Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1906

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
200.239.927_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:2158
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Verzekeringsrecht. Verkeersongeval in 2000. Rechtsvordering tegen verzekeraar ex art. 6 lid 1 WAM verjaard. Verjaring rechtsvordering tegen erfgenamen gestuit op grond van art. 10 lid 4 WAM. Directe actie jegens verzekeraar op grond van art. 7:954 lid 1 BW. Art. 221 lid 6 Overgangswet NBW staat hieraan niet in de wet, voor zover de schade nog niet is afgewikkeld. Art. 7:954 lid 7 BW belet niet een beroep op de directe actie, nu het eigen recht van de benadeelde ex art. 6 lid 1 WAM door verjaring niet meer geldend kan worden gemaakt. Geen rechtsverwerking, hoewel vordering jegens erfgenamen pas eind 2013 kenbaar is gemaakt. Gerechtvaardigd vertrouwen benadeelde dat verzekeraar na 2013 de erfgenamen vertegenwoordigde en namens hen aansprakelijkheid heeft erkend. Bij afwikkeling schade zijn verzekeraar en de erfgenamen niet gebonden aan uitlatingen en gedragingen verzekeraar in procedure met betrekking tot art. 6 lid 1 WAM. Zaak wordt verwezen naar de schadestaat.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 6
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 10
Burgerlijk Wetboek Boek 7 954
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 221
Burgerlijk Wetboek Boek 7 954
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0462
JA 2020/121 met annotatie van Bosschaart, Y.
Jurisprudentie Erfrecht 2020/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.239.927/01

arrest van 23 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. E.H.J. van der Heijden te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats] ,

4. de naamloze vennootschap

Allianz Benelux N.V.,

met kantoor te [kantoorplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de erfgenamen en Allianz,

advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 maart 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en de erfgenamen en Allianz als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/239291 / HA ZA 17-429)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van grieven in principaal hoger beroep, met wijziging van eis en twee producties

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep

  • -

    de pleitnota's die partijen hebben overgelegd in het kader van het schriftelijke pleidooi

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2.1, a tot en met h. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.1.

Op 29 februari 2000 heeft op de autosnelweg A2 bij [plaats] een aanrijding plaatsgevonden tussen twee auto’s. De ene auto werd bestuurd door [appellant] en de andere auto werd bestuurd door [de bestuurder] ( hierna [de bestuurder] ). [de bestuurder] voerde destijds als kantonnier voor het aannemersbedrijf GEVA werkzaamheden uit op de A2.

3.2.

De auto waarin [de bestuurder] ten tijde van het ongeval 2000 reed, was op dat moment in het kader van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Royal Nederland Schadeverzekering N.V. (RNS) te [kantoorplaats] . Rechtsopvolger van RNS is de Allianz Nederland Groep N.V. (ANG), die na een fusie is opgehouden te bestaan. De rechten en plichten van ANG zijn overgenomen door Allianz Benelux N.V., met kantoor te [kantoorplaats] . Het hof duidt hierna RNS en haar rechtsopvolgers aan als Allianz.

3.3.

[appellant] heeft na het ongeval op grond van art. 6 lid 1 WAM rechtstreeks Allianz aangesproken tot het vergoeden van de schade die hij door het ongeval leed. Bij brief van

26 juli 2002 heeft [medewerker 1 Allianz] namens Allianz aan de toenmalige advocaat van [appellant] onder meer meegedeeld (productie 4 bij productie 12 dagvaarding):

Cliënte erkent aansprakelijkheid voor de schade door uw cliënt geleden, als gevolg van het ongeval d.d. 29 februari 2000 te [plaats] . (…) Ter vermijding van nieuwe misverstanden merk ik op dat alle weren ten aanzien van de omvang van de schade worden voorbehouden. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en ga ervan uit dat u thans niet meer tot dagvaarding hoeft over te gaan.

3.4.

Allianz heeft vervolgens voorschotten op een schadevergoeding aan [appellant] uitbetaald tot een bedrag van in totaal € 43.338,00.

3.5.

Allianz en [appellant] hebben onderhandeld over de hoogte van de schadevergoeding, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Bij aangetekende brief van 11 december 2008 heeft Allianz de onderhandelingen om te komen tot het afwikkelen van de schade formeel afgebroken in de zin van art. 10 lid 5 WAM.

3.6.

[de bestuurder] is op 10 november 2009 overleden. [de bestuurder] liet geen bezittingen van betekenis na. De erfgenamen zijn de broer en (half)zussen van [de bestuurder] . Zij hebben de uitvaart geregeld en zonder boedelbeschrijving of notaris de nalatenschap afgewikkeld. Daarmee hebben zij de nalatenschap van [de bestuurder] zuiver aanvaard.

3.7.

Bij exploot van 11 juni 2012 heeft [appellant] Allianz gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en onder meer een vordering ingesteld op grond van art. 6 lid 1 WAM.

Bij tussenvonnis van 17 juli 2013 (nummer C/11/100777 / HA ZA 12-2271) heeft de rechtbank Rotterdam overwogen dat deze vordering is verjaard krachtens art. 10 lid 5 WAM. Bij eindvonnis van 2 oktober 2013 is deze vordering afgewezen. Het vonnis is onherroepelijk.

3.8.

Bij brief van 4 december 2013 heeft mr. Van der Heijden namens [appellant] aan alle erfgenamen afzonderlijk, met afschrift aan Allianz, onder meer meegedeeld:

Wijlen uw broer, de heer [de bestuurder] , (…) was op 29 februari 2000 betrokken bij een verkeersongeval waarbij ook betrokken was mijn cliënt, de heer [appellant] te [woonplaats] .

(…)

Inmiddels is vastgesteld dat de rechtstreekse vordering van mijn cliënt op Allianz Nederland Groep N.V. is verjaard.

Dit is evenwel niet het geval van de vordering van mijn cliënt tot vergoeding van zijn schade uit hoofde van vorenvermeld ongeval op wijlen uw broer, althans op diens erfgenamen.

