Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1896

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
20-001450-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens een woningoverval tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest waarvan 1 jaar voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zijn bijzondere voorwaarden verbonden.

De door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding is toegewezen.

Het hof wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001450-17

Uitspraak : 23 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 25 april 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-659139-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts is de door de benadeelde partij [benadeelde partij] ingediende vordering tot schadevergoeding toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De rechtbank heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI-zaaknummer 99-000056-33) voor het gedeelte van de vrijheidsstraf dat nog niet ten uitvoer was gelegd – te weten voor de duur van 672 dagen – toegewezen en gelast dat de verdachte voornoemde vrijheidsstraf alsnog moet ondergaan.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en hem te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de door de benadeelde partij [benadeelde partij] ingediende vordering tot schadevergoeding zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft tot slot gevorderd dat het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gedeeltelijk zal toewijzen, namelijk voor de duur van 372 dagen.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] . Betreffende de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft de verdediging primair bepleit dat die vordering zal worden afgewezen, subsidiair dat deze vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 april 2016 in de gemeente Gennep, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Ipad en/of een Iphone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een vloeistof in het gezicht van die [benadeelde partij] heeft gespoten en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde partij] heeft getrapt en/of geschopt en/of gestompt en/of geslagen en/of (vervolgens) heeft geroepen: "Geld, geld" en/of "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 april 2016 in de gemeente Gennep, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Ipad en een Iphone toebehorende aan [benadeelde partij] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een vloeistof in het gezicht van die [benadeelde partij] heeft gespoten en (vervolgens) meermalen die [benadeelde partij] heeft geschopt en geslagen en heeft geroepen: "Geld, geld" en "ik maak je kapot".

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en afwijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Subsidiair is verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling slechts gedeeltelijk toe te wijzen. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat gelet op de specifieke omstandigheden waaronder het ten laste gelegde feit is gepleegd, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn proceshouding in hoger beroep en zijn motivatie en wens om zijn behandeling buiten detentie voor te zetten, een lagere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan door de rechtbank is bepaald.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op:

- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan,

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en

- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de op te leggen straf heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 15 april 2016 schuldig gemaakt aan een woningoverval. Het slachtoffer was destijds 70 jaar oud. De verdachte heeft bij de woning van het slachtoffer aangebeld, pepperspray in het gezicht van het slachtoffer gespoten en hem daarna geschopt en geslagen. Ook heeft de verdachte daarbij geroepen: "Geld, geld" en "ik maak je kapot". De verdachte is vervolgens de woning van het slachtoffer binnengedrongen en heeft een Ipad en Iphone weggenomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en hem pijn en letsel toegebracht, maar ook heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, temeer omdat een woning bij uitstek een plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen.

Daarnaast veroorzaken dergelijke misdrijven in de samenleving onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2020. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Voorts blijkt daaruit dat rekening dient te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Niettegenstaande de ernst van het bewezen verklaarde handelen, de gevolgen daarvan voor het slachtoffer en voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie, acht het hof de navolgende omstandigheden van belang, die ten voordele van de verdachte nopen tot oplegging van een andere straf dan de straf zoals die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte openheid van zaken gegeven en kenbaar gemaakt dat hij – na afloop van de terechtzitting – zijn excuses aan het slachtoffer wil aanbieden. Tevens heeft de verdachte herhaaldelijk aangegeven het bijzonder kwalijke van zijn handelen in te zien en heeft hij verklaard dat hij de consequenties van zijn handelen op 15 april 2016 zal dragen. Hij wenst zijn leven in de toekomst op een zodanige wijze (verder) in te richten dat hij niet meer in situaties zoals de onderhavige terecht komt. Op basis van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachte daartoe reeds de nodige stappen heeft gezet.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met een reclasseringsadvies d.d. 6 maart 2020, waaruit blijkt dat het ten laste gelegde mede verband hield met middelengebruik. Voorts blijkt daaruit dat de verantwoordelijke houding van de verdachte als een beschermende factor wordt gezien. De verdachte heeft kenbaar gemaakt gemotiveerd te zijn voor een ambulante behandeling betreffende zijn psychosociale problematiek, alsmede voor wat betreft een plaatsing in het kader van begeleid wonen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op een bericht van de inrichtingspsycholoog van de penitentiaire inrichting te Arnhem, d.d. 5 juni 2020. Uit dit bericht blijkt dat als gevolg van een belaste voorgeschiedenis, traumatische ervaringen en jarenlang middelengebruik zich bij de verdachte hardnekkige disfunctionele schema´s hebben ontwikkeld. Wanneer de detentie van de verdachte wordt beëindigd, is voortzetting van zijn behandeling geïndiceerd, zodat hij deze schema’s kan bewerken en de traumatische gebeurtenissen kan verwerken. Behandeling van de onderliggende problematiek is noodzakelijk teneinde de resocialisatie van de verdachte te kunnen borgen en de kans op recidive in middelengebruik te beperken. Volgens de inrichtingspsycholoog is een verwijzing naar IrisZorg en/of Kairos derhalve geïndiceerd. Een setting van begeleid wonen is eveneens geïndiceerd. In dit verband blijkt uit het bericht van de inrichtingspsycholoog dat de verdachte reeds is aangemeld bij De Hulsen in Nijmegen.

