Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1868

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
200.243.981_01 en 200.259.170_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:2589
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag. Omgangsregeling. Informatie- en consultatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 juni 2020

Zaaknummers: 200.243.981/01 (gezag) en 200.259.170/01 (omgang)

Zaaknummers eerste aanleg: C/02/280321 FA RK 14-2497 (gezag) en C/02/350310 FA RK 18-5293 (omgang)

in de zaken in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Akdeniz.

Deze beschikking gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 27 juni 2019

In beide zaken

Bij die beschikking heeft het hof, kort samengevat, de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar het gezag over [minderjarige] en de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Het hof heeft iedere verder beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In de zaak 200.259.170/01 (omgang)

6.1.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 juli 2019, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

In beide zaken

6.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad d.d. 19 februari 2020 met als bijlage de reactie van de vader op het concept raadsrapport en het advies van de raad;

- de brief van de raad d.d. 2 maart 2020 met als bijlage een reactie van de moeder op het raadsrapport en de reactie van de vader d.d. 17 februari 2020;

- het V-formulier van de advocaat van de vader, ingekomen op 4 maart 2020;

- het V-formulier van de advocaat van de vader, ingekomen op 11 maart 2020;

- het V-formulier van de advocaat van de vader, ingekomen op 19 maart 2020;

- het V-formulier van de advocaat van de vader, ingekomen op 12 juni 2020.

6.3.

Er heeft geen voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

7 De verdere beoordeling

In beide zaken

7.1.

Uit voormeld raadsrapport blijkt, samengevat, het volgende.

Het is zorgelijk dat het de ouders niet is gelukt om tot overeenstemming te komen over de omgang en het gezag. De verschillende procedures zorgen voor een constante onrust. De raad maakt zich zorgen over wat dit op den duur zal betekenen voor de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en zijn loyaliteitsgevoelens ten opzichte van de ouders. [minderjarige] stelt zich nu al behoedzaam op en is gesloten in het gesprek. Beide ouders herkennen de gesloten houding van [minderjarige] , maar deze constatering verandert niets aan hun handelen. De spanningen zorgen ervoor dat [minderjarige] geen onbelast contact heeft met de ouders. Wanneer de houding van de ouders niet verandert bestaat het risico dat [minderjarige] steeds meer klem komt te zitten tussen de ouders. Voor [minderjarige] is het van belang dat hij ervaart dat de andere ouder er mag zijn. Voor het zelfbeeld van een kind is het schadelijk als ouders elkaar niet respecteren.

Ondanks de inzet van verschillende hulpverleners is de situatie voor [minderjarige] niet veranderd.

Beide ouders bieden [minderjarige] qua verzorging en opvoeding een goede basis en zij hebben beiden de capaciteiten om goede ouders voor [minderjarige] te zijn. De raad ziet het als een kracht dat de vastgestelde regeling loopt waardoor [minderjarige] een regelmatig en voorspelbaar contact met de vader heeft. De ouders zijn zeer betrokken op [minderjarige] . Het verblijf van [minderjarige] bij beide ouders wordt in principe niet ter discussie gesteld. Wel constateert de raad dat er van weerskanten bedenkingen zijn over de opvoeding van de andere ouder.

Om de zorgen voor [minderjarige] weg te nemen heeft [minderjarige] naast rust en een duidelijk toekomstbeeld, een onbelast contact met beide ouders en vooral ook acceptatie en respect van de ouders voor elkaar nodig. De raad vindt het nodig dat de ouders met behulp van hulpverlening inzicht gaan krijgen in het effect van hun handelen naar elkaar, wat dit bij ieder van hen losmaakt en de positie van [minderjarige] hierbinnen. Voor de ouders is hiervoor Psycho educatie nodig. Hulpverlening met betrekking tot de onderlinge communicatie tussen de ouders heeft op dit moment geen prioriteit. Op dit moment wordt hulp voor [minderjarige] nog niet nodig geacht.