(…)

Hierbij verzoek ik u, in uw hoedanigheid van erfgenaam van de heer [de bestuurder] , over te gaan tot vergoeding van de schade van mijn cliënt die hij heeft geleden, danwel welke hij lijdt ten gevolge van vorenvermeld ongeval d.d. 29 februari 2000.

Mijn cliënt maakt aanspraak op vergoeding van zijn materiële en immateriële schade, de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Deze brief dient te worden beschouwd als de stuiting van de verjaring overeenkomstig de bepalingen van art. 3:317 BW.

U kunt overigens nog altijd een beroep doen op de verzekeringsovereenkomst, althans op Allianz Nederland Groep N.V. (aangetekend en in een vensterenveloppe) te verzenden.

Allianz Nederland Groep N.V. dient dan alsnog u van verdere aanspraken van mijn cliënt te vrijwaren door uitkeringen te doen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst.

(…)

Volledigheidshalve zend ik u toe een kopie van mijn brief die ik heden naar Allianz Nederland Groep N.V. heb verzonden. Ook de inhoud van die brief is wel duidelijk en spreekt voor zich.

Vorenstaande neemt niet weg dat u toch, teneinde verdere correspondentie met mij of zelfs een procedure met mijn cliënt te voorkomen, u het beste mijn conceptbrief bestemd voor Allianz naar laatstgenoemde toezendt, uiteraard voorzien van uw handtekening etc.

3.9.

Bij brief van 4 december 2013 heeft mr. Van der Heijden aan Allianz onder meer meegedeeld:

Indien uw maatschappij niet alsnog namens de erfgenamen de schade van mijn cliënt wenst af te wikkelen, zal ik gedwongen zijn om hen in rechte te betrekken waarbij ik hun advocaat nadrukkelijk erop zal wijzen dat zij een beroep kunnen doen op de polis.

3.10.

Bij brief van 17 februari 2014 heeft mr. Van der Heijden aan Allianz, ter attentie van [medewerker 2 Allianz ] , onder meer het volgende meegedeeld:

Hierbij refereer ik aan het telefoongesprek dat ik op 10 januari 2014 met u in bovenvermelde aangelegenheid heb gehad.

Op 4 december 2013 heb ik u per aangetekende post toegezonden afschriften van brieven die ik naar de erfgenamen van wijlen de heer [de bestuurder] , de bestuurder van het bij u indertijd in verzekering genomen voertuig, heb verzonden.

Namens de erfgenamen heb ik overigens ook de verjaring tegenover Allianz gestuit, een en ander op grond van zaakwaarneming.

Op 20 december 2013 heb ik met [de kleindochter van geintimeerde 2] gesproken. Zij is een kleindochter van wijlen [geïntimeerde 2] die ik nog voor zijn overlijden had aangeschreven. Zij heeft mij toen medegedeeld dat zij

telefonisch contact had gehad met uw maatschappij en dat Allianz aan haar had toegezegd dat de kwestie alsnog in behandeling zou worden genomen.

Tegenover mij heeft u inderdaad bevestigd dat u met haar heeft gesproken. Wel moet eerst worden onderzocht of de erfgenamen indertijd de erfenis hebben geaccepteerd, beter gezegd niet hebben verworpen.

U heeft mij medegedeeld dat verder een van de andere erfgenamen zich via de assurantietussenpersoon bij Allianz heeft gemeld.

U heeft mij verder gezegd dat u in overleg zou treden met uw advocaat mr. G. Endedijk die met name zal onderzoeken of de erfenis door de erfgenamen indertijd al dan niet is verworpen.

3.11.

Bij brief van 15 juni 2015 heeft mr. Endedijk aan mr. Van der Heijden onder meer meegedeeld:

Ik kan u thans namens cliënte, Allianz Nederland Groep N.V. (…) het volgende berichten.

Het ongeval waarbij [appellant] en de verzekerde van Allianz, wijlen de heer [de bestuurder] , betrokken waren vond op 29 februari 2000 plaats. Zoals u bekend heeft de rechtbank Rotterdam in haar vonnis d.d. 17 juli 2013 in deze kwestie beslist dat de rechtstreekse vordering van [appellant] jegens Allianz reeds op 11 december 2011 was verjaard. U stelt zich evenwel op het standpunt dat de vordering van [appellant] jegens de nabestaanden van de heer [de bestuurder] door middel van de aansprakelijkstelling d.d. 4 december 2013 tijdig is gestuit.

Er kan slechts sprake zijn van dekking indien de vordering van [appellant] jegens de nabestaanden inderdaad niet is verjaard, en vaststaat dat de nabestaanden de nalatenschap van de heer [de bestuurder] niet hebben verworpen.

Inmiddels heb ik kunnen verifiëren of de nalatenschap van de heer [de bestuurder] door de nabestaanden, mevrouw [geïntimeerde 3] , de heer [geïntimeerde 1] en mevrouw [geïntimeerde 2] is verworpen. Navraag bij de erfgenamen leerde mij dat zulks niet het geval is.

Allianz heeft op grond van bovenstaande besloten de zaak in behandeling te nemen. Dit betekent dat we ons thans inhoudelijk op de zaak kunnen gaan richten. Allianz heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval reeds erkend, en zal daar in dit stadium niet op terugkomen. Het is echter wel aan uw cliënt om te bewijzen dat hij als gevolg van het ongeval d.d. 29 februari 2000 schade heeft geleden, daarbij rekening houdende met de reeds door Allianz verstrekte voorschotten ten bedrage van € 43.338,00. Ik zie uw onderbouwing met belangstelling tegemoet.

3.12.

Bij brief van 29 juli 2015 heeft mr. Van der Heijden aan Allianz onder meer meegedeeld:

Allereerst stel ik vast dat uw maatschappij nu kennelijk als vertegenwoordigster van de erfgenamen de schade van mijn cliënt namens hen verder gaat afwikkelen en zal gaan vergoeden.

Ik ga er dan ook vanuit dat de onderhandelingen die ik thans met uw maatschappij ga voeren de verjaring jegens de erfgenamen stuit en dat wij in deze te maken hebben met de normale verjaringstermijn van artikel 3:317 8W, namelijk 5 jaar.