Uit een e-mailbericht van [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] – van het Forensisch Factteam Kairos – d.d. 19 februari 2020 blijkt eveneens dat het voor de verdachte van belang is om buiten de inrichting verdere behandeling te krijgen en dat de huidige behandeling kan worden voorgezet wanneer de verdachte naar De Hulsen in Nijmegen (of een soortgelijke instelling) gaat.

Gelet op de vorenomschreven aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – acht het hof evenwel niet aangewezen, nu dat zou impliceren dat de verdachte nog enige tijd in detentie zou moeten doorbrengen. Het hof acht het van belang dat de verdachte zijn behandeling zo snel mogelijk buiten detentie kan voortzetten. Teneinde daar nader vorm en inhoud aan te kunnen geven zal het hof aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen waaraan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf, met een langere proeftijd dan de gebruikelijke, wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voor wat betreft de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep overweegt het hof ambtshalve nog het volgende.

Op 2 mei 2017 is van de zijde van de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 23 juni 2020.

Blijkens vaste jurisprudentie is de redelijkheid van de duur van een behandeling van een zaak onder meer afhankelijk van – kort gezegd – de volgende omstandigheden: de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Gelet op (de omvang van) het op verzoek van de verdediging verrichte onderzoek ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep (een nadere rapportage naar aanleiding van het uitgevoerde DNA-onderzoek, het horen van getuigen, alsmede onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte), is het hof van oordeel dat de strafzaak van de verdachte in hoger beroep binnen een redelijke termijn is behandeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.885,00 bestaande uit € 385,00 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2016 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 385,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00.

Totale schade en wettelijke rente

Het hof zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een bedrag van € 1.885,00. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Kostenveroordeling

Het hof zal de verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 15 maart 2012 (parketnummer 23-004556-10) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

De veroordeelde is op 15 september 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De periode waarvoor de voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend, behelst 852 dagen.

Bij onherroepelijke beslissing van de rechtbank Amsterdam d.d. 17 juni 2016 is een last tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gegeven voor de duur van 180 dagen in verband met het overtreden van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank Limburg heeft gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling nog niet ten uitvoer was gelegd alsnog – te weten voor de duur van 672 dagen – moet worden gegaan.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gedeeltelijk zal toewijzen, namelijk voor de duur van 372 dagen.

De verdediging heeft terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt afgewezen, subsidiair dat deze vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling is (onder andere) de algemene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit.

De veroordeelde heeft zich op 15 april 2016 – en aldus binnen de proeftijd – schuldig gemaakt aan het bewezen verklaarde strafbare feit. Naar het oordeel van het hof ligt herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in beginsel dan ook in de rede. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals deze terechtzitting in hoger beroep zijn besproken en hetgeen daaromtrent in het arrest onder het kopje ‘op te leggen sanctie’ is opgenomen en overwogen, ziet het hof – met de verdediging – echter aanleiding de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling af te wijzen. Het hof acht het van belang dat de veroordeelde zijn behandeling zo snel mogelijk buiten detentie kan continueren; (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal dat traject doorkruisen, hetgeen het hof – mede gelet op het verkleinen van de kans op recidive – niet wenselijk acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Voorarrest

Gelet op de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en de straf die aan hem voor het bewezen verklaarde handelen zal worden opgelegd – een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren – zal het hof het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen, welke beslissing afzonderlijk zal worden geminuteerd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich binnen 7 dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest zal melden bij verslavingsreclassering IrisZorg te Arnhem (Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem). Hierna moet de verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht. Voorts dient hij in die periode de aanwijzingen van de reclassering op te volgen;

  • -

    zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij verslavingsreclassering IrisZorg, of soortgelijke ambulante forensische zorg, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens deze instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    zich gedurende de proeftijd, of zolang de reclassering dat nodig acht, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten De Hulsen in Nijmegen, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling (in overleg met de reclassering) heeft opgesteld.

Geeft opdracht aan Reclassering IrisZorg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.885,00 (duizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.885,00 (duizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 april 2016.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 23 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.