Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1903

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
200.227.759_02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regres. Moeder en stiefvader mogen regres nemen voor door hen betaalde hypotheeklasten ten behoeve van de door de zoon bewoonde en uitsluitend hem in eigendom toebehorende woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF s-HERTOGENBOSCH

Team handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.759/02

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, C/02/324949/HA ZA 16-889)

arrest van 23 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de zoon,

advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: gezamenlijk [geintimeerden c.s.] en afzonderlijk de moeder (sub 1) en de stiefvader (sub 2),

advocaat: mr. N. Rensen te Etten-Leur.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof verwijst naar de inhoud van het tussenarrest van 30 januari 2018 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen van 28 maart 2018 waarin partijen een mogelijk oplossing van het geschil zijn overeengekomen en partijen hebben ingestemd met doorhaling van de zaak op de rol;

- het (na hervatting van de procedure gewezen) tussenarrest van 4 september 2018 waarbij een voorzetting van de comparitie van partijen is gelast, die op verzoek van partijen niet is doorgegaan;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

1.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Appellant is de zoon van geïntimeerde sub 1 en de stiefzoon van geïntimeerde sub 2.

2.2.

De moeder en de stiefvader zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.3.

Blijkens een akte van hypotheek d.d. 31 maart 2006 (hierna: de hypotheekakte)

heeft de moeder zich naast de zoon als medeschuldenaar verbonden aan een door Argenta verstrekte geldlening van € 240.000,00 (hierna: de geldlening) in verband met de door de zoon bewoonde woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Alleen de zoon is eigenaar van de woning.

2.4.

In voormelde akte is voorts opgenomen dat de stiefvader blijkens een aan de akte

gehechte verklaring toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de hypothecaire lening door de moeder als bedoeld in artikel 1:88 BW.

2.5.

Bij notarieel vastgelegde algemene volmacht van 23 augustus 2012 heeft de moeder (die lijdt aan de ziekte van Alzheimer) volmacht verleend aan de stiefvader tot onder meer het beheren en voeren van haar administratie en om haar in rechte te vertegenwoordigen.

2.6.

In een e-mail van 11 december 2013 (zie productie 3 bij inleidende dagvaarding) maakt Hypocasso B.V. aanspraak op betaling van een bedrag van € 4.243,35 aan openstaande hypotheeklasten. In een e-mail van diezelfde datum vraagt de zoon aan de moeder om betaling van voornoemd bedrag.

2.7.

[geintimeerden c.s.] heeft het bedrag van € 4.243,35 op 20 december 2013 aan de zoon overgemaakt.

2.8.

Op 27 maart 2015 is de hypotheekakte aan de moeder betekend met het bevel om de hoofdsom inclusief vervallen termijnen en overige rente en kosten binnen twee dagen te voldoen.

2.9.

[geintimeerden c.s.] heeft een betalingsregeling met Argenta getroffen en in de

periode april 2015 tot en met november 2015 in totaal een bedrag van € 18.504,19

aan Argenta voldaan.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[geintimeerden c.s.] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd de zoon te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 22.747,54 vermeerderd met wettelijke rente, de kosten ter zake de hypothecaire geldlening van de zoon die door [geintimeerden c.s.] althans de moeder, vanaf 1 december 2016 aan Argenta worden voldaan, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten waaronder de nakosten.

3.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 2017 – kort samengevat – de zoon veroordeeld om aan de moeder te betalen € 4.243,35 en de zoon veroordeeld om aan [geintimeerden c.s.] te betalen € 18.504,19, een en ander vermeerderd met wettelijke rente. Voorts is de zoon veroordeeld om aan de moeder te betalen de kosten van de hypothecaire lening van de zoon en de moeder bij Argenta die door de moeder vanaf 1 december 2016 aan Argenta zijn en worden voldaan. De proceskosten zijn gecompenseerd.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

De zoon is in hoger beroep gekomen met in totaal vijf grieven.

4.2.

