Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1973

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
200.229.335_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huurrecht; dringend eigen gebruik?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.229.335/01

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E.A.G. van Acker,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: aanvankelijk mr. M.M. Claase (die zich bij rolbericht van 30 november 2018 heeft onttrokken als advocaat van [geïntimeerde] ),

op het bij exploot van dagvaarding van 8 december 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 juli 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5654433 / 17-329

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tussenarrest van 27 februari 2018 waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van die comparitie van 6 juni 2018 waarbij geen schikking is getroffen;

  • -

    de memorie van grieven van 24 juli 2018 met 8 producties;

  • -

    het rolbericht van mr. M.M. Claase d.d. 30 oktober 2018, waarbij deze zich onttrekt als advocaat van [geïntimeerde] ;

  • -

    de op de rolzitting van 13 november 2018 verleende akte van niet dienen (de zaak had al voor memorie van antwoord gestaan op de rolzittingen van 21 augustus, 2 oktober (er werd toen vier weken uitstel verleend), 30 oktober en 13 november 2018.

Vervolgens heeft appellante arrest gevraagd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van 18 juni 2011 is de echtscheiding uitgesproken. Door inschrijving van die beschikking op 19 september 2011 is het huwelijk ontbonden.

3.3.

Bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn partijen overeengekomen dat de gemeenschappelijke woning aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: de woning) aan [geïntimeerde] wordt toebedeeld en hij de woning met ingang van 1 oktober aan [appellante] verhuurt tegen een huurprijs bij aanvang van € 558,- per maand. Die afspraak is vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 14 september 2011.

3.4.

Levering van de onverdeelde helft van de woning door [appellante] aan [geïntimeerde] heeft nog niet plaatsgevonden.

3.5.

Op de woning is een hypotheek gevestigd ten behoeve van Delta Lloyd bank N.V.

3.6

Bij brief van 24 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2017, omdat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik wegens sloop van zijn huurwoning en omdat [appellante] zich niet als goed huurder gedraagt.

3.7.

Bij brief van 10 juli 2017 berichtte de verhuurder van [geïntimeerde] , [huurder van adres 2] , het

volgende:

"(…) In verband met het sloop- en nieuwbouwproject Lievenspolder hebben wij de huur van

uw woning [adres 2] opgezegd per 1 april 2017. In verband met de gefaseerde

planning kreeg u op 27 februari 2017 toestemming om de woning later op te leveren.

Inmiddels is de einddatum van fase 4 vastgesteld op 1 september 2017. Dit betekent dat de

woning [adres 2] uiterlijk 1 september leeg moet zijn.(…)

Wisselwoning
De voor u gereserveerde nieuwbouwwoning moet nog gebouwd worden. Daarom bieden wij

u gedurende de sloop- en bouwperiode de volgende wisselwoning aan: [adres 3]

, [plaats] . Deze tijdelijke woning is beschikbaar per 21 juli 2017.
Huurcontract

U moet het huurcontract van uw huidige woning officieel opzeggen met als einddatum 1

september 2017. Wij zijn namelijk verplicht om voor de wisselwoning een nieuw huurcontract met u af te sluiten. De huurprijs van uw wisselwoning is niet hoger dan de huurprijs van uw huidige woning.

Vanaf 21 juli betaalt u de huur van de wisselwoning. U heeft dus geen

dubbele huurlasten. Zodra uw huuropzegging bij ons binnen is, maken wij deel I (50%) van

de verhuiskostenvergoeding aan u over. (...)

Nieuwbouwwoning

De huurprijs van de nieuwe woning bedraagt € 592,55 + € 43,21 energieprestatievergoeding

(prijspeil 2017)."

3.8.

In eerste aanleg vordert [geïntimeerde] -voor zover in hoger beroep nog van belang- dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis (i) vaststelt dat de huurovereenkomst eindigt op 1 oktober 2017 of op een te bepalen andere datum, (ii) [appellante] beveelt de woning op die datum te ontruimen en ontruimd te houden en aan [geïntimeerde] ter beschikking te stellen op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte van een dag indien [appellante] aan dat bevel niet voldoet en (iii) [appellante] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

3.9.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik en een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Daarnaast gedraagt [appellante] zich niet als goed huurder. [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst op deze gronden opgezegd, maar [appellante] heeft daar niet mee ingestemd.

3.10.

[appellante] voert verweer en vordert in (voorwaardelijke) reconventie de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten.

3.11.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt vastgesteld op 1 januari 2018 en [appellante] veroordeeld de woning uiterlijk op 1 januari 2018 te ontruimen en ontruimd te houden en leeg aan [geïntimeerde] ter beschikking te houden. De proceskosten zijn gecompenseerd. De (voorwaardelijke) reconventionele vordering van [appellante] is afgewezen. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.12.

[appellante] heeft in hoger beroep 9 grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen.

3.13.

[geïntimeerde] is in hoger beroep verschenen, maar heeft geen memorie van antwoord genomen.

