Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1953

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.275.637_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 25 juni 2020

Zaaknummer : 200.275.637/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/365197 / JE RK 19-2088

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.A. Tahavol,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de beschikking van 23 augustus 2019 niet te wijzigen en in stand te laten.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord (de moeder en de GI telefonisch in verband met de coronamaatregelen):

- de moeder, bijgestaan door mr. Tahavol;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [ex-partner van de moeder] zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna tezamen ook aangeduid als de kinderen.

De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

De kinderen staan sinds 25 oktober 2018 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 25 oktober 2020.

De rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2019 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 16 oktober 2019 is deze machtiging verlengd tot 25 april 2020.

Blijkens mededeling van de advocaat van de moeder ter mondelinge behandeling is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen inmiddels verlengd tot 25 juli 2020.

3.3.

Bij beschikking van 23 augustus 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar (minimaal) twee uur per week, met inachtneming van hetgeen in die beschikking over de contactregeling is overwogen.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de GI, met wijziging van de hiervoor onder 3.3. vermelde beschikking van 23 augustus 2019, bepaald dat de moeder en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in die zin dat de GI de regie heeft om invulling te geven aan de frequentie als ook de duur van de begeleide contacten.

De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de contactregeling zal inhouden dat de moeder en de kinderen eenmaal per twee weken contact met elkaar hebben bij kinderdagcentrum “Willemijntje” te [vestigingsplaats 2] tussen 13.15 uur en 14.45 uur.

3.5.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

De GI is niet-ontvankelijk in het inleidend verzoek. Gewijzigde omstandigheden hebben zich sinds de beschikking van 23 augustus 2019 niet voorgedaan. De brief van Juzt van 1 november 2019 strookt niet met hetgeen de GI steeds tegenover de moeder heeft verklaard, namelijk dat de bezoekcontacten tussen de moeder en de kinderen goed verliepen. De moeder betwist dat zij een begeleider van SDW heeft bedreigd. Het ging slechts om een woordenwisseling over het feit of de moeder wel of niet op tijd was. De kinderen waren hierbij niet aanwezig.

Verder is het niet in het belang van de kinderen dat de GI de regie heeft over de contacten tussen de moeder en de kinderen en dat de contacten in frequentie en duur zijn teruggebracht. De kinderen genieten van de bezoekcontacten met de moeder en de interactie tussen de moeder en de kinderen tijdens de bezoeken is goed. De band die de moeder met de kinderen heeft moet in stand blijven. De kinderen zijn gebaat bij een structureel contact met de moeder van eenmaal per week.

Door de uitbraak van het coronavirus hebben de bezoekcontacten tussen de moeder en de kinderen twee maanden stilgelegen. In mei 2020 hebben er weer twee bezoeken plaatsgevonden. De moeder heeft daarover positieve feedback ontvangen. Zij begrenst de kinderen goed en de kinderen hebben plezier in de contacten. De kinderen missen de moeder en zij willen meer contact met haar. De moeder begrijpt niet waarom de contactregeling tussen haar en de kinderen nog niet is uitgebreid. De moeder heeft aan alle voorwaarden die de GI heeft gesteld voldaan. Ook dient er te worden toegewerkt naar onbegeleid contact tussen de moeder en de kinderen.

De moeder betwist de resultaten van het perspectiefonderzoek van Kobalt. Dit onderzoek is te beperkt geweest.

3.7.

De GI voert tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

De beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Het perspectiefonderzoek van Kobalt is inmiddels afgerond. Uit het conceptverslag blijkt dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. Bij alle drie de kinderen speelt hechtingsproblematiek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kampen met een achterstand in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderen hebben een veilige en voorspelbare opvoedomgeving nodig in een gezinshuis of in een pleeggezin. Door hun voorgeschiedenis vragen de kinderen meer dan een gemiddelde opvoeder kan bieden. De huidige regeling, waarbij de moeder eenmaal in de veertien dagen gedurende twee uur begeleid contact heeft met de kinderen, is passend bij de situatie van nu, waarin het perspectief van de kinderen is bepaald. Binnen een afzienbare termijn zullen de kinderen worden overgeplaatst naar een perspectief biedende woonplek. Zij zullen zich daar moeten gaan hechten.

