Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1959

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.277.475_01 en 200.277.781_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:1616
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:1761
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 25 juni 2020

Zaaknummers : 200.277.475/01 en 200.277.781/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/369986 / JE RK 20-477 en C/02/370426 / JE RK 20-576

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.277.475/01 en in de zaak in hoger beroep met nummer 200.277.781/01 van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J. van der Stel,

tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaken gaan over de minderjarigen [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

Als informant wordt in beide zaken aangemerkt:

- [de informant] , de vader van [minderjarige 2] , hierna te noemen: de (stief)vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in beide zaken in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaak met nummer 200.277.475/01:

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2020, schriftelijk vastgelegd op 13 maart 2020, en naar de beschikking van die rechtbank van 18 maart 2020, uitgewerkt op 30 maart 2020.

In de zaak met nummer 200.277.781/01:

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 april 2020.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.277.475/01:

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 april 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikkingen van 12 maart 2020 en van 18 maart 2020 te vernietigen en de inleidende verzoeken van de GI alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

In de zaak met nummer 200.277.781/01:

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 mei 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 1 april 2020 te vernietigen en het inleidende verzoek van de GI alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.4.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

In beide zaken:

2.5.

De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 15 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van der Stel;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De raad en de (stief)vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter mondelinge behandeling verschenen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 maart 2020;

- de brief van de GI van 11 juni 2020.

3 De beoordeling

In de zaak met nummer 200.277.475/01 en in de zaak met nummer 200.277.781/01:

3.1.

Uit de moeder zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren, hierna tezamen ook aangeduid als de kinderen.

De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

De kinderen staan sinds 13 september 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 13 september 2020.

3.3.

Bij beschikking van 5 maart 2020 heeft de rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 maart 2020 tot 13 maart 2020. Bij beschikking van 12 maart 2020 heeft de rechtbank de beschikking van 5 maart 2020 voor zover het betreft de verleende machtiging tot uithuisplaatsing herroepen met ingang van 12 maart 2020.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 12 maart 2020, schriftelijk vastgelegd op 13 maart 2020, heeft de rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 12 maart 2020 tot 19 maart 2020, met aanhouding van de beslissing voor het overige.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 18 maart 2020, uitgewerkt op 30 maart 2020, heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 19 maart 2020 tot 2 april 2020.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 1 april 2020 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 2 april 2020 tot 2 juli 2020. De rechtbank heeft de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden tot de zitting van 20 juni 2020 in afwachting van een verslag van de GI.

3.7.

De moeder kan zich met de onder 3.4, 3.5 en 3.6 vermelde beschikkingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Gelet op de verwevenheid van voormelde beschikkingen en de grieven van de moeder zal het hof de zaken gezamenlijk bespreken.

Standpunten

3.8.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.

Aan de wettelijke gronden voor een uithuisplaatsing wordt niet voldaan. De GI heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd. De moeder betwist met klem dat de kinderen bij haar thuis worden geslagen. [minderjarige 1] heeft tegenover de moeder nooit aangegeven dat zij door de grootvader (mz) wordt geslagen of anderszins signalen afgegeven waaruit zou blijken dat zij wordt geslagen. [minderjarige 2] heeft geen uitspraken gedaan over mishandeling of andere zorgwekkende signalen afgegeven. De uitspraken van [minderjarige 1] kan de moeder niet plaatsen. Mogelijk gaat het om sociaal wenselijke antwoorden richting de medewerkers van de GI.

De huisarts heeft schriftelijk verklaard dat er geen zorgen over de kinderen zijn. Ook school is positief over de kinderen. Alleen het schoolverzuim was hoog, maar daarvoor is een plausibele verklaring.

De moeder betwist dat de situatie bij haar thuis niet veilig is voor de kinderen. De moeder woont met de kinderen en de grootmoeder (mz) in een woning. De grootvader maakt geen deel uit van het samenlevingsverband van de moeder en de kinderen. De moeder heeft tegenover de GI aangegeven dat kan worden afgesproken dat de grootvader voorlopig niet bij de opvoeding van de kinderen zal worden betrokken. Hiermee kunnen de zorgen worden weggenomen en is een uithuisplaatsing niet noodzakelijk. De grootmoeder beschikt over voldoende opvoedvaardigheden.

De maatregel van uithuisplaatsing is buitenproportioneel en in strijd met artikel 8 EVRM. De GI heeft de noodzaak van verlenging van deze maatregel onvoldoende onderbouwd. Onderzoek naar de thuissituatie bij de moeder kan ook ambulant plaatsvinden zonder dat de kinderen uit huis zijn geplaatst. De moeder werkt overal aan mee. Daar komt nog bij dat als gevolg van de coronamaatregelen onderzoek niet uitvoerbaar is of met vertraging wordt uitgevoerd. Uit de brief van de GI van 11 juni 2020 blijkt dat het onderzoek naar de mogelijke signalen van kindermishandeling nog niet is opgestart. De uithuisplaatsing van de kinderen zal hierdoor onwenselijk lang voortduren.

Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij geen toestemming verleent voor een dossieronderzoek van de GI bij Jeugdbescherming Brabant, Raad voor de Kinderbescherming of de politie, omdat haar eigen uithuisplaatsing traumatisch voor haar is geweest en zij dit hoofdstuk heeft afgesloten.

Bij een medisch onderzoek van de kinderen wil de moeder de kinderen vergezellen. De moeder is ermee akkoord dat een gedragswetenschapper met de kinderen spreekt.

De contacten tussen de moeder en de kinderen na de uithuisplaatsing verlopen goed.

3.9.

De GI voert tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.

Aan de wettelijke gronden voor een uithuisplaatsing wordt nog steeds voldaan. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor dossieronderzoek van de GI bij de politie, bij Jeugdbescherming Brabant en bij de raad. De GI wil een totaalbeeld krijgen. De moeder is zelf tijdens een deel van haar minderjarigheid ook uit huis geplaatst. Haar ouders hebben daarin een rol gehad. Doordat de moeder niet meewerkt, is de GI niet in staat de strafrechtelijke antecedenten van de grootvader (mz) te onderzoeken. Evenmin kan de GI daardoor een veiligheidsinschatting maken.

De GI kan de uitlatingen die [minderjarige 1] heeft gedaan niet duiden, maar deze zijn wel ernstig en opvallend voor een kind van deze leeftijd. De moeder geeft geen toestemming voor medisch onderzoek van de kinderen. Er moet worden onderzocht of er bij de kinderen sprake is van kindeigen problematiek. [minderjarige 1] heeft een slechte motoriek en een slecht geheugen. Zo weet zij na een paar dagen nog steeds de naam van haar juf niet op school. Ook kan zij haar zitplaats in de klas vaak niet terugvinden. [minderjarige 2] kampt met vermoeidheid zonder dat duidelijk is waar dit door wordt veroorzaakt. Het is lastig om de moeder bij een medisch onderzoek van de kinderen te betrekken, omdat de kinderen nog steeds op een geheim adres zijn geplaatst. De GI bekijkt of de geheimhouding eventueel kan worden opgeheven.

Het is zeer opmerkelijk dat beide kinderen aangeven - ook op school - dat zij niet terug naar huis willen. In twee regio’s heeft de GI een aanmelding gedaan bij Veilig Thuis voor een onderzoek naar mogelijke signalen van kindermishandeling, maar in beide gevallen heeft Veilig Thuis de aanmelding geweigerd. De GI is nu voornemens om een onafhankelijke gedragswetenschapper te benaderen voor onderzoek van [minderjarige 1] . De moeder verleent hieraan geen medewerking.

10 voor Toekomst heeft een netwerkanalyse van de thuissituatie van de moeder gemaakt. Het betreft een gesloten systeem. In een gesloten systeem is het moeilijk om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Ook bij de (stief)vader heeft 10 voor Toekomst een netwerkanalyse gedaan. Verder onderzoekt 10 voor Toekomst de opvoedvaardigheden van de grootouders (mz) en ondersteunen de gezinscoaches van 10 voor Toekomst de moeder bij de contacten met de kinderen. 10 voor Toekomst observeert de interacties tussen de moeder en de kinderen en tussen de grootouders en de kinderen. De moeder volgt de adviezen van 10 voor Toekomst goed op. Na de contactmomenten met de moeder zijn de kinderen doodmoe en niet aan te sturen.

De GI heeft bij de rechtbank om een verdere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. De GI wil een volledig onderzoek doen. Indien de moeder blijft weigeren om toestemming te verlenen voor het onderzoek, zal de GI de rechter om vervangende toestemming verzoeken.

De kinderen doen het redelijk goed op school. [minderjarige 2] heeft een eigen wil. Hij heeft contacten in de klas. Over [minderjarige 1] zijn zorgen, met name over haar geheugen. Ook de contacten tussen haar en haar klasgenoten verlopen moeilijk.

In het gezinshuis laten de kinderen zich steeds beter aansturen.

Overwegingen van het hof

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Tot spoeduithuisplaatsing kan slechts worden overgegaan indien er een acute noodzaak tot uithuisplaatsing is. In dat geval kan de beschikking tot uithuisplaatsing aanstonds worden gegeven indien de behandeling bij de kinderrechter niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

3.10.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling is het volgende gebleken.

De kinderen zijn op 13 september 2019 onder toezicht gesteld, omdat zij ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd vanwege zorgen over het gezinssysteem, die al langere tijd bestonden, onder meer vanwege meldingen uit het verleden over geweld en recente betrokkenheid van de politie. Verder ontbrak het aan zicht op het gezinssysteem en was er sprake van veel weerstand tegen de hulpverlening. De ondertoezichtstelling van de kinderen is door de rechtbank bij beschikking van 12 maart 2020 verlengd tot 13 september 2020. De zorgen over het gezin waren nog onvoldoende weggenomen, omdat zicht op het gezinssysteem nog altijd ontbrak. Daarnaast was er sprake van aanzienlijk schoolverzuim bij de kinderen.

