Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1871

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.260.009_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:1545
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 juni 2020

Zaaknummer: 200.260.009/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/257970/ FA RK 18-4594

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.H.G. Pelzer,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van Riet.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland

vestiging: [vestiging]

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 28 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 mei 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van het afwijzen van het verzoek tot omgang en in plaats daarvan een begeleide omgangsregeling (BOR) vast te stellen, dan wel een onderzoek door de raad te gelasten, dan wel een dusdanige omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 juli 2019, heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader in hoger beroep ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen.

2.3.

De meervoudige kamer van het hof heeft de zaak op grond van artikel 16 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de enkelvoudige kamer. De mondelinge behandeling heeft in verband met de RIVM-maatregelen met betrekking tot het COVID-19 virus plaatsgevonden op 11 juni 2020 via Skype for Business. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door mr. Pelzer;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Riet;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 februari 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de vader een (begeleide en daarna onbegeleide) omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

Elke afwijzing van en verzoek tot omgang tussen ouder en kind is tijdelijk van aard. Ook al is geen sprake van gewijzigde omstandigheden, een ouder kan zich na verloop van één jaar opnieuw tot de rechter wenden. De vader is daarbij van mening dat de omstandigheden aan zijn zijde ten positieve zijn gewijzigd. In het verleden was de houding van de vader niet goed, hij realiseert zich dat nu. Hij is in stabiel vaarwater terecht gekomen. Hij heeft nu een huurwoning. De vader woont daar alleen. Hij heeft nu anderhalf jaar een relatie met een vrouw, zelf moeder van een zoon van 16, met wie de vader ook een goed contact heeft. De vader geniet een uitkering. Hij zit nog ongeveer een jaar in de schuldsanering die de vader met een schone lei hoopt af te gaan sluiten. In 2019 heeft de vader een taakstraf opgelegd gekregen. In die zaak loopt nog hoger beroep. De zaak heeft niets met ouderschap te maken. De vader beoogt weer aan het werk te raken in de vervoersbranche. De vader staat nu anders in het leven dan enkele jaren geleden. Therapie heeft hij niet gehad, hij heeft zijn situatie op eigen kracht verbeterd. Hij wil dat graag laten zien en vandaar uit contact met [minderjarige] opbouwen. De vader acht een raadsonderzoek op zijn plaats.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het is juist dat de vader na een jaar een verzoek kan indienen tot omgang en dat daarvoor niet een wijziging van omstandigheden noodzakelijk is. Echter de vader is er zelf verantwoordelijk voor dat hij [minderjarige] al zes jaar niet meer heeft gezien. In 2017 wenste de vader niet aan begeleide omgang mee te werken; het moest op zijn manier en anders maar niet. De moeder is een nieuw leven begonnen. Zij volgt vanwege de ernstige inbreuken op haar welzijn nog altijd traumatherapie en zal aansluitend schematherapie gaan volgen. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat de vader is veranderd. Hij heeft niets gedaan met de adviezen van de raad. De vader heeft nog een zoontje en twee dochters met wie hij ook geen contact heeft. De veroordeling in 2019 is een zorgelijk signaal. De moeder begrijpt dat de rechtbank heeft gesteld dat de vader meer dient aan te dragen dan hij gedaan heeft. Hij dient aan te tonen dat hij stabiliteit kan bieden. Dat doet hij niet. De situatie zo als die nu rond [minderjarige] is dient te worden beschermd. Mocht het hof tot een raadsonderzoek besluiten, dan zal de moeder daaraan haar medewerking verlenen.

3.6.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd.

De raad wijst er op dat [minderjarige] nog erg jong was, anderhalf jaar oud ongeveer, ten tijde van het onderzoek dat eerder plaats vond. De raad heeft toen een gezond kind gezien en een moeder die open stond voor contact tussen [minderjarige] en de vader. Het was toen de vader die een visie en houding liet zien waardoor er geen ruimte voor duurzaam contact kwam. De moeder stelt nu dat er niets dient te gebeuren. Dat verbaast de raad. De raad wil graag de mogelijkheden en de onmogelijkheden die er zijn tot contact tussen [minderjarige] en de vader onderzoeken, alles vanuit het recht van [minderjarige] op een gezond family life.

4.1.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Het hof zal dan ook de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

  • -

    Welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad voor contact c.q. omgang tussen de vader en [minderjarige] ?

  • -

    Wat acht de raad nodig om eventuele belemmeringen voor contact c.q. omgang weg te nemen?

  • -

    Zijn er belemmeringen bij de moeder die een contactherstel tussen de vader en [minderjarige] in de weg staan, en zo ja welke?

  • -

    Is het voor het contactherstel noodzakelijk dat er professionele begeleiding wordt ingezet en zo ja, voor wie en aan welke hulpverlening/begeleiding kan worden gedacht?

  • -

    Als er mogelijkheden zijn, in welke vorm en frequentie is contact c.q. omgang tussen de vader en [minderjarige] mogelijk?

  • -

    Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?

4.2.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak zes maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

4.3.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.1. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 17 december 2020.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven en is op 18 juni 2020 door mr. C.N.M. Antens uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.