Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1885

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
200.270.978_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 18 juni 2020

Zaaknummer : 200.270.978/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/359213 / FA RK 19-2801

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.J. de Bruin,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op

[geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Stichting Intervence, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI);

[de pleegmoeder] , wonende op een bij het hof bekend adres, hierna te noemen: de pleegmoeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen. Daarnaast verzoekt de moeder akte van de [overige] door haar gedane verzoeken. De moeder verzoekt het hof een nieuw onderzoek te gelasten door onafhankelijke deskundigen ter vervanging van het raadsrapport en onderzoek te laten doen naar:

- de situatie in het pleeggezin, welke rol de pleegmoeder in het verleden tot op het heden in het gezin en tegenover [minderjarige] (en [jongmeerderjarige] ) heeft gespeeld en hoe zich dit verhoudt tot wat zij naar buiten heeft gebracht;

- de vraag of de huidige situatie van verblijf bij de pleegvader de meest aangewezen en een (door [minderjarige] ) gewenste situatie is;

- de vraag of sprake is geweest van ouderverstoting, welke invloed dat heeft gehad op [minderjarige] en welke personen in dat proces een rol hebben gespeeld.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder haar verzoeken gewijzigd en aangevuld. Zij verzoekt het hof niet langer om een deskundige te benoemen om onderzoek te laten doen zoals hiervoor omschreven. Subsidiair, voor zover het hof van oordeel is dat het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] moet worden beëindigd, verzoekt de moeder om in plaats van de pleegmoeder de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Bruin.

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De pleegmoeder is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 26 mei 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6 formulier van de advocaat van de moeder d.d. 25 mei 2020, met als bijlagen de brief van de rechtbank d.d. 20 juni 2019, het inleidend verzoekschrift van de raad van 31 mei 2019 en het raadsrapport d.d. 29 mei 2019.

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de moeder overgelegde zittingsaantekeningen.

2.5.

Het hof heeft op 26 mei 2020 een brief van de pleegmoeder ontvangen. Deze brief heeft de kenmerken van een verweerschrift en kon alleen door een advocaat worden ingediend. Het hof laat deze brief dan ook buiten beschouwing.

2.6.

Na de mondelinge behandeling zijn de pleegmoeder en [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om op het nieuwe subsidiaire verzoek van de moeder te reageren. Zij hebben dit via e-mail gedaan op 28 mei 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) zijn geboren:

- [jongmeerderjarige] (hierna te noemen: [jongmeerderjarige] ) te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001;

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002.

[jongmeerderjarige] is inmiddels meerderjarig.

3.1.1.

De vader heeft [minderjarige] erkend. Hij is op 21 augustus 2013 overleden.

3.1.2.

De moeder had tot de bestreden beschikking het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] stond sinds 12 januari 2017 onder toezicht van de GI. Zij is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 12 januari 2017 uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegmoeder. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien verlengd tot 12 januari 2020.

3.2.1.

[minderjarige] verblijft sinds februari 2016, aanvankelijk vrijwillig met goedkeuring van de moeder, bij de pleegmoeder.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de pleegmoeder tot voogdes over [minderjarige] benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan.

Voor de moeder heeft steeds het belang van [minderjarige] voorop gestaan. Het is de vraag of de ontneming van het gezag over [minderjarige] in haar belang is en of het recht doet aan de ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] .

Van een pleeggezin waar [minderjarige] verblijft is geen sprake meer. De pleegmoeder woont met [jongmeerderjarige] op een ander adres dan [minderjarige] die met de pleegvader in de woning woont waar zij met beide pleegouders en [jongmeerderjarige] lange tijd heeft gewoond. De moeder maakt zich hierover zorgen en acht de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige] . Zij vraagt zich af of de pleegmoeder het belang van [minderjarige] steeds voor ogen heeft gehad. De moeder heeft steeds naar voren gebracht dat de pleegmoeder een eigen verborgen agenda had en een invloed op [minderjarige] en [jongmeerderjarige] heeft gehad die voor een belangrijk deel tot het verbreken van het contact tussen de moeder en de kinderen heeft geleid. De moeder weet niet wat er zich binnen het pleeggezin afspeelt en Juvent is hier ook niet open over naar moeder toe. De pleegmoeder trad op als een ouderlijk gezag bezittend ouder, gaf geen informatie over de kinderen, weigerde contact te hebben met de moeder en deed niets om het contact van de kinderen met de moeder te bevorderen.

De moeder had het belang van de kinderen voor ogen toen zij fysiek en mentaal niet meer in staat was om voor hen te zorgen en in februari 2016 koos voor een plaatsing in een netwerkpleeggezin. In juni 2016 gaven [minderjarige] en [jongmeerderjarige] aan dat zij rust wilden en geen contact met moeder wilden hebben. Tijdens een netwerkberaad is aan de moeder meegedeeld dat er vier maanden geen contact zou zijn. Een plan van aanpak voor herstel van de relatie is niet opgesteld. In juli 2016 is Intervence ingeschakeld die geen analyse van de situatie of een plan van aanpak van de problemen maakte. De moeder had steeds meer de ervaring dat zij in Intervence een tegenstandster had die de schuld van de problemen bij haar legde en de kant van de pleegmoeder koos. Er ging van alles mis in de relatie van de moeder met Intervence. Dat heeft voor een deel ook te maken met de problemen tussen haar en de pleegmoeder. Ook nadat de rechtbank begin 2017 in een beschikking duidelijk maakte dat gewerkt moest worden aan contactherstel, heeft Intervence dat niet gedaan.