De bezoekcontacten tussen de moeder en de kinderen die in mei 2020 hebben plaatsgevonden, zijn goed verlopen.

3.8.

De raad adviseert het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

In artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Volgens lid 2 van dit artikel kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.9.2.

Het hof verwerpt het betoog van de moeder dat de GI niet-ontvankelijk is in haar inleidend verzoek tot wijziging. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zich kennelijk tweemaal een situatie heeft voorgedaan die heeft gemaakt dat SDW zich niet meer in staat achtte de veiligheid tijdens het contact tussen de moeder en de kinderen te waarborgen en het contact voortaan in plaats van met één begeleider alleen nog maar met twee begeleiders wilde faciliteren. Dat de GI hoger beroep kon instellen tegen de beschikking van de rechtbank van

23 augustus 2019 maakt dit niet anders.

3.9.3.

Het hof is verder evenals de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de op 23 augustus 2019 door de rechtbank vastgestelde contactregeling tussen de moeder en de kinderen wordt gewijzigd in de zin zoals de GI heeft verzocht. Het hof heeft hiervoor de volgende redenen.

De GI heeft onderbouwd dat zij de contactregeling die de rechtbank bij beschikking van 23 augustus 2019 had vastgesteld, heeft geprobeerd uit te voeren in samenspraak met de ketenpartners SDW en Juzt, maar dat de regeling onuitvoerbaar werd nadat de moeder zowel op 11 oktober 2019 als op 18 oktober 2019 dreigende uitspraken had gedaan richting de begeleiders van de SDW en hen had uitgescholden. SDW gaf op 4 november 2019 tegenover de GI aan dat vanwege de veiligheid de bezoeken tussen de moeder en de kinderen voortaan door twee begeleiders zouden worden begeleid en niet meer zouden plaatsvinden op het kantoor van de GI, maar op een neutrale plek. In het verlengde hiervan kon SDW de bezoeken niet meer iedere week, maar slechts eenmaal per twee weken gedurende anderhalf uur begeleiden. Daarnaast heeft de GI onderbouwd dat Juzt heeft aangegeven dat sinds de kinderen de moeder iedere week zien met name [minderjarige 1] en [minderjarige 3] een terugval in gedrag laten zien. Hoewel het begrijpelijk is dat de moeder teleurgesteld is over het terugbrengen van de frequentie van de contacten, is het hof van oordeel dat het wijzigingsverzoek van de GI tegemoet kwam aan het gerechtvaardigde belang van de kinderen dat de contacten met de moeder goed begeleid worden en moeten plaatsvinden in een rustige setting.

3.9.4.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de frequentie van de contacten tussen de moeder en te kinderen thans weer te verhogen naar eenmaal per week zoals de moeder heeft verzocht. De GI heeft weliswaar ter mondelinge behandeling verklaard dat de afgelopen twee contacten goed zijn verlopen, maar het hof acht op dit moment, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.9.3. is overwogen, in het belang van de kinderen een pas op de plaats geboden. De kinderen worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Uit het onderzoek van Kobalt is bovendien naar voren gekomen – zo heeft de GI op de mondelinge behandeling onweersproken gesteld – dat bij alle drie de kinderen hechtingsproblematiek speelt en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kampen met een achterstand in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De GI heeft ook nog steeds zorgen over de moeder. De moeder lijkt onvoldoende inzicht te hebben in haar eigen problematiek en in de problematiek van de kinderen.

3.9.5.

De GI heeft ter mondelinge behandeling benadrukt dat zij een moeder ziet die veel van haar kinderen houdt en dat zij het in het belang van de kinderen acht dat de betekenisvolle band tussen de moeder en de kinderen behouden blijft. Het hof onderschrijft dit. De moeder moet zich wel blijven inspannen om bij de bezoekcontacten met de kinderen op tijd te komen en deze contacten op een prettige, ontspannen wijze in te vullen.

3.10.

Uit het voorgaande volgt, dat de grieven van de moeder niet slagen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 december 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en

H.M.A.W. Erven en is op 25 juni 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.