3.14.

[appellante] voert met name aan dat de kantonrechter ten onrechte overwogen heeft:

- dat [geïntimeerde] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik (grief 1);

- dat de financiële situatie van [geïntimeerde] verhuur van de woning niet langer toelaat (grief 2);

- dat de aan [geïntimeerde] aangeboden woningen geen alternatieve keuzemogelijkheden zijn (grief 3);

- dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] als alternatief voor de te slopen huurwoning andere mogelijkheden heeft om in zijn huisvestingsbehoefte te voorzien, het niet anders maakt dat [geïntimeerde] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik (grief 4);

- dat de afspraak tussen partijen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de woning aan [geïntimeerde] is toebedeeld en door hem is verhuurd aan [appellante] , kennelijk uit noodzaak tot stand is gekomen;

- dat deze keuze niet is ingegeven door de wens van partijen om na de echtscheiding (langdurig) een huurrelatie aan te gaan;

- dat het aannemelijk is dat [geïntimeerde] daarom een dringend eigen belang heeft bij het gebruik van de woning (aparte grief, maar per ongeluk ook genummerd als grief 4);

- dat de belangenafweging in het voordeel van [geïntimeerde] dient uit te vallen (grief 5);
- dat [appellante] voldoende andere passende woonruimte kan verkrijgen (grief 6).

3.15.

Met deze grieven wordt de vraag of de vordering van [geïntimeerde] tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik toewijsbaar is in volle omvang voorgelegd.

3.16.

Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of de opzegging van een huurovereenkomst door de verhuurder op grond van dringend eigen gebruik gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang en wel naar de stand van zaken op het moment dat hierover een beslissing genomen wordt. Het is, met andere woorden, een beslissing ex nunc en niet ex tunc. Allereerst dient dan bezien te worden of [geïntimeerde] naar de situatie van dit moment voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.

3.17.. Vaststaat dat de huurwoning die [geïntimeerde] bewoonde gesloopt werd. Uit de stukken blijkt dat hem een wisselwoning en een nieuwbouwhuurwoning is aangeboden. De huurlast van de wisselwoning was gelijk aan die van de huurwoning die [geïntimeerde] bewoonde. Hij ontving een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten. De huurlast van de nieuwbouwhuurwoning bedraagt € 592,55 (huur) en € 43,21 (energieprestatievergoeding) per maand, zo blijkt uit de onder 3.7 vermelde brief van de verhuurder van de woning van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen nader inzicht gegeven in de inmiddels gewijzigde situatie, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen in verband met de beoordeling of nog steeds sprake is van dringend eigen gebruik. Toen de zaak laatstelijk voor memorie van antwoord stond (13 november 2018) woonde hij ofwel reeds geruime tijd in de wisselwoning en mogelijk al in de nieuwbouwwoning of in een andere woning. Gegevens daarover zijn echter niet in het geding gebracht.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg nog aangevoerd dat een andere huurwoning hogere maandlasten met zich zal brengen, maar heeft ook dat betoog in beide instanties onvoldoende toegelicht. Zo kan het hof uit de stukken in eerste aanleg niet opmaken of en in hoeverre de huurlast van [geïntimeerde] hoger is als gevolg van de nieuwe huisvesting.

Ten slotte betrekt het hof bij een en ander dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet gesteld of gebleken is dat het belang van [appellante] om in de woning te blijven wonen slechts van tijdelijke aard is (totdat zij een aanvaardbaar alternatief had gevonden) en dat dit past bij de intenties die partijen hebben gehad toen zij in 2011 de huurovereenkomst sloten. Vaststaat dat partijen een standaard huurovereenkomst hebben gesloten. Door [geïntimeerde] is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep aangevoerd dat het de bedoeling was dat Vandervelde de woning slechts tijdelijk zou huren. In zoverre slaagt ook grief 4, die zich tegen deze overweging richt.

Devolutieve werking

3.18.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] aan zijn verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst ten grondslag gelegd dat [appellante] zich niet gedraagt als een goed huurder. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat deze grondslag onvoldoende onderbouwd is. Hetzelfde geldt voor de, overigens door [appellante] betwiste, stelling dat [appellante] op eigen initiatief huur in mindering heeft gebracht en dat sprake zou zijn van een huurachterstand. Enige onderbouwing hiervan is niet gegeven.

3.19.

De conclusie is dat de bestreden beslissing wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. Grief 8 die ziet op de afwijzing van een verhuis- of inrichtingskosten voor [appellante] bij een toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] behoeft geen beoordeling.

3.20.

In de omstandigheid dat partijen elkaars gewezen echtgenoten zijn en dat dit geschil ook indirect voortvloeit uit de wijze waarop de verdeling van de gemeenschap en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning is geregeld, ziet het hof aanleiding de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren. Grief 9 faalt.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 22 juli 2017 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen af;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juni 2020.

griffier rolraadsheer