In de situatie van [minderjarige] is op dit moment geen basis voor parallel ouderschap. Hiervoor is nodig dat de ouders de situatie met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de gerechtelijke beslissingen hierover accepteren en daarvan is geen sprake.

[minderjarige] lijkt al klem of verloren te raken terwijl het gezag nu nog alleen bij de moeder rust. De ouders kunnen niet op een constructieve wijze over [minderjarige] overleggen. Zij staan lijnrecht tegenover elkaar over wat zij voor [minderjarige] nodig vinden en er vindt weinig afstemming plaats. Tussen de ouders is maar een geringe mate van samenwerking en communicatie en dat gaat gepaard met veel onvrede en werkt bevestigend voor het negatieve beeld dat de ouders van elkaar hebben. De vader accepteert gerechtelijke uitspraken worden niet. Hij neemt de door de rechtbank en raad geuite zorgen over de vele procedures bepaald niet ter harte en staat er niet voor open. Volgens de vader verandert de situatie wanneer hij zijn rol als vader gelijkwaardig kan uitoefenen, maar de raad kan dit op grond van de huidige gegevens niet zonder meer aannemen. Daarmee kan de raad ook niet uitsluiten dat [minderjarige] niet klem of verloren dreigt te raken bij het toekennen van het gezamenlijk gezag. De raad ziet nu geen basis om aan het verzoek van de vader om ook belast te worden met het ouderlijk gezag tegemoet te komen. De raad vraagt zich wel af wat de mogelijkheden zijn als er hulpverlening binnen een ondertoezichtstelling wordt ingezet en er misschien op termijn een ruimere omgangsregeling mogelijk is. De raad zal de rechtbank verzoeken [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar.

Er bestaat geen twijfel over dat de vader een capabele ouder is die goed kan zorgdragen voor een goede opvoedingssituatie van [minderjarige] en die in zijn rol als vader [minderjarige] veel kan bieden. Op dit moment is er echter onvoldoende basis om het verzoek van de vader met betrekking tot een 50/50 regeling vast te leggen. Een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op basis van acceptatie en respect van de andere ouder als opvoeder van [minderjarige] , vergt veel afstemming tussen de ouders. Dat lukt de ouders nu niet, die basis ontbreekt en de kans dat de onrust en spanning aanwezig blijven is groot. Dat [minderjarige] de vader mist is een normale reactie van een jong kind, maar vormt voor de raad onvoldoende noodzaak om de omgangsregeling te veranderen. De zorgen die de raad heeft ten aanzien van een gelijkwaardige verdeling wegen in deze zwaarder. Het is niet mogelijk om het verzoek van de vader uit te proberen. De raad ziet wel mogelijkheden in een uitbreiding van de vakantieregeling, waarmee de raad met name tegemoet wil komen aan [minderjarige] . Naar aanleiding van de resultaten van de hulpverlening kan na een jaar tevens worden bekeken of de nieuwe vakantieregeling gehandhaafd dient te worden en of, en in welke mate, er nog mogelijkheden zijn om tot een verdere uitbreiding van de omgang te komen. De raad zal deze vraag tijdens het onderzoek meenemen.

De raad adviseert het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag aan te houden voor de duur van één jaar in afwachting van de resultaten van de hulpverlening. De raad zal het onderzoek ambtshalve na negen maanden weer starten. De raad zal hierbij onder meer de bevindingen van de gezinsvoogd betrekken. De raad adviseert verder om de huidige omgangsregeling te handhaven en deze ten aanzien van de vakanties uit te breiden. Tijdens de kerstvakantie zou [minderjarige] de ene week bij de vader moeten verblijven en de andere week bij de moeder. De herfstvakantie en voorjaarsvakantie zouden zodanig bij helfte verdeeld moeten worden verdeeld dat [minderjarige] de ene helft van de vakantie bij de vader en de andere helft bij de moeder is en dit moet het daaropvolgende jaar omgekeerd worden zodat [minderjarige] met carnaval afwisselend bij de vader en de moeder is. Verder zou de zomervakantie met één week moeten worden uitgebreid zodat [minderjarige] week 2 en 3 bij de vader is.