Mocht u dit anders zien, wilt u mij dat dan ook direct mededelen zodat ik hiermee rekening kan houden.

(…)

Ik stel voor dat we thans de draad weer opnemen waar we gebleven waren. Ik stel voor dat we uitgaan van de rapporten van bureau [Bureau] . (…) Ik vraag mij alleen af of we wel verder moeten gaan met dit bureau gezien de opstelling die dit bureau op een gegeven moment heeft ingenomen. Wat mijn cliënt betreft dus liever niet.

Ik zou graag van u willen vernemen hoe u over dit voorstel denkt. Staat u hier positief tegenover, dan kunnen we samen beslissen welk bureau de schade wegens verlies arbeidsvermogen vanaf het moment waar bureau [Bureau] was geëindigd, verder inventariseert. Vervolgens kunnen we naar een eindregeling toewerken.

3.13.

Bij brief van 19 augustus 2015 heeft mr. Endedijk aan mr. Van der Heijden meegedeeld:

Ik nam kennis van uw brief d. d. 28 juli jl. gericht aan Allianz. Allianz heeft mij gevraagd haar in deze kwestie te vertegenwoordigen, ik verzoek u dan ook verdere correspondentie aan ondergetekende te richten. Voorts laat ik u hierbij weten dat zowel cliënt als de erven van wijlen de heer [de bestuurder] (mevrouw [geïntimeerde 3] , de heer [geïntimeerde 1] en mevrouw [geïntimeerde 2] ), allen woonplaats hebben gekozen aan het adres van mijn kantoor.

In uw brief stelt u voor ter begroting van de schade uit te gaan van de reeds uitgebrachte rapporten van [Bureau] , maar een ander bureau in te schakelen om de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen verder te inventariseren.

In mijn brief d.d. 15 juni jl. wees ik u er reeds op dat het aan uw cliënt is om te bewijzen dat hij als gevolg van het ongeval d.d. 29 februari 2000 schade heeft geleden.

(…)

Allianz heeft reeds een bedrag van € 43.338,00 aan voorschotten verstrekt. Het is aan uw cliënt om aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden, en voorts dat zijn schade meer bedraagt dan voornoemd bedrag. Ik moet constateren dat uw cliënt daar tot op heden niet in is geslaagd. Allianz acht zich dan ook finaal gekweten richting uw cliënt.

4 De procedure in eerste aanleg

4.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] dat de erfgenamen en Allianz worden veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om aan hem te betalen:

- € 1.738.850,00 als vergoeding voor schade wegens verlies aan arbeidsvermogen,

- € 15.000,00 aan smartengeld,

- € 17.376,75 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten,

- € 5.777,61 voor kosten van To The Point Expertises,

alles te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding, dat is 14 juli 2017, tot de dag van betaling, en onder aftrek van de reeds in het verleden betaalde voorschotten van in totaal € 33.338,00, subsidiair € 43.338,00,

- de proces- en nakosten, met wettelijke rente.

4.2.

De vorderingen betreffen de schade die [appellant] stelt te hebben geleden door het ongeval op 29 februari 2000.

4.3.

De erfgenamen en Allianz hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

4.4.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen tegen zowel de erfgenamen als Allianz afgewezen.

5 De beoordeling in hoger beroep

Wie is partij

5.1.

Allianz heeft in hoger beroep erop gewezen dat [appellant] in eerste aanleg Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. heeft gedagvaard en dat, toen bleek dat een vennootschap met die naam niet bestaat, de rechtbank heeft aangenomen dat Allianz Benelux N.V. is gedagvaard en tussen [appellant] en deze vennootschap vonnis heeft gewezen.

In hoger beroep heeft [appellant] vervolgens deze vennootschap gedagvaard. Allianz refereert zich aan het oordeel van het hof wat betreft de gevolgen die hieraan zijn verbonden.

5.2.

De rechtbank heeft aangenomen dat Allianz Benelux N.V. de partij is die [appellant] wilde dagvaarden en die in rechte is verschenen. Het bestreden vonnis is gewezen tussen deze partijen. [appellant] heeft dus terecht Allianz Benelux N.V. in het hoger beroep betrokken. In hoger beroep heeft geen van deze partijen aangevoerd dat de rechtbank niet heeft kunnen en mogen aannemen dat Allianz Benelux N.V. in eerste aanleg procespartij was. Het hof heeft daarom geen reden om in andere zin te oordelen.

Grieven

5.3.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen.

Hij heeft in de memorie van grieven de hoogte van de vorderingen beperkt tot de 'verzekerde som eventueel vermeerderd met rente en kosten welke Allianz op basis van de polis en/of de wet hetzij rechtstreeks hetzij via de erven aan [appellant] dient uit te keren'. [appellant] wil hiermee voorkomen dat de erfgenamen zelf financieel moeten bijdragen aan het betalen van de schadevergoeding die hij vordert.

5.4.

In incidenteel hoger beroep hebben Allianz en de erfgenamen één grief aangevoerd. Deze grief betreft het oordeel van de rechtbank over het beroep van Allianz en de erfgenamen op verjaring. Het hof ziet aanleiding om eerst de incidentele grief te bespreken.

Verjaring

5.5.

De rechtbank heeft het ervoor gehouden dat (de rechtsvoorganger van) Allianz bij brief van 26 juli 2002 (zie 3.3) namens [de bestuurder] heeft erkend aansprakelijk te zijn voor de schade van [appellant] ten gevolge van het ongeval. Allianz en de erfgenamen hebben ter toelichting op de incidentele grief gesteld dat [appellant] na het ongeval aanvankelijk alleen contact heeft gehad met de verzekeraar van [de bestuurder] . Volgens hen is de verzekeraar daarbij niet op de een of andere wijze namens [de bestuurder] of later diens erfgenamen opgetreden. In de brief van Allianz van 26 juli 2002 is de aansprakelijkheid jegens [appellant] ook niet namens [de bestuurder] erkend. Als dit wel het geval zou zijn geweest, is de vordering van [appellant] jegens [de bestuurder] en dus de erfgenamen vervolgens na vijf jaar verjaard, dus op 26 juli 2007.

5.6.

