Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1887

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
200.268.966_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 juni 2020

Zaaknummer: 200.268.966/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/345776 / FA RK 19-1952

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C.J. Aarts.

Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 6 november 2019, met producties, ingekomen bij het hof op

7 november 2019, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de inleidende verzoeken van de vader alsnog worden toegewezen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen bij het hof op 21 december 2019, heeft de moeder het hof verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen, kosten rechtens.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 september 2019;

  • -

    de brief van de advocaat van de vader van 17 maart 2020, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 18 maart 2020.

2.4.

De meervoudige kamer van het hof heeft de zaak op grond van artikel 16, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de enkelvoudige kamer. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020 via Skype for Business. Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. W.A.H. de Koning, waarnemend;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.2.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

3.3.

De ouders oefenen het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] uit en zijn een

co-ouderschapsregeling overeengekomen. [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.

3.4.

In het door de ouders op 13 juli 2017 ondertekende ouderschapsplan zijn onder meer afspraken gemaakt aangaande het hoofdverblijf van [minderjarige] , de schoolkeuze en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. In dit ouderschapsplan is, voor zover in deze procedure van belang, het navolgende opgenomen.

Artikel 2. Hoofdverblijf

[minderjarige] zal haar hoofdverblijf hebben bij de moeder, in ieder geval voor de duur dat de moeder in de woning aan de [adres] te [woonplaats] woont. Zodra de ouders ieder op een ander eigen woonadres woonachtig zijn, zal in onderling overleg worden bezien of het formele hoofdverblijf van [minderjarige] dient te worden gewijzigd (…).

Artikel 4. De school

Een keuze voor een (type) school maken de ouders tezamen met het kind, waarbij de ouders in gezamenlijk overleg met elkaar zullen beslissen.

3.5.

De ouders zijn op 8 januari 2018 in aanvulling op het ouderschapsplan overeengekomen dat [minderjarige] 4 jaar ingeschreven zal blijven staan bij de moeder op haar woonadres. Na deze 4 jaar zal op [geboortedatum] -2022 [minderjarige] ingeschreven gaan worden op het woonadres van de vader (…).

3.6.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de vader om:

- te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vader;

- vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op een school te [plaats 1] ;

afgewezen.

3.7.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.1.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De vader heeft veel zorgen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de moeder. Ook onderneemt de moeder geen of zeer weinig activiteiten met [minderjarige] . De vader wil daarom dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem krijgt en dat zij ook in de woonplaats van de vader naar school gaat. [minderjarige] heeft haar plek op de huidige school niet goed kunnen vinden.

3.8.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De vader is niet-ontvankelijk in zijn verzoek, omdat hij enkel hetzelfde verzoekt als de vader in eerste aanleg heeft verzocht. De moeder ziet niet in waarom het hoofdverblijf van [minderjarige] gewijzigd moet worden en zij uit haar vertrouwde omgeving gehaald moet worden. Partijen hebben er daarnaast destijds samen voor gekozen om [minderjarige] in [plaats 2] naar school te laten gaan. [minderjarige] zit daar goed op haar plek en heeft wel degelijk vriendjes. In hetzelfde gebouw gaan bovendien de halfbroertjes van [minderjarige] naar het kinderdagverblijf. De moeder heeft haar baan in [plaats 2] . De vader geeft niet aan naar welke school hij [minderjarige] zou willen laten gaan.

3.9.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling de ouders geadviseerd een ouderschapsreorganisatie traject (ouderschap na scheiding) te volgen om de onderlinge communicatie te verbeteren. Hoewel de raad constateert dat de ouders gelijkwaardig ouderschap nastreven en beiden het beste voor hebben met [minderjarige] , is het van belang dat de ouders zich realiseren dat [minderjarige] door de huidige situatie klem kan komen te zitten tussen de ouders. Het is van belang dat de dieper liggende problemen tussen de ouders worden opgelost.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Hieronder valt het geschil over de schoolkeuze van een kind. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.10.2.

Het hof acht het appel van de vader ontvankelijk, nu uit zijn summiere toelichting op de grief blijkt dat de vader van mening is dat de rechtbank aan zijn gronden om het hoofdverblijf en de school te wijzigen onvoldoende aandacht heeft geschonden. Daarmee komt de klacht van de vader er op neer dat de rechtbank zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.10.3.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben beide ouders naar voren gebracht veel problemen te ervaren ten gevolge van een zeer verstoorde oudercommunicatie. De raad heeft hierover aangegeven dat de ouders zich dienen te realiseren dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige] en er toe kan leiden dat [minderjarige] tussen de ouders klem kan komen te zitten. Hoewel dit volgens de raad op dit moment nog niet aan de orde lijkt te zijn, is het wel dringend noodzakelijk dat de ouders deze problematiek aanpakken en een ouderschapsreorganisatietraject ingaan. De raad kan er zich in vinden dat dit wordt uitgevoerd door bijvoorbeeld Topaze, alwaar de ouders reeds aangemeld waren. Het traject is echter nog niet opgestart in verband met de corona-crisis én het feit dat er lopende het hulpverleningstraject geen procedure tussen de ouders mag lopen. Het hof onderschrijft het belang om de communicatie tussen de ouders te verbeteren en gaat er vanuit dat de ouders hun tijdens de mondelinge behandeling gedane toezegging dit traject in te gaan, zullen nakomen.

3.10.4.

Het hof overweegt voorts dat de ouders na het verbreken van hun relatie afspraken hebben gemaakt over het hoofdverblijf en de schoolkeuze van [minderjarige] . Deze afspraken zijn vastgelegd in het tussen de ouders gesloten ouderschapsplan. De wijziging die de ouders voor ogen staat in 2022 betreft, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken, uitsluitend financiële aspecten, zoals het recht op toeslagen die ten gevolge van een wijziging van hoofdverblijf van de ene ouder over (kunnen) gaan naar de andere ouder. De vader beoogt met zijn voorliggend verzoek verder te gaan: de door hem beoogde wijziging van hoofdverblijf en wisseling school zullen ook voor [minderjarige] in haar dagelijkse leven behoorlijke gevolgen hebben.

Het hof heeft op dit moment buiten de stellingen van de vader te weinig concrete aanknopingspunten om de huidige situatie waarin [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft en naar school gaat in [plaats 2] , te wijzigen. De zorgen die de vader heeft geuit dienen door ouders wel serieus genomen te worden en aan bod te komen in het hulpverleningstraject. Deze zorgen zijn echter niet zodanig geobjectiveerd dat ze voldoende grond opleveren om de tussen de ouders tot stand gekomen overeenkomst inzake het hoofdverblijf of de school van [minderjarige] op dit moment te wijzigen. Dit acht het hof niet in het belang van [minderjarige] en ook niet in het belang van de ouders. Het ligt daarom op de weg van de ouders om elkaars zorgen serieus te nemen, de wijze van communiceren te herzien, en daar waar nodig tijdens het begeleidingstraject zo nodig nieuwe afspraken te maken over de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

3.10.5.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu het geschil betrekking heeft op de ouderrelatie die partijen met elkaar onderhouden.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 oktober 2019;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven en is op 18 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.