Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1895

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
200.262.770_01 en 200.262.770_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:581
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:6522
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:3505
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:8617
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag.

Zorgregeling.

Informatie- en consultatieregeling.

Onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders indien het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag zou worden toegewezen. Omgang is in strijd met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Wel informatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 juni 2020

Zaaknummers: 200.262.770/01 en 200.262.770/02

Zaaknummers eerste aanleg: C/03/214075 / FA RK 15-4025 en C/03/237290 / FA RK 17-2453

in de zaken in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.B.E. Noijen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.P.C.M. van Riet.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland

locatie [locatie]

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 10 maart 2016, 11 januari 2017, 22 januari 2018, 9 juli 2018 en 16 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.262.770/01:

2.1.

Bij beroepschrift tevens vermeerdering verzoek met producties, ingekomen ter griffie op 11 juli 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 16 april 2019 te vernietigen en verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende te bepalen:

I. dat een omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige] van eenmaal in de twee weken van vrijdag na school (14.30 uur) tot maandag voor school (08.30 uur), althans een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht;

II. dat de vader mede het gezag verkrijgt over [minderjarige] ;

III. dat de moeder de vader eenmaal per maand dient te informeren over de schoolprestaties van [minderjarige] , haar psychische en lichamelijke welzijn en alle overige zaken die voor een ouder van belang zijn en dat de moeder de vader eenmaal per maand een recente foto van [minderjarige] dient te verstrekken.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2019, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaak met zaaknummer: 200.262.770/02:

2.3.

Bij verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen in hoger beroep, met één productie, ingekomen ter griffie op 13 december 2019, heeft de vader verzocht bij wege van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding te bepalen:

I. primair: dat een voorlopige omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige] van eenmaal in de twee weken van vrijdag na school (14.30 uur) tot maandag voor school (08.30 uur) bij de vader thuis;

subsidiair: dat een voorlopige omgangsregeling zal gelden van iedere woensdagmiddag van 12.30 uur tot 18.00 uur bij de vader thuis, waarbij de vader [minderjarige] uit school ophaalt;

althans een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht;

II. dat de moeder de vader eenmaal per maand dient te informeren over de schoolprestaties van [minderjarige] , haar psychische en lichamelijke welzijn en alle overige zaken die voor een ouder van belang zijn en dat de moeder de vader eenmaal per maand een recente foto van [minderjarige] dient te verstrekken.

2.4.

Bij verweerschrift tegen het verzoek houdende voorlopige voorzieningen in hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2020, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen als zijnde niet-ontvankelijk dan wel ongegrond en/of onbewezen.

In de zaken met zaaknummers: 200.262.770/01 en 200.262.770/02:

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Noijen;

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Riet;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de op 1 december 2016 en 13 december 2017 gehouden mondelinge behandelingen in eerste aanleg, door de advocaat van de vader als productie 20 overgelegd;

- het faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 16 december 2019 met de bestreden beschikking van 16 april 2019.

3 De beoordeling

In de zaken met zaaknummers 200.262.770/01 en 200.262.770/02:

3.1.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie is geboren:

[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 12 juli 2016 aan vader vervangende toestemming verleend voor de erkenning van [minderjarige] . De vader heeft, nadat hij hiervoor van de rechtbank vervangende toestemming had verkregen, [minderjarige] op 28 oktober 2016 erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 16 april 2019 heeft de rechtbank zowel het verzoek van de vader tot vaststelling van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] als het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Daarnaast heeft de vader aanvullend verzocht een informatieplicht aan moeder op te leggen en voor de duur van de procedure in hoger beroep voorlopige voorzieningen te treffen.

3.4.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.

De vader is van mening dat er niet dan wel onvoldoende naar een oplossing wordt gezocht en hij voelt zich niet gehoord. De nadruk wordt gelegd op aspecten die nog moeilijk zijn en niet op de vooruitgang die is geboekt. Dit heeft er in het verleden toe geleid dat de vader moeite had om rustig te blijven. Dat betekent echter niet dat hij zijn gesprekspartner wil imponeren en manipuleren. De vader heeft hulpverlening gezocht bij Virenze. Dit is voor hem een grote stap geweest, omdat hij in zijn jeugd negatieve ervaringen heeft gehad met de raad.