Art. 10 lid 4 WAM bepaalt onder meer dat handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar stuiten, tevens de verjaring stuiten van de vordering van de benadeelde jegens de verzekerden. Deze bepaling voorziet in het belang van de benadeelde erin dat het stuiten jegens de verzekeraar doorwerkt in de verhouding tussen de benadeelde en de verzekerde, en behoort daarom een ruime uitleg te worden gegeven (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1842). Het staat niet ter discussie dat de brief van 26 juli 2002 en de daarop gevolgde onderhandelingen de verjaring van de rechtsvordering van [appellant] jegens de verzekeraar hebben gestuit totdat de verzekeraar de onderhandelingen bij brief van 11 december 2008 heeft afgebroken. Naar het oordeel van het hof volgt uit art. 10 lid 4 WAM dat hiermee ook de verjaring van de rechtsvordering van [appellant] op [de bestuurder] gedurende die periode is gestuit. [appellant] heeft vervolgens binnen vijf jaar daarna de erfgenamen aangemaand tot het vergoeden van zijn schade. Zijn rechtsvordering jegens de erfgenamen is, voor zover die bestaat, dan ook niet verjaard.

Dit brengt mee dat de incidentele grief faalt.

Allianz

5.7.

Grief 1 van [appellant] in het principaal hoger beroep betreft de toepassing van art. 7:954 BW. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet met een beroep op die bepaling Allianz rechtstreeks kan aanspreken, omdat de bepaling op 1 januari 2006 in werking is getreden en vóór die datum al een uitkering is voldaan in de zin van art. 221 lid 6 Overgangswet NBW. [appellant] meent dat deze uitleg onjuist is, omdat nog alleen voorschotten zijn betaald. Verder is hij van mening dat de bepaling kan worden toegepast, omdat hij door verjaring geen rechtstreeks vorderingsrecht uit hoofde van art. 6 lid 1 WAM meer heeft op Allianz.

5.8.

Art. 7:954 lid 1 BW geeft een benadeelde de bevoegdheid om de uitkering waarop een verzekerde jegens diens verzekeraar recht heeft en die betrekking heeft op de schade van de benadeelde door dood of letsel, rechtstreeks aan zich te laten uitbetalen. Met deze bepaling heeft de wetgever de positie van de benadeelde willen versterken door het geven van een voorziening waarmee de benadeelde kan bereiken dat de uitkering aan hem ten goede komt (Kamerstukken II, 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 32 e.v.). Het recht dat de benadeelde op grond van deze bepaling heeft, verschilt van het recht dat een benadeelde heeft op grond van art. 6 lid 1 WAM. Art. 6 lid 1 WAM geeft een benadeelde een eigen vordering op de verzekeraar tot het vergoeden van zijn schade. Art. 7:954 lid 1 BW geeft een benadeelde slechts het recht om te verlangen dat de uitkering die een ander op grond van een verzekeringsovereenkomst toekomt, aan hem wordt uitbetaald.

5.9.

De eigen rechtsvordering van [appellant] op Allianz uit hoofde van art. 6 lid 1 WAM is verjaard. Ten aanzien van de aanspraak die [appellant] aan art. 7:954 lid 1 BW wil ontlenen, zijn twee vragen gerezen. De eerste vraag is of art. 221 lid 6 Overgangswet NBW daaraan in de weg staat. De tweede vraag is of uit art. 7:954 lid 7 BW volgt dat het eerste lid toepassing mist, omdat [appellant] uit hoofde van art. 6 lid 1 WAM een eigen vordering op Allianz heeft gehad.

5.10.

Art. 221 lid 6 Overgangswet NBW bepaalt dat art. 7:954 BW niet van toepassing is voor zover een uitkering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is voldaan. De reden daarvoor is dat een verzekeraar die vóór het in werking treden een uitkering aan de verzekerde heeft gedaan, erop moet kunnen vertrouwen dat de uitkering bevrijdend is betaald (vgl. memorie van toelichting bij de Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek, Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 20-21). De benadeelde kan daarom alleen rechtstreekse betaling verlangen voor zover de schade nog niet is afgewikkeld.

Art. 7:954 BW mist dus toepassing ten aanzien van uitkeringen die al vóór het in werking treden hebben plaatsgevonden, maar niet ten aanzien van uitkeringen die nog moeten plaatsvinden, als de schade niet volledig is afgewikkeld. De vorderingen van [appellant] zien op uitkeringen die nog moeten plaatsvinden. Op dit onderdeel slaagt de grief.

5.11.

Volgens art. 7:954 lid 7 BW missen de leden 1 tot en met 6 toepassing voor zover de benadeelde door de wet jegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding is toegekend. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de toepassing is uitgesloten, omdat de benadeelde met het eigen recht op schadevergoeding een bescherming krijgt die afwijkt van en verder gaat dan de bescherming die art. 7:954 lid 1 tot en met 6 BW biedt. Aan [appellant] was een eigen recht op schadevergoeding toegekend, namelijk door art. 6 lid 1 WAM.

Dat recht is inmiddels verjaard. Dit brengt mee dat [appellant] niet meer de bescherming heeft, die een eigen recht op schadevergoeding biedt. De strekking van de bescherming die art. 7:954 BW wil geven, geldt echter nog onverkort, namelijk dat uitkeringen die op grond van de verzekering aan de erfgenamen moeten worden gedaan om daarmee de schade van [appellant] te vergoeden, daadwerkelijk bij hem terechtkomen. Er is geen goede reden om [appellant] deze bescherming te onthouden, op de enkele grond dat hij zijn eigen recht op schadevergoeding door verjaring niet meer geldend kan maken. Nu [appellant] dat recht niet meer geldend kan maken, kan niet meer worden gezegd dat de wet hem nog een eigen recht op schadevergoeding toekent. Art. 7:954 lid 7 BW belet dus niet dat [appellant] met succes een beroep doet op art. 7:954 lid 1 BW. Allianz ondervindt hiervan ook geen nadeel. Zij is immers niet tot méér verplicht dan waartoe zij jegens de erfgenamen is gehouden.

5.12.

Uit het voorgaande volgt dat de principale grief 1 slaagt.