Met de eerste grief komt de zoon op tegen overweging 3.6. van het vonnis waarin is overwogen dat de hypotheektermijnen in de onderlinge verhouding tussen [geintimeerden c.s.] en de zoon alleen de zoon aangaan, met andere woorden dat de zoon volledig draagplichtig is. Deze grief faalt. Gelet op het feit dat de zoon enig eigenaar werd van de woning en dat hij de woning bewoonde, mag worden aangenomen dat het de bedoeling van partijen was dat hij draagplichtig was voor de rentekosten in verband met de hypothecaire schuld voor die woning. Die bedoeling blijkt ook uit de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding. De zoon heeft immers tot medio 2013 alle (rente)kosten voldaan. Door de zoon zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die wijzen in de richting van een andere beoogde draagplicht. Zelfs indien de zoon wordt gevolgd in zijn betoog dat de moeder bewust als hoofdelijk medeschuldenaar de hypothecaire lening is aangegaan om aldus te voorkomen dat Argenta de vordering ineens van de zoon zou kunnen opeisen indien de zoon niet of tijdelijk niet in staat zou zijn de maandelijkse hypothecaire lasten te voldoen en om te voorkomen dat de woning in dat geval executoriaal zou worden verkocht, betekent dit nog niet dat in de onderlinge verhoudingen tussen de moeder en de zoon de moeder ook draagplichtig zou zijn voor de hypothecaire lasten van de door de zoon bewoonde en alleen hem in eigendom toebehorende woning. Dat de moeder en de zoon zich jegens Argenta als mede schuldenaar hebben gebonden betekent, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen evenmin dat in de onderlinge verhouding tussen de moeder en de zoon, de moeder ook draagplichtig zou zijn.

4.3.

Met de tweede grief komt de zoon op tegen overweging 3.7. van het vonnis. Deze grief faalt. Ook de stiefvader komt regresrecht toe. De moeder en stiefvader zijn immers in gemeenschap van goederen gehuwd en bovendien heeft de stiefvader toestemming gegeven in de zin van artikel 1:88 BW voor het aangaan van de hypotheekovereenkomst. Dit betekent dat ook de stiefvader aansprakelijk is jegens Argenta en dat ook hem dus, voor zover betalingen zijn verricht, een beroep toekomt op regres jegens de zoon in de zin van artikel 6:10 en 6:12 BW.

4.4.

Met de derde grief komt de zoon op tegen overwegingen 3.8. en 3.9. ten aanzien van de betaling van het bedrag van € 4.243,35. Het hof stelt voorop dat het hier gaat om achterstallige rente en kosten in verband met de hypothecaire geldlening waarover hiervoor al is overwogen dat de zoon volledig draagplichtig was. Daarnaast is ook het hof van oordeel dat uit de mededeling van de zoon ter comparitie in eerste aanleg: “Tussen mijn moeder en mij ging het altijd zo, dat als ik geld nodig had, zij mij hielp. We zetten geen zaken op papier. Als zij het later terug zou vragen, zou ik het terugbetalen.” niet anders kan worden afgeleid dan dat het de bedoeling van moeder en zoon is geweest een overeenkomst van geldlening aan te gaan waarvan de terugbetalingsverplichting immers een bestaanskenmerk is. Uit de brief van 3 november 2016 van de (toenmalige) raadsman van [geintimeerden c.s.] aan de zoon blijkt dat aanspraak wordt gemaakt op terugbetaling van voornoemd bedrag, zodat ook deze vordering opeisbaar is en door de zoon dient te worden terugbetaald. Grief drie faalt.

4.5.

Grief vier ziet op de verwerping van het beroep op verrekening in overweging 3.10. Ook deze grief faalt. In hoger beroep ontbreekt iedere toelichting ten aanzien van welke vorderingen dan verrekend dienen te worden. In de conclusie van antwoord heeft de zoon gesteld dat het gaat om voorgeschoten bedragen terzake reis- en verblijfkosten, onderhoudskosten, materialen en dergelijke in verband met het aan de moeder toebehorende onroerend goed in Zuid-Afrika (zie punt 15 conclusie van antwoord). Bij akte te behoeve van de comparitie in eerste aanleg heeft de zoon ook stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn beroep op verrekening. Deze stukken en het beroep op verrekening worden betwist door [geintimeerden c.s.] (zie onder meer het proces-verbaal van comparitie van 6 juli 2017). Door [geintimeerden c.s.] is onder meer het verweer gevoerd dat geen opdracht is gegeven tot het verrichten van werkzaamheden. Het had op de weg van de zoon gelegen om de grondslag van die verrekenvordering nader toe te lichten. Een dergelijke toelichting is uitgebleven. Dat betekent dat, nog daargelaten dat de zoon de gegrondheid van de tegenvordering onvoldoende heeft toegelicht, in ieder geval niet is voldaan aan de eisen die artikel 6:136 BW aan een verrekenverweer stelt; de gegrondheid van het verrekenverweer kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld.

4.6.

Grief vijf heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.

4.7.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

5.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 19 april 2017;

5.2.

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en A.C. Metzelaar, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020.

griffier, rolraadsheer