Vertrouwen tussen de ouders kan alleen worden opgebouwd indien ook de moeder daarvoor openstaat en zij de vader een kans geeft. De problematiek die er tussen de ouders is (geweest) hoeft niet een dusdanige invloed te hebben op [minderjarige] dat er geen sprake kan zijn van omgang. Hoewel overleg tussen de ouders moeizaam is, is het niet zo dat dit onmogelijk is. Indien de moeder niet openstaat voor direct contact met de vader, kan overleg ook per e-mail plaatsvinden.

De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat haar beide ouders betrokken zijn bij haar opvoeding en dat vader daarin een stem heeft. Het ontbreekt de vader thans aan informatie en aan een gelijkwaardige positie ten opzichte van de moeder. De vader zal de benodigde toestemming geven. Hij wordt thans echter niet gekend in medische beslissingen en schoolkeuzes.

Hoofregel is dat ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun kind en dat dit in het belang is van het kind. Niet is aangetoond dat sprake is van een uitzondering op basis waarvan de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zou dienen uit te oefenen.

De moeder is voor BOR medewerkers moeilijk bereikbaar geweest, kwam afspraken niet na, belast [minderjarige] met volwassenenproblematiek en helpt [minderjarige] niet bij het contact met haar vader. De moeder biedt de vader geen dan wel onvoldoende kans om tot goed contact met [minderjarige] te komen.

De vader heeft geen mogelijkheid zijn dochter verder te leren kennen en een rol te spelen in haar leven. Er worden ingrijpende beslissingen genomen op basis van een korte periode waarin er contact is geweest tussen de vader en [minderjarige] . Bovendien zijn de begeleide

omgangsmomenten grotendeels positief verlopen.

De vader verzoekt voor de duur van de procedure voorlopige voorzieningen te treffen. Hij heeft nu geen contact met [minderjarige] en ontvangt evenmin informatie omtrent [minderjarige] . De vader vreest voor de weerslag daarvan op [minderjarige] en voor de onomkeerbare gevolgen. De totstandkoming van het contact zal, hoe langer deze periode aanhoudt, steeds moeilijker worden voor [minderjarige] . Dat is niet in haar belang.

3.5.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

De vader heeft tijdens het onderzoek door de raad aangegeven dat hij een vijfstappenplan heeft: hij heeft de erkenning gekregen en wil vervolgens omgang. Dan wil hij gezamenlijk gezag, dat gewijzigd zal worden in eenhoofdig gezag. Daarna wil de vader het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem. De vader wil niet vertellen over welke vorm van hulp hij kreeg en met welk effect. De raad mocht Virenze niet benaderen. Ook de huisarts mocht niet worden benaderd. De vader heeft uiteindelijk aangegeven dat hij slechts een eenmalig gesprek bij Virenze heeft gevoerd. De vader blijft uitgaan van zijn eigen gelijk.

Vader heeft reeds vele jaren een hele andere toekomst voor [minderjarige] voor ogen dan de opvoedsituatie die de moeder aan [minderjarige] biedt en waarin, ondanks inzet van de verschillende hulpverleningsvarianten, geen overeenstemming te bereiken is. Gezamenlijk gezag behelst een onaanvaardbaar risico op een klempositie tussen de ouders voor [minderjarige] en zou onzekerheidsgevoelens bij de moeder aanwakkeren die van invloed zijn op de gemoedstoestand van [minderjarige] , aldus de raad.

De vader blijft de moeder diskwalificeren. De moeder begrijpt niet waarom zij zich zou moeten inspannen om het contact tussen [minderjarige] en de vader te bevorderen. Uit het raadsrapport volgt dat [minderjarige] dermate last heeft van de problemen van en tussen de ouders dat mede hierdoor omgang niet in haar belang is. [minderjarige] heeft mede door de houding van de vader en de problemen tussen de ouders angsten ontwikkeld jegens de vader. Daarboven leidt het over weer blijven diskwalificeren er toe dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict wordt gedwongen. Onder die omstandigheden wordt het [minderjarige] praktisch onmogelijk gemaakt zich jegens de ene ouder vrij te voelen om een fijn contact met de andere ouder te onderhouden en daarvan te genieten.