Erfgenamen

5.13.

Grief 2 in het principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de erfgenamen op rechtsverwerking slaagt. In de kern komt het oordeel van de rechtbank op het volgende neer. Geen van de betrokkenen bij het ongeval had een letsel opgelopen dat een langere ziekenhuisopname nodig maakte en [appellant] heeft na het ongeval nimmer [de bestuurder] zelf in persoon aansprakelijk gesteld voor zijn schade. De erfgenamen hebben daarom niet met zijn vordering rekening kunnen houden, toen zij de nalatenschap van [de bestuurder] nog konden verwerpen of beneficiair aanvaarden. Verder is de kans klein dat de erfgenamen nog over relevante bescheiden beschikken. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] volgens de rechtbank zijn vordering tegen de erfgenamen verwerkt.

5.14.

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat het alleen de erfgenamen zijn die een beroep op rechtsverwerking doen, en niet Allianz. De erfgenamen en Allianz hebben dit uitdrukkelijk vermeld in de memorie antwoord in principaal hoger beroep onder 48.

5.15.

Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij de beoordeling of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid (vgl. onder meer HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574). In het geval van onredelijke benadeling kan het nadeel erin bestaan dat de wederpartij de mogelijkheid is ontnomen om op de financiële gevolgen van een eventueel door haar verschuldigde prestatie te anticiperen (zie HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2381).

5.16.

In dit geval heeft [appellant] na het ongeval (de rechtsvoorganger van) Allianz aangesproken tot het vergoeden van zijn schade. Hij heeft niet [de bestuurder] zelf aansprakelijk gesteld en hem kennelijk ook geen mededelingen gedaan over zijn schade en zijn aanspraken op het vergoeden daarvan. Er zijn evenmin aanwijzingen dat [de bestuurder] daarvan op andere wijze wetenschap heeft gekregen. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat [de bestuurder] daarvan geen wetenschap had bij zijn overlijden. Dit brengt mee dat zijn erfgenamen daarmee evenmin bekend waren en konden zijn. Dit staat blijkens de stellingen van partijen ook niet ter discussie. De erfgenamen hebben dus met de aanspraken van [appellant] geen rekening kunnen houden, toen zij handelingen verrichtten die zijn aan te merken als het zuiver aanvaarden van de erfenis van [de bestuurder] .

5.17.

Uit het voorgaande volgt in de eerste plaats dat [appellant] niet bij [de bestuurder] of de erfgenamen het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij zijn aanspraken jegens hen niet geldend zou maken. Zij waren immers niet bekend met die aanspraken. Dat [appellant] heeft nagelaten om [de bestuurder] of de erfgenamen met die aanspraken bekend te maken, is eveneens onvoldoende voor een dergelijk vertrouwen. Waar het de erfgenamen met name om gaat is, naar het hof begrijpt, dat zij onredelijk worden benadeeld doordat zij ten tijde van het overlijden van [de bestuurder] niet met de aanspraken van [appellant] bekend konden zijn en daarmee geen rekening hebben kunnen houden bij het wel of niet aanvaarden van de erfenis van [de bestuurder] . Het tijdsverloop van het zwijgen van [appellant] is in zoverre dus alleen relevant voor zover dit de periode vóór het aanvaarden van de erfenis betreft, dus tot in 2009.

5.18.

Naar het oordeel van het hof is de duur van het tijdsverloop van 2000 tot in 2009 echter niet van bijzondere betekenis. Het is in wezen alleen van betekenis dat op het moment van overlijden van [de bestuurder] de aanspraken van [appellant] aan [de bestuurder] niet bekend waren of konden zijn. Het maakt voor de erfgenamen in dit opzicht geen verschil of het ongeval kort of langer vóór het overlijden had plaatsgevonden. Het enkele tijdsverloop tussen het ongeval en het overlijden heeft hen niet in een nadeliger positie gebracht of hen benadeeld.

5.19.

Het hof is evenmin van oordeel dat [appellant] , door tot in 2009 zijn aanspraken nog niet aan [de bestuurder] kenbaar te maken, zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn aanspraken jegens de erfgenamen. [appellant] was met tussenkomst van zijn rechtshulpverleners tot eind 2008 in onderhandeling geweest met (de rechtsvoorganger van) Allianz en zijn vordering op Allianz uit hoofde van art. 6 lid 1 WAM was nog niet verjaard. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waarin [appellant] in de periode tot het overlijden van [de bestuurder] een bijzondere aanleiding had moeten zien om [de bestuurder] zelf van zijn aanspraken in kennis te stellen. In wezen zijn de erfgenamen niet benadeeld doordat [appellant] [de bestuurder] nog niet van zijn aanspraken in kennis had gesteld. Het nadeel vloeit voort uit het wettelijk stelsel, zoals dit gold tot 1 september 2016. Uit de wet volgde dat het afwikkelen van de nalatenschap van [de bestuurder] was aan te merken als het zuiver aanvaarden daarvan, met als gevolg dat de erfgenamen aansprakelijk werden voor schulden, waarvan zij het bestaan niet konden vermoeden en die de bezittingen van de nalatenschap ver te boven gingen.

5.20.

De erfgenamen hebben verder nog aangevoerd dat zij door het lange zwijgen van [appellant] in een nadeliger positie zijn gebracht, doordat bepaalde informatie niet meer voorhanden is. De erfgenamen hebben in dit verband gewezen op het ontbreken van de verzekeringsdocumenten en van informatie over de toenmalige werkgever van [de bestuurder] . Zij menen dat mogelijk op die werkgever of op de Staat (Rijkswaterstaat) een risicoaansprakelijkheid rustte.

5.21.