Het onderzoek van de raad is ondeugdelijk. Het NIFP rapport gaat over [jongmeerderjarige] en bevat geen gegevens over [minderjarige] , maar de rechtbank doet het voorkomen dat dit wel het geval is door te overwegen dat [minderjarige] inmiddels zo is ingegroeid in het pleeggezin dat haar perspectief daar ligt. Het NIFP rapport kan niet worden gebruikt voor onderhavige beslissing.

3.6.

De raad voert tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - aan dat uit raadpleging van het GBA heden blijkt dat [jongmeerderjarige] - op het oude adres - bij de pleegvader staat ingeschreven en dat [minderjarige] sinds 23 september 2019 bij de pleegmoeder op een nieuw adres staat ingeschreven.

De raad betreurt het dat de pleegmoeder niet is verschenen en dat zij niet kan worden bevraagd over de situatie.

De raad blijft bij zijn standpunt dat de beëindiging van het gezag van moeder op goede gronden is gevraagd. De raad was verrast door de beslissing van de rechtbank om de pleegmoeder met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Er is niet verzocht de GI met het voogdij te belasten.

De moeder wordt door de raad niet weggezet als incapabele ouder. De omstandigheden in de afgelopen vier jaar zijn uitgemond in de situatie zoals die nu is.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.7.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] ’s verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

3.7.3.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

De door de wet bedoelde aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] verstreken. Haar opgroei-perspectief ligt niet meer bij de moeder. Dat brengt mee dat de jaarlijks te verlengen ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing niet meer aan hun doel kunnen beantwoorden. De functie van de uithuisplaatsing, gericht op thuisplaatsing, is immers vervallen. Dan moet in beginsel worden gekomen tot beëindiging van het gezag. Belangrijk doel daarvan is dat er voor [minderjarige] en de moeder duidelijkheid komt over het toekomstperspectief.

3.7.4.

Wanneer duidelijk is dat het perspectief van een minderjarige niet meer is gericht op terugkeer naar de eigen ouder kan onder omstandigheden worden afgezien van beëindiging van het gezag van de ouder. Die omstandigheden doen zich hier echter niet voor.

Ten aanzien van de hulpverlening en plaatsing bij de pleegouders heeft de moeder een wisselende opstelling laten zien. Op sommige momenten kon zij met de plaatsing bij de pleegmoeder instemmen, om daar echter op een later moment weer op terug te komen.

Evenals de rechtbank is, gezien de ambivalentie van de moeder ten aanzien van zowel de hulpverlening als de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, het hof van oordeel dat van onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig acceptatie bij de moeder geen sprake is. Dat is niet in het belang van [minderjarige] , welk belang hier centraal staat.

Uit het procesdossier is gebleken dat de verhouding tussen de moeder en de pleegmoeder ernstig verstoord is. Niet te verwachten valt dat zij samen een onbelaste opvoedomgeving voor [minderjarige] kunnen creëren.

Het hof acht daarom gezagsbeëindiging van de moeder noodzakelijk in het belang van [minderjarige] , om [minderjarige] zo de helderheid te geven waaraan, mede gezien de in hoger beroep overgelegde stukken, zij overduidelijk behoefte heeft.

3.7.5.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder subsidiair verzocht niet de pleegmoeder maar de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen. De raad en de GI staan achter dit verzoek en de GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.

De pleegmoeder en [minderjarige] hebben het hof uitgebreid gemotiveerd laten weten met dit verzoek niet te kunnen instemmen.

De pleegmoeder vindt dat een wijziging in voogdij niet in het belang van [minderjarige] is, nu [minderjarige] aangeeft dat zij rust en stabiliteit nodig heeft. Indien het verzoek is gedaan om tot contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] te komen, dan acht de pleegmoeder de kans daarop bijzonder klein. Dat komt voor [minderjarige] te vroeg.

[minderjarige] geeft aan dat zij geen vertrouwen heeft in de GI. In het verleden zijn er vijf verschillende begeleiders vanuit de GI geweest en [minderjarige] wil niet opnieuw iemand toelaten in haar privéleven. Naar het oordeel van het hof is het niet opportuun om de voogdij voor de nog resterende duur van de minderjarigheid van [minderjarige] (zij wordt op [geboortedatum] 2020 meerderjarig) te wijzigen. Dat zal verbetering van de verstandhouding tussen moeder en [minderjarige] en pleegmoeder niet bevorderen. Het gaat hier om een meermaals uitgesproken mening van een minderjarige van 17,5 jaar oud die aangeeft rust te willen, zoals eerder ook al uit bijvoorbeeld de bestreden beschikking bleek). Het hof zal het subsidiaire verzoek dan ook afwijzen.

3.7.6.

De moeder heeft haar verzoeken om nader onderzoek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken zodat deze verzoeken geen bespreking meer behoeven.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de onder bovenvermeld zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 september 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, L.Th.L.G. Pellis en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 18 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.