De kinderen zijn op 5 maart 2020 met spoed uithuisgeplaatst in een gezinshuis. De rechtbank heeft deze beslissing op 12 maart 2020 herroepen. De GI heeft verklaard dat, toen zij doende waren uitvoering te geven aan deze herroeping (thuisplaatsing), [minderjarige 1] herhaaldelijk en uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij niet terug naar huis wil, dat zij bang is en geslagen wordt door opa. De GI nam dit zeer serieus te meer nu de leerkracht op de school waar [minderjarige 1] in de voorafgaande week naar toe was gegaan ook opvallende angstreacties had gezien op het moment dat [minderjarige 1] werd aangesproken op haar gedrag. De GI heeft naar aanleiding van deze informatie getracht afspraken te maken met de moeder in het kader van de veiligheid, hetgeen niet lukte. De moeder wilde de kinderen per direct (21.15 uur ’s avonds) ophalen bij hun verblijfplaats. Ambulante spoedhulpverlening om begeleiding te bieden in de thuissituatie bleek op korte termijn niet beschikbaar. De GI kon de veiligheid van de kinderen niet waarborgen in de thuissituatie. Op spoedverzoek van de GI zijn de kinderen vervolgens opnieuw uit huis geplaatst (hetgeen feitelijk betekende dat zij uithuisgeplaatst bleven).

De kinderen verblijven sinds 5 maart 2020 in een gezinshuis. Uit de brief van de GI van 11 juni 2020 en uit de verklaring van de GI ter mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] in het begin van de plaatsing bijna dagelijks vroeg om bevestiging of zij in het gezinshuis mocht blijven. Ook liet [minderjarige 1] voor en na belcontacten met de moeder en de grootouders duidelijk weten dat zij niet naar huis wilde gaan. Ook op school geeft [minderjarige 1] aan dat zij graag in het gezinshuis wil blijven wonen en niet terug wil naar de moeder. De school rapporteert verder over [minderjarige 1] dat zij moeite heeft met sociale contacten en dat haar korte termijngeheugen opvallend is: ze herkent haar stoel na een paar dagen nog niet en namen van klasgenoten en van de juf worden na een paar dagen pas onthouden. [minderjarige 2] maakt op school makkelijk contact met de andere kinderen, maar ook over hem zijn er zorgen, gelet op de mate van moeheid die hij vertoont. Ook [minderjarige 2] geeft op school aan dat hij graag in het gezinshuis wil blijven wonen.

Om de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen in de thuissituatie te kunnen waarborgen acht de GI het noodzakelijk om een dossieronderzoek te doen naar het gehele gezinssysteem, aldus voormelde brief van 11 juni 2020. Verder is het noodzakelijk om de kinderen medisch te laten onderzoeken op de aanwezigheid van kindeigen problematiek.

10 voor Toekomst heeft inmiddels een analyse van het netwerk van de kinderen gemaakt. Verder zal er nog een onderzoek komen door een onafhankelijk gedragswetenschapper naar de uitspraken van de kinderen over vermeende kindermishandeling. De diverse onderzoeken zijn nog niet gestart of ondervinden vertraging, doordat de moeder geen toestemming verleent, aldus de verklaring van de GI ter mondelinge behandeling.

Uit voormelde omstandigheden blijkt dat sprake is van voortdurende zorgelijke uitlatingen van beide kinderen en van forse kindsignalen. Van belang is dat er thans vanuit de huidige verblijfplaats van de kinderen onderzoek plaatsvindt zoals aangegeven door de GI. Het hof dringt er bij de moeder op aan dat zij in het belang van de kinderen alsnog haar medewerking daaraan verleent, hoezeer dit door haar ook als belastend wordt ervaren. Gelet op de kindsignalen en de gedane uitspraken van de kinderen en mede gezien de hiervoor weergegeven voorgeschiedenis van het gezinssysteem is het hof er niet van overtuigd dat de fysieke en de emotionele veiligheid van de kinderen op dit moment voldoende gewaarborgd zijn bij een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. In afwachting van de resultaten van de onderzoeken acht het hof het dan ook noodzakelijk dat de huidige situatie van de kinderen wordt gecontinueerd.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing en de continuering van de uithuisplaatsing aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikkingen en thans nog aanwezig zijn. Van strijd met artikel 8 EVRM, op welk artikel de moeder zich beroept, is geen sprake nu de uithuisplaatsing in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Ten aanzien van de spoeduithuisplaatsing is het hof van oordeel dat deze, gelet op de uitlatingen van [minderjarige 1] en de houding van de moeder, nodig was om onmiddellijk ernstig gevaar af te wenden voor de kinderen.

3.11.

Nu uit het voorgaande volgt dat de grieven van de moeder niet slagen, zal het hof de beschikkingen waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaak met nummer 200.277.475/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2020, schriftelijk vastgelegd op 13 maart 2020;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 maart 2020, uitgewerkt op 30 maart 2020;

In de zaak met nummer 200.277.781/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 april 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.C.E. Ackermans - Wijn en

K.A. Boshouwers en is op 25 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.