Ten aanzien van het verzoek om informatie voert de moeder aan dat dan weer sprake moet zijn van een communicatie van de moeder naar de vader die de vader weer verkeerd gaat opvatten. Dit zal spanningen in het gezin van moeder brengen.

Gezag

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.6.2.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en die zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.

3.6.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en na eigen afweging tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders indien het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten zou worden toegewezen.

Daaraan voegt het hof nog het volgende toe.

Uit het raadsrapport van januari 2019 volgt dat de vader zich dominant en bepalend uitlaat, tot verbaal agressief, en dat hij moeder diskwalificeert zowel als volwassene als in haar moederrol. Dit maakt dat de moeder, ondanks dat zij in de loop der jaren geestelijk stabieler is geworden, angstig en onzeker blijft als het gaat om de vraag of, en, zo ja, welke rol de vader in het leven van [minderjarige] toebedeeld dient te krijgen. In wezen wordt door de gedragingen en handelwijze van de vader de weerstand van de moeder steeds weer opnieuw gevoed.

[minderjarige] neemt, door de situatie die ontstaan is tussen haar ouders en ten gevolge van het persoonlijk functioneren van ouders, afstand tot haar vader. Ook zij ervaart, althans worstelt met, onzekerheid en angsten als gevolg van de tussen haar ouders ontstane situatie.

De ouders worden, gezien de in het hoger beroep overgelegde stukken zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, niet in staat geacht om gezamenlijk keuzes in het belang van [minderjarige] te maken. Vader heeft reeds vele jaren een heel andere toekomst voor [minderjarige] voor ogen dan de opvoedsituatie die moeder aan [minderjarige] biedt, waarin ondanks inzet van verschillende hulpverleningsinstanties, geen overeenstemming te bereiken is. Het gebrek aan inzicht bij de vader hoezeer zijn eigen handelwijze in de weg staat aan wat hij stelt zo graag te willen, baart zorgen.

Ook het hof voorziet niet dat de situatie tussen ouders binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. Het hof acht hen niet in staat om op een wijze met elkaar te communiceren zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.6.2. weergegeven. Hier dient – zoals ook al door de rechtbank in de thans bestreden beschikking werd geconcludeerd – het belang van [minderjarige] om niet tussen deze ouders vermalen te worden zwaarder te wegen dan het belang van de ene ouder bij een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van de andere ouder.

Dit betekent dat, alles overziende, het verzoek van de vader tot vaststelling van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] op dit moment dient te worden afgewezen.

Omgang

3.7.1.

Aangezien de vader [minderjarige] heeft erkend, is hij de juridische ouder van dit kind.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.7.2.

Uit het raadsrapport van januari 2019 blijkt dat de raad geen (in-)zicht heeft kunnen krijgen in (op) de aangeboden hulpverlening aan vader en dat, zo er sprake zou zijn geweest van hulpverlening aan de vader, het erop lijkt dat het effect van de hulpverlening niet

blijvend is geweest. [minderjarige] heeft mede door de houding van de vader en de problemen tussen de ouders angsten ontwikkeld jegens de vader. Zo zegt [minderjarige] bang te zijn geweest dat de vader haar van school zou ophalen en meenemen.

3.7.3.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking met zoveel woorden aangegeven dat beide ouders hun verantwoordelijkheid dienen te nemen door het inschakelen of voortzetten van op verbetering van hun eigen aandeel in de rond [minderjarige] ontstane situatie gerichte hulpverlening.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof hierop gewezen en partijen gevraagd welke ontwikkelingen zich vanaf de datum van de bestreden beschikking, inmiddels ruim een jaar geleden, hebben voortgedaan. De moeder heeft aangegeven dat zij nog zal worden behandeld voor PTSS en dat [minderjarige] op dit moment geen hulpverlening ontvangt. De vader heeft aangegeven dat hij geen hulp nodig heeft, dat hij aan zichzelf werkt en dat het heel goed met hem gaat.