7.2.

Gelet op de inhoud van het raadsrapport acht het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen omtrent het gezag en een definitieve omgangsregeling. De vader verzoekt om een mondelinge behandeling, maar hiervoor ziet het hof thans geen aanleiding. Er zal eerst meer duidelijkheid moeten komen omtrent het verloop en de resultaten van het in te zetten hulpverleningstraject van de ouders. Het hof sluit zich aan bij het advies van de raad met betrekking tot het gezag en zal de beslissing hierover voor één jaar aanhouden. Ook sluit het hof zich aan bij het advies van de raad ten aanzien van de omgangsregeling, in die zin dat het hof in aanvulling op de huidige omgangsregeling, voorlopig een uitgebreidere vakantieregeling zal vaststellen. Gelet op de reacties van de ouders op het raadsrapport zal het hof, anders dan de raad adviseert, bepalen dat de vader gerechtigd is tot omgang met [minderjarige] gedurende de zomervakantie vanaf de vrijdag waarop de zomervakantie aanvangt om 17.00 uur tot de woensdag in de derde week van de zomervakantie om 12.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de moeder. Vervolgens verblijft [minderjarige] tot en met het laatste weekend van de zomervakantie bij de moeder. Ten aanzien van de overige vakanties zal het hof het advies van de raad volgen, nu partijen hierover niet (geheel) op één lijn liggen.

7.3.

Gelet op het advies van de raad verzoekt het hof de raad het onderzoek over negen maanden, dan wel eerder indien daartoe volgens de raad aanleiding bestaat, te heropenen en vóór na te melden pro forma datum omtrent de resultaten van het aanvullend onderzoek een schriftelijk rapport met advies uit te brengen omtrent het gezag en de definitieve omgangsregeling alsmede de definitieve vakantieregeling, en de vragen zoals geformuleerd in voormelde beschikking van 27 juni 2019, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het aanvullend rapport en het advies van de raad. Partijen wordt tevens verzocht het hof te informeren over het door partijen gewenste verdere verloop van de procedure.

7.4.

Op grond van het vorenstaande beslist het hof als volgt.

8 De beslissing

Het hof:

in beide zaken:

verzoekt de raad een aanvullend onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 7.3 is overwogen;

verzoekt de raad vóór de hierna te noemen pro forma datum een aanvullend rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

stelt partijen vervolgens in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van het rapport en het advies van de raad schriftelijk te reageren op dit rapport en advies, waarbij partijen tevens worden verzocht het hof te informeren omtrent het door partijen gewenste verdere verloop van de procedure;

bepaalt dat de vader voorlopig, tot daarop nader wordt beslist, gerechtigd is tot omgang met [minderjarige] :

- iedere dinsdag van school tot woensdag aanvang school;

- eenmaal per twee weken van vrijdag 18.30 uur tot zondag 19.00 uur;

- gedurende de zomervakantie vanaf de vrijdag waarop de zomervakantie aanvangt om 17.00 uur tot de woensdag in de derde week van de zomervakantie om 12.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de moeder; vervolgens verblijft [minderjarige] tot en met het laatste weekend van de zomervakantie bij de moeder;

- gedurende de helft van de herfstvakantie, welke helft jaarlijks wisselt;

- gedurende de helft van de kerstvakantie, welke helft jaarlijks wisselt;

- gedurende de helft van de voorjaarsvakantie, welke helft jaarlijks wisselt;

waarbij de reguliere omgangsregeling in de weekenden en op de dinsdagen in de vakanties komt te vervallen,

waarbij de reguliere omgangsregeling in de weekenden en op de dinsdagen op Koningsdag, Pasen, Pinksteren en Hemelvaart doorloopt indien deze dagen niet in een vakantie vallen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 17 juni 2021.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.J.F. Manders en is op 18 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.