Wat betreft de verzekeringsdocumenten geldt dat de erfgenamen niet hebben uitgelegd welk nadeel zij ondervinden van het ontbreken daarvan. Allianz heeft verklaard dat zij aan hen zal uitkeren, kort gezegd, wat resteert van de verzekerde som, en het beperken van de eis door [appellant] mag zo worden begrepen dat [appellant] geen hoger bedrag vordert dan het bedrag dat Allianz nog aan de erfgenamen op basis van de polis moet en zal uitkeren. Hieruit volgt tevens dat de erfgenamen geen nadeel ervan ondervinden dat zij zich niet voor verhaal tot de toenmalige werkgever van [de bestuurder] of de Staat (Rijkswaterstaat) kunnen wenden, daargelaten of deze toenmalige werkgever of de Staat verplicht was om [de bestuurder] te vrijwaren. Overigens zou het weinig zin hebben gehad om verhaal te zoeken bij de toenmalige werkgever, nu Allianz zelf aanvoert dat deze werkgever failliet is.

5.22.

Dat de erfgenamen op andere wijze door het tijdsverloop na het overlijden van [de bestuurder] in een nadeliger positie zijn gebracht, is evenmin voldoende toegelicht. Voor zover zij nog hebben gewezen op hun bewijspositie ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval, geldt dat reeds uit het hierna te geven oordeel over de aansprakelijkheid volgt dat zij op dit punt geen nadeel ondervinden van het tijdsverloop.

5.23.

Uit het voorgaande volgt dat ook grief 2 doel treft.

Aansprakelijkheid

5.24.

Het slagen van de grieven brengt mee dat het hof moet beoordelen of [appellant] een vordering heeft op de erfgenamen uit hoofde van het ongeval in 2000. De eerste vraag is of [de bestuurder] en dus zijn erfgenamen aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] door het ongeval heeft geleden. Indien zij aansprakelijk zijn, komt de vraag aan de orde wat de omvang is van de schade.

5.25.

[appellant] heeft aangevoerd dat Allianz in de correspondentie die is gevolgd nadat de erfgenamen op 4 december 2013 waren aangeschreven, namens de erfgenamen is opgetreden. Allianz en de erfgenamen hebben weersproken dat Allianz de erfgenamen in die correspondentie heeft vertegenwoordigd.

5.26.

Het hof acht in dit opzicht het volgende van belang. De advocaat van [appellant] heeft in de brieven van 4 december 2013 aan de erfgenamen uiteengezet dat de rechtstreekse vordering van [appellant] op Allianz was verjaard, maar dat dit niet het geval was ten aanzien van de vordering van [appellant] op hen als erfgenamen (zie 3.8). Hij heeft hen daarbij meegedeeld dat zij een beroep konden doen op de verzekeringsovereenkomst en hen geadviseerd een bijgevoegde brief aan Allianz te zenden 'teneinde verdere correspondentie met mij of zelfs een procedure met mijn cliënt te voorkomen'. Bij brief van dezelfde datum heeft de advocaat aan Allianz meegedeeld dat als Allianz de schade niet namens de erfgenamen wilde afwikkelen, zij in rechte zouden worden betrokken (zie 3.9). De advocaat heeft de erfgenamen een kopie van zijn brief aan Allianz meegezonden en Allianz een kopie van zijn brief aan de erfgenamen.

5.27.

Bij brief van 17 februari 2014 (zie 3.10) heeft de advocaat van [appellant] aan Allianz meegedeeld dat hij op 20 december 2013 heeft gesproken met een kleindochter van een van de erfgenamen over het telefonisch contact dat zij had gehad met Allianz. Volgens de brief heeft de advocaat verder op 10 januari 2014 telefonisch gesproken met [medewerker 2 Allianz ] van Allianz en heeft [medewerker 2 Allianz ] bevestigd dat hij met de kleindochter had gesproken en meegedeeld dat een van de andere erfgenamen zich via een tussenpersoon bij Allianz had gemeld. Verder is volgens de brief besproken dat moet worden onderzocht of de erfgenamen de erfenis van [de bestuurder] hebben verworpen en dat Allianz hierover in overleg zou treden met haar advocaat mr. Endedijk.

5.28.

Mr. Endedijk heeft mr. Van der Heijden bericht bij brief van 15 juni 2015 (zie 3.11). Mr. Endedijk heeft daarin meegedeeld dat de erfgenamen de erfenis niet hebben verworpen en dat Allianz had besloten de zaak in behandeling te nemen. Tevens is meegedeeld dat Allianz de aansprakelijkheid al had erkend en daar in dat stadium niet van zou terugkomen. Mr. Van der Heijden heeft naar aanleiding hiervan bij brief van 29 juli 2015 (zie 3.12) aan Allianz onder meer het volgende meegedeeld:

Allereerst stel ik vast dat uw maatschappij nu kennelijk als vertegenwoordigster van de erfgenamen de schade van mijn cliënt namens hen verder gaat afwikkelen en zal gaan vergoeden.

Ik ga er dan ook vanuit dat de onderhandelingen die ik thans met uw maatschappij ga voeren de verjaring jegens de erfgenamen stuit en dat wij in deze te maken met de normale verjaringstermijn van artikel 3:317 8W, namelijk 5 jaar.

Mocht u dit anders zien, wilt u mij dat dan ook direct mededelen zodat ik hiermee rekening kan houden.

5.29.

Mr. Endedijk heeft hierop gereageerd bij brief van 19 augustus 2015 (zie 3.13).

In deze brief deelt hij onder meer mee dat zowel Allianz als de erfgenamen woonplaats hebben gekozen op zijn kantoor. Verder gaat hij in op het begroten van de schade.

5.30.

Het hof stelt voorop dat het uit de brieven van mr. Van der Heijden van 4 december 2013 voor alle betrokkenen, ook voor Allianz en de erfgenamen, duidelijk was of moest zijn, dat alleen nog de vordering van [appellant] op [de bestuurder] zelf en dus zijn erfgenamen aan de orde was. Uit de correspondentie valt verder op te maken dat mr. Van der Heijden de erfgenamen heeft geadviseerd om zich tot Allianz te wenden voor het afwikkelen van deze vordering.