Het hof benadrukt evenals de rechtbank de noodzaak van het inschakelen van hulpverlening opdat in het belang van [minderjarige] concreet en voortvarend aandacht wordt besteed aan belemmeringen om tot omgang te komen. Echter in de periode vanaf de bestreden beschikking tot aan de mondelinge behandeling bij dit hof – dan gaat het om ruim een jaar – zijn er geen daadwerkelijke ontwikkelingen geweest op het terrein van hulpverlening, althans zijn hiervan geen voor het hof toetsbare resultaten overgelegd. Daarbij stelt het hof verder nog vast dat het beeld dat de raad van de vader heeft geschetst zoals het niet kunnen beheersen van emoties, bij herhaling ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep werd gezien.

3.7.4.

Dat brengt naar het oordeel van het hof met zich dat de belemmeringen tot contact zoals in de bestreden beschikking en het raadsrapport omschreven, nog altijd bestaan. De hulpverlening die de vader volgens de raad nodig heeft, is er niet aantoonbaar (en met positieve resultaten) gekomen. De stelling van de vader dat hij bij Virenze hulp heeft gehad wordt door hem niet onderbouwd. In elk geval is een eenmalig en niet toetsbaar contact onvoldoende om te spreken van adequate hulpverlening.

Het hof is met de rechtbank en de raad van oordeel dat hulpverlening voor de vader nodig was en nog steeds is. Het is aan de vader om bij deskundigen een hulpvraag neer te leggen om het voor de vader te verduidelijken aan welke problemen moet worden gewerkt en dat dan vervolgens ook (voldoende) aan te pakken.

Tot het moment waarop met behoorlijk aantoonbaar resultaat is gewerkt aan het wegnemen van voormelde belemmeringen tot contact, weegt het belang van [minderjarige] thans zwaarder dan het recht en de plicht van de vader tot omgang. Overigens vertrouwt het hof erop dat, daargelaten de positie van de vader, de moeder ook hulp voor zichzelf en, zo nodig, [minderjarige] blijft zoeken.

Dit betekent dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] thans zal worden afgewezen.

Informatieplicht

3.8.

Ingevolge artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent

gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de rechter, indien het belang van het kind zulks

vereist zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

3.8.1.

In het belang van [minderjarige] rekent het hof het tot de taak van de moeder om er voor te zorgen dat de vader minimaal één keer per drie maanden informatie over [minderjarige] krijgt en twee keer per jaar een goedgelijkende en recente foto van [minderjarige] van haar ontvangt. Het dient dan te gaan om informatie over de schoolprestaties, de gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en overige activiteiten van [minderjarige] , waarbij kopieën van de schoolrapporten worden overgelegd. Op deze manier blijft de vader nog enigszins op de hoogte van de gezondheid en de ontwikkeling van zijn dochter en kan hij zich een beeld vormen van haar opgroeien. Het hof zal een dienovereenkomstige informatieregeling vaststellen.

De angst van moeder over het met vader moeten communiceren is naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaarwegend. De moeder kan haar informatieplicht zo inkleden dat de communicatie tussen haar en vader tot een minimum wordt beperkt.

3.9.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het aanvullende verzoek van de vader om een informatieplicht op te leggen alsnog op de hierna genoemde wijze toewijzen.

3.10.

Nu het hof thans beslist over het hoger beroep van de vader tegen de beschikking waarvan beroep heeft hij geen belang meer bij zijn verzoek om voor de duur van de procedure voorzieningen te treffen. De verzoeken worden dan ook afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.262.770/01:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 april 2019 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

bepaalt dat de moeder de vader minimaal een keer per drie maanden schriftelijk (of, zo technisch mogelijk voor verzender én ontvanger, langs elektronische weg door middel van e-mailberichten met eventuele bijlagen) informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010, waarbij informatie wordt verstrekt over haar schoolprestaties, haar gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en overige activiteiten, onder overlegging van kopieën van schoolrapporten, alsmede twee keer per jaar een goedgelijkende en recente foto van [minderjarige] ;


wijst af het meer of anders verzochte.

In de zaak met zaaknummer 200.262.770/02

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.T.L.G. Pellis, H. van Winkel en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 18 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.