Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1961

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.268.596_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:4664
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

contactregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 juni 2020

Zaaknummer: 200.268.596/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/361159 / FA RK 19-4709

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld.

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

- het verzoek van de vader tot het verlenen van (vervangende) toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool ‘De Klaproos’ te [vestigingsplaats] alsnog af te wijzen;

- de door partijen mondeling overeengekomen contactregeling alsnog vast te stellen, dan wel te wijzigen, in die zin dat een contactregeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de moeder verblijft:

- primair iedere dinsdag uit school tot donderdagochtend naar school, alsook eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede iedere zondag en de helft van de vakanties en feestdagen;

- subsidiair eenmaal per twee weken van vrijdag uit school, althans vanaf 14.00 uur, tot maandag naar school, althans tot 9.00 uur, alsmede iedere woensdag uit school, althans vanaf 12.00 uur, tot donderdag naar school, althans tot 9.00 uur en verder eenmaal per twee weken, in de weken waarin [minderjarige] het weekend niet bij de moeder verblijft, op maandag uit school, althans vanaf 14.00 uur, tot dinsdag naar school, althans tot 9.00 uur, alsook de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen,

althans een zodanige contactregeling vast te stellen als het hof in het belang van [minderjarige] acht.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek om het verzoek van de vader tot het verlenen van (vervangende) toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool ‘De Klaproos’ te [vestigingsplaats] alsnog af te wijzen ingetrokken.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 februari 2020, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en voorts te bepalen dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] zal plaatsvinden eenmaal per twee weken een weekend, alsmede op woensdag met overnachtingsmoment, waarna de moeder [minderjarige] op donderdag naar school brengt.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Schuerman, namens mr. De Gruijl;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Bronsveld;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 18 februari 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 24 februari 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 25 mei 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] . De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vader.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, om [minderjarige] in te schrijven op basisschool ‘De Klimroos’ te [vestigingsplaats] , en voorts het verzoek van de moeder tot wijziging van de contactregeling afgewezen.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert, kort samengevat en voor zover thans nog van belang, het volgende aan. De wijziging van school behoort niet aan de vaststelling van een contactregeling in de weg te staan. [minderjarige] heeft ook na deze wijziging belang bij een grote rol van beide ouders in haar leven. [minderjarige] verblijft feitelijk de helft van de tijd bij de moeder. Zij blijft bijna iedere woensdag overnachten. De huidige regeling moet als minimale regeling worden vastgelegd. Er zijn geen contra-indicaties die zich tegen een (min of meer) gelijke verdeling verzetten. Op dit moment wordt wel van de regeling afgeweken, maar alleen volgens de wensen van de vader. De moeder heeft niet de intentie om over het hoofdverblijf te beginnen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat en voor zover thans nog van belang, het volgende aan. De huidige contactregeling kan als minimale regeling worden vastgelegd. De vader betwist de juistheid van de door de moeder genoemde verdeling. [minderjarige] gaat op de andere woensdagen wel eens naar de moeder en soms blijft zij daar dan overnachten. De vader kan er mee instemmen dat [minderjarige] voortaan iedere woensdag naar de moeder gaat waarbij zij om de week bij de moeder blijft overnachten. Van de regeling kan in overleg worden afgeweken. Het is niet zo dat dit alleen volgens de wensen van de vader gebeurt. Dat van de regeling wordt afgeweken, betekent niet dat sprake moet zijn van een feitelijk co-ouderschap. Gelet op het verleden is het voor de vader belangrijk dat er wordt vastgehouden aan de minimale regeling. De vader vreest dat zodra het contact wordt uitgebreid, er de volgende maand een verzoek wijziging hoofdverblijf ligt.

3.6.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat er duidelijkheid komt over de contactregeling. Hierbij moet een minimale regeling het uitgangspunt zijn waarbij meer contact mag maar minder niet. Gelet op het verleden moet de regeling recht doen aan de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] van de moeder naar de vader. Deze wijziging is niet zomaar gebeurd, het was een zeer complexe zaak. Het is heel positief hoe de ouders nu met elkaar omgaan en hoe flexibel zij zijn, maar het gaat pas een half jaar goed en dat is wel een hele prille basis gelet op de voorgeschiedenis.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

Vervangende toestemming inschrijving basisschool

3.7.1.