Het staat blijkens de stellingen van Allianz en de erfgenamen vast dat de erfgenamen dit vervolgens ook hebben gedaan. Allianz heeft daarna aan mr. Van der Heijden meegedeeld dat zij de zaak in behandeling nam en niet zou terugkomen van haar eerdere erkenning van de aansprakelijkheid. Mr. Van der Heijden heeft daarop aan Allianz laten weten, kort gezegd, dat hij ervan uitging dat Allianz de erfgenamen vertegenwoordigde. Dat ligt voor de hand, omdat het niet meer ging om een rechtstreekse vordering op Allianz, maar alleen om de vordering op de erfgenamen zelf. Indien Allianz de erfgenamen desondanks niet vertegenwoordigde, had het gelet op de gegeven omstandigheden op haar weg gelegen om dit aan [appellant] te laten weten. Dat heeft zij niet gedaan. Mr. Endedijk heeft integendeel meegedeeld dat de erfgenamen woonplaats hadden gekozen op zijn kantoor en is overgegaan tot het bespreken van de wijze van het begroten van de schade. Allianz heeft hiermee bij [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij de erfgenamen vertegenwoordigde. Allianz heeft daarom hoe dan ook jegens [appellant] in te staan voor haar vertegenwoordigingsbevoegdheid.

5.31.

Het gerechtvaardigd vertrouwen van [appellant] dat Allianz de erfgenamen vertegenwoordigde bij het afwikkelen van zijn vordering op hen, valt echter in de gegeven omstandigheden ook toe te rekenen aan de erfgenamen. Zij hebben - begrijpelijkerwijs - gedaan wat mr. Van der Heijden hen adviseerde 'teneinde verdere correspondentie met mij of zelfs een procedure met mijn cliënt te voorkomen' en zich gewend tot Allianz met betrekking tot de vordering van [appellant] op hen. Zij hebben daarna het woord overgelaten aan Allianz en [appellant] niet laten weten dat Allianz niet namens hen het woord voerde. Daarmee is de schijn gewekt en in stand gelaten dat Allianz hen vertegenwoordigde. Voor zover Allianz desondanks daartoe niet bevoegd was, behoort onder deze omstandigheden naar verkeersopvattingen de schijn aan hen te worden toegerekend.

5.32.

Uit het voorgaande volgt dat Allianz namens de erfgenamen aan [appellant] heeft meegedeeld dat zij niet zou terugkomen van het erkennen van de aansprakelijkheid.

Daarbij is geen voldoende kenbaar voorbehoud gemaakt. In aanmerking genomen dat alleen nog de vordering van [appellant] op de erfgenamen aan de orde was, heeft [appellant] mogen aannemen dat deze uitlating op die vordering betrekking had. [appellant] heeft dus redelijkerwijs mogen begrijpen dat ook wat betreft zijn vordering op de erfgenamen de aansprakelijkheid van [de bestuurder] en dus diens erfgenamen voor zijn schade werd aanvaard.

5.33.

De conclusie is dat de aansprakelijkheid van [de bestuurder] en de erfgenamen voor de schade van [appellant] ten gevolge van het ongeval tussen partijen vast staat. Dit brengt mee dat de omvang van de schade moet worden vastgesteld.

Schade

5.34.

Het hof stelt voorop dat het Allianz en de erfgenamen vrij staat om verweer te voeren tegen de opgaaf die [appellant] heeft gedaan van zijn schade. Zij zijn niet gebonden aan hetgeen in de eerdere procedure tussen [appellant] en Allianz is verklaard en vastgesteld.

Voor zover er in die procedure al enige uitlating of gedraging van Allianz is gedaan, waaraan [appellant] een vertrouwen mocht ontlenen dat Allianz bepaalde verweren niet (meer) zou voeren, zijn de erfgenamen daaraan niet gebonden. Die eerdere procedure betrof immers de rechtstreekse vordering van [appellant] jegens Allianz op grond van art. 6 lid 1 WAM.

De erfgenamen waren in die procedure geen partij en zij werden daar niet vertegenwoordigd door Allianz. Er zijn ook geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht die het oordeel rechtvaardigen dat de uitlatingen of gedragingen van Allianz in die procedure aan de erfgenamen zijn toe te rekenen of dat zij die uitlatingen of gedragingen tegen zich moeten laten gelden. In deze procedure gaat het om de vordering van [appellant] tegen de erfgenamen. Allianz is daarbij alleen als procespartij betrokken, omdat [appellant] van Allianz verlangt dat Allianz op grond van art. 9:954 lid 1 BW aan [appellant] betaalt wat zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst met [de bestuurder] aan de erfgenamen moet uitkeren.

5.35.

Het hof heeft geconstateerd dat partijen het op weinig onderdelen eens zijn wat betreft de omvang van de schade.

5.36.

In de eerste plaats is het de vraag wat de gevolgen zijn van het (whiplash)letsel dat [appellant] in 2000 heeft opgelopen en tot welke beperkingen in zijn functioneren dit heeft geleid [appellant] heeft rapporten van medische onderzoeken en berichten van het UWV in het geding gebracht uit de periode tot en met 2007. Er zijn echter vragen gerezen over de betrouwbaarheid daarvan, mede in het licht van de huidige inzichten over whiplash-letsels en de activiteiten die [appellant] na 2000 volgens Allianz en de erfgenamen heeft ondernomen met betrekking tot onder meer pokeren en de handel in tapijten. Bovendien heeft [appellant] weinig inzichtelijk gemaakt hoe zijn gezondheidssituatie zich na 2007 heeft ontwikkeld.

Het enkele feit dat uit een huisartsenjournaal en stukken met betrekking tot plaatsgevonden behandelingen blijkt dat [appellant] ook nu bepaalde klachten heeft, wil niet, althans niet zonder meer, zeggen dat dit alles is toe te schrijven aan de gevolgen van het ongeval.

5.37.

