verzoekt het hof primair om een raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken wat voor [minderjarige] te beste omgangsregeling is. Subsidiair vraagt zij om een omgangsregeling vast te stellen waarbij eerst tien keer omgang bij TussenThuis te [vestigingsplaats 2] plaatsvindt zodat [minderjarige] in ieder geval onder toeziend oog van deskundige medewerkers aan de omgang in het algemeen en aan de vader in het bijzonder kan wennen.

In reactie op het subsidiaire verzoek van de moeder heeft de vader verklaard dat hij instemt met een doorverwijzing naar TussenThuis te [vestigingsplaats 2] , waarbij hij benadrukt dat de contacten tussen hem en [minderjarige] plaatsvinden buiten de afwezigheid van de moeder.

3.9.

Uit de overgelegde stukken en de tot op heden bij dit hof gehouden mondelinge behandelingen is onder meer naar voren is gekomen dat, vanwege door verschillende factoren gevoede ex-partnerproblematiek, alleen het mogelijk maken van omgang in deze zaak niet volstaat. Partijen dienen daarnaast, zoals door hen ook tijdens de mondelinge behandeling werd onderkend, te werken aan de onderliggende echtscheidingsproblematiek.

Nu zij ter mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij daaraan willen meewerken, zal het hof naast een verwijzing voor de omgang tussen de vader en [minderjarige] naar TussenThuis te [vestigingsplaats 2] , de vader en de moeder ook verwijzen naar I-psy (locatie [locatie] , dan wel een andere locatie die, ook om er in het belang van [minderjarige] de vaart in te houden, de voorkeur van partijen geniet). Deze organisatie is gespecialiseerd in interculturele psychiatrie en werkt transcultureel systemisch.

3.9.1.

Ten aanzien van de verwijzing naar I-psy dient de moeder zich als eerste - via een verwijzing van haar huisarts - aan te melden. Zodra dat is gebeurd, dient zij dit door te geven aan de (advocaat van de) vader en hem te informeren op welke wijze hij zich kan aanmelden. Zodra de aanmelding van beide ouders bij I-psy rond is, dienen partijen zich aan te melden bij TussenThuis te [vestigingsplaats 2] . Dit om ervoor te zorgen dat beide trajecten parallel lopen.

3.10.

Het hof zal, in afwachting van de verdere ontwikkelingen, de verdere behandeling van de zaak aanhouden, teneinde de resultaten af te wachten.

3.11.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing pro forma tot 24 december 2020 aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verwijst de moeder en de vader naar:

  • -

    TussenThuis [vestigingsplaats 2] , [adres 2] , ( [postcode] ) [vestigingsplaats 2] voor een traject omgangsbegeleiding tussen de vader en [minderjarige] ; en

  • -

    I-psy (locatie [locatie] dan wel een andere locatie) voor de onderlinge echtscheidingsproblematiek;

conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 3.9. en 3.9.1. is overwogen;

verzoekt partijen tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum het hof te informeren over het verloop en de resultaten van deze trajecten;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 24 december 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en is op 25 juni 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. E.L. Schaafsma-Beversluis in tegenwoordigheid van de griffier.