De (advocaat van de) moeder heeft haar verzoek ten aanzien van de verleende (vervangende) toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool ‘De Klaproos’ ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de moeder haar hierop betrekking hebbende grief in hoger beroep niet langer handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek in hoger beroep inzake de verleende (vervangende) toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool ‘De Klaproos’.

Contactregeling

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.7.3.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] dient te worden vastgesteld. Partijen hebben het hof niet duidelijk kunnen maken of in het verleden al formeel een contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] is vastgesteld, anders dan middels de schriftelijke aanwijzing in het kader van de inmiddels beëindigde ondertoezichtstelling. Nu het hof geen stukken heeft gezien waaruit anders blijkt, zal het hof ervan uitgaan dat het een eerste vaststelling betreft.

3.7.4.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat sprake is van een complexe voorgeschiedenis, hetgeen heeft geleid tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] van de moeder naar de vader. Tussen de ouders is weliswaar sprake van positieve ontwikkelingen maar deze zijn, gelet op de voorgeschiedenis, nog heel pril en daarmee op dit moment nog onvoldoende bestendig gebleken. Het hof volgt de raad in zijn advies dat een minimale regeling moet worden vastgesteld welke recht doet aan de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] . Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] op dit moment in ieder geval eenmaal per twee weken een weekend naar de moeder gaat alsmede eenmaal per twee weken op woensdag waarbij zij bij de moeder blijft overnachten. Ten aanzien van het verblijf van [minderjarige] bij de moeder op de tussenliggende woensdag liggen de visies van de ouders enigszins uiteen. Het voorgaande in aanmerking nemende acht het hof een contactregeling waarbij [minderjarige] naast de tweewekelijkse weekendregeling iedere woensdag bij de moeder verblijft, waarbij zij eenmaal per twee weken op woensdag bij de moeder blijft overnachten het meest in het belang van [minderjarige] . De woensdag waarop [minderjarige] niet bij de moeder blijft overnachten dient plaats te vinden voorafgaand aan het omgangsweekend. Uiteraard kunnen de ouders hier in onderling overleg van afwijken.

3.7.5.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders, na een korte schorsing, overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en de verdeling van de Kerstdagen, oudejaarsdag en nieuwjaarsdag.

Nu niet gebleken is van beletselen ten aanzien van deze tussen partijen overeengekomen verdeling zal het hof deze verdeling overnemen en opnemen in het dictum van deze beschikking.

Het hof acht het voorts in het belang van [minderjarige] dat de feestdagen, die niet in een vakantie vallen, tussen de ouders in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.

3.8.

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep inzake de verleende (vervangende) toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool ‘De Klaproos’;

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 oktober 2019, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen;

en opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012, een contactregeling vast inhoudende dat er contact plaatsvindt tussen de moeder en [minderjarige] :

- eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school;

- eenmaal per twee weken op de woensdag na voormeld omgangsweekend, van woensdag uit school tot donderdag naar school;

- eenmaal per twee weken op de woensdag voorafgaand aan voormeld omgangsweekend, uit school, waarbij [minderjarige] niet bij de moeder blijft overnachten;

- gedurende twee weken in de meivakantie;

- gedurende drie aaneengesloten weken tijdens de zomervakantie, in onderling overleg te bepalen;

- gedurende de helft van de herfstvakantie, in onderling overleg te bepalen;

- gedurende één week van de kerstvakantie, tenzij [minderjarige] met de vader op vakantie gaat, welke week jaarlijks wisselt, waarbij de twee kerstdagen bij helfte worden verdeeld, ook jaarlijks wisselend, en waarbij oudejaarsdag en nieuwsjaardag bij helfte worden verdeeld, ook jaarlijks wisselend;

- gedurende de helft van de overige feestdagen, voor zover deze niet in voormelde vakanties of de voorjaarsvakantie vallen, in onderling overleg te bepalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.D.M. Lamers en K.A. Boshouwers en is op 25 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.