In de tweede plaats is het de vraag welk inkomen [appellant] voor het ongeval verwierf, welk inkomen hij zonder het ongeval zou hebben kunnen verwerven en welke inkomsten hij na het ongeval heeft genoten. De rapporten die [Bureau] B.V. in de jaren 2003 tot en met 2005 heeft opgesteld aan de hand van door [appellant] verstrekte gegevens, zijn onderhevig aan kritiek, mede omdat [Bureau] later zelf heeft verklaard dat er veel onduidelijkheden zijn (brief van 1 februari 2006, productie 5 bij de conclusie van antwoord in de procedure voor de rechtbank Rotterdam, ingebracht als productie 13 bij de dagvaarding) en dat zij morele bezwaren heeft tegen het opstellen van een (aanvullende) bedrijfseconomische analyse op basis van de aanwezige jaarrapporten en aangiften inkomstenbelasting (brief van 28 december 2006, productie 4 bij genoemde conclusie van antwoord). Het lijdt volgens [Bureau] geen twijfel dat deze cijfers geen zuiver beeld geven van de werkelijkheid (zie genoemde brief van 28 december 2006 ). Het is dus niet uitgesloten dat de rapporten alleen een papieren werkelijkheid weerspiegelen. Uit de rapporten van To The Point Expertise van 2016 en 2017 (productie 26 bij de dagvaarding) leidt het hof af dat dit bureau alleen of grotendeels is afgegaan op de stukken waarover [Bureau] destijds al de beschikking had, zodat deze rapporten dezelfde twijfel aan de juistheid van de gepresenteerde uitkomsten oproepen als de rapporten van [Bureau] . Daarnaast zijn er vragen over welke inkomsten [appellant] in de jaren na 2000 heeft genoten naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, mede in het licht van de berichten waarover Allianz en/of de erfgenamen beschikken ten aanzien van de pokeractiviteiten van [appellant] en zijn betrokkenheid bij de handel in tapijten (zie producties 9-15 bij de genoemde conclusie van antwoord).

5.38.

Aan het voorgaande verbindt het hof twee conclusies. De eerste conclusie is dat de schade zich niet eenvoudig laat begroten, hoewel de mogelijkheid van (enige) schade aannemelijk is gemaakt. Het belang is echter groot, gelet op de schadebegroting die [appellant] heeft overgelegd. De tweede conclusie is dat een volwaardig debat over de schade op zijn plaats is, dat zo nodig in twee feitelijke instanties dient te worden gevoerd en waarbij naar alle waarschijnlijkheid bewijslevering en (nader) deskundigenonderzoek nodig zal blijken te zijn. Een dergelijk volwaardig debat over de omvang van de schade heeft in deze procedure niet plaatsgevonden. Het hof ziet in een en ander reden om niet in deze procedure te schade te begroten, maar de zaak daartoe te verwijzen naar de schadestaatprocedure, voor zover partijen niet alsnog tot overeenstemming komen.

5.39.

Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de erfgenamen worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die [appellant] door het ongeval in 2000 heeft geleden en lijdt, op te maken bij staat en tot ten hoogste het bedrag dat resteert van de verzekerde som en dus tot het bedrag dat Allianz nog op basis van de onderhavige polis aan de erfgenamen moet en zal uitkeren. Allianz zal worden veroordeeld om hetgeen zij met betrekking tot deze schade aan de erfgenamen moet en zal uitkeren, rechtstreeks aan [appellant] uit te betalen.

5.40.

De vergoeding moet worden verminderd met de voorschotten die [appellant] al heeft ontvangen. Uit de stukken blijkt dat beide partijen ervan uitgaan dat [appellant] € 43.338,00 aan voorschotten heeft ontvangen.

5.41.

De wettelijke rente vanaf 9 augustus 2017 over de nog te betalen vergoeding is toewijsbaar. Allianz en de erfgenamen hebben de verschuldigdheid niet weersproken.

5.42.

Voor het matigen van de schadevergoeding, zoals Allianz en de erfgenamen hebben verzocht, ziet het hof vooralsnog geen reden, omdat [appellant] zijn vordering zelf heeft gematigd tot het bedrag dat Allianz op grond van de polis aan de erfgenamen moet en zal uitkeren. Voor het overige kan matiging nog in een schadestaatprocedure aan de orde komen.

5.43.

Allianz en de erfgenamen zijn in deze procedure in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten van beide instanties dragen. Omdat in deze procedure geen uitspraak over de hoogte van de schadevergoeding is gedaan, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat het tarief toepassen dat hoort bij een zaak van onbepaalde waarde.

Met inachtneming hiervan stelt het hof de proceskosten van [appellant] tot heden als volgt vast:

- in eerste aanleg:

explootkosten € 97,31

griffierecht € 78,00

salaris advocaat € 904,00 (2 punten, tarief II, zoals dit gold tot 1 mei 2018)

- in principaal hoger beroep:

explootkosten € 98,01

griffierecht € 318,00

salaris advocaat € 2.158,00 (2 punten, tarief II)

- in incidenteel hoger beroep:

salaris advocaat € 1.074,00 (0,5 x 2 punten, tarief II)

5.44.

Het hof stelt de nakosten vast, zoals hierna in de uitspraak wordt vermeld.

6 De uitspraak

Het hof:

in het principaal hoger beroep

6.1.

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende,

6.2.

veroordeelt de erfgenamen om aan [appellant] te vergoeden de schade die [appellant] heeft geleden en lijdt door het hiervoor onder 3.1 genoemde ongeval, op te maken bij staat en te verminderen met de reeds betaalde voorschotten van in totaal € 43.338,00, tot een maximum van het bedrag dat resteert van de verzekerde som die Allianz uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst met [de bestuurder] met betrekking tot deze schade moet betalen;

6.3.

veroordeelt Allianz om de uitkering die zij met betrekking tot de in 6.2 genoemde schade aan de erfgenamen moet en zal doen, rechtstreeks aan [appellant] te betalen;

6.4.

veroordeelt Allianz en de erfgenamen om aan [appellant] de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te betalen over het bedrag dat op grond van de onder 6.2 uitgesproken veroordeling aan [appellant] moet worden uitbetaald, vanaf 9 augustus 2017 tot de dag van betaling;

6.5.

veroordeelt Allianz en de erfgenamen in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:

- € 3.653,32 tot heden,

- € 157,00 aan nasalaris advocaat,

beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden tot de dag van betaling,

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten bij betekening van het vonnis,

te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de dag van betekening tot de dag van betaling;

6.6.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.5 uitgesproken veroordelingen;

in het incidenteel hoger beroep

6.7.

verwerpt het beroep;

6.8.

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, Allianz en de erfgenamen in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.074,00.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, H.A.W. Vermeulen en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juni 2020.

griffier rolraadsheer