Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
19/00783 tot en met 19/00785
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5152, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende maakt ruimschoots na dagtekening van (belasting)aanslagen bezwaar. Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is het daarmee niet eens. In geschil is of de aanslagen en verwante beschikkingen op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt en, zo ja, de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Het hof is van oordeel dat rechtsgeldig is bekendgemaakt en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Belanghebbende heeft niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-06-2020
V-N Vandaag 2020/1641
FutD 2020-1934
V-N 2020/44.18.14
NTFR 2020/2092
NLF 2020/1462 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00783 tot en met 19/00785

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 november 2019, nummers BRE 19/1944 tot en met 19/1946, in het geding tussen

de inspecteur,

en

[belanghebbende] ,

Wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is ook heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Aan belanghebbende zijn over het jaar 2012 aanslagen in de IB/PVV en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Daarbij is ook belastingrente in rekening gebracht. Bij de aanslag IB/PVV is ook een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet‑ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en, onder meer, de uitspraken op bezwaar vernietigd, en de zaken teruggewezen naar de inspecteur om opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

1.4.

De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft met toestemming van partijen door middel van een telefonische vergadering plaatsgehad op 28 mei 2020 te ’s-Hertogenbosch. Beide partijen hebben telefonisch aan deze zitting deelgenomen. Namens belanghebbende heeft deelgenomen zijn gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur hebben deelgenomen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Aan het slot van de zitting heeft het hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was gedurende de onderstaande tijdvakken als volgt ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP):

Postcode Huisnr. Straat Plaats Ing. Dat. Verv. Dat

[postcode 1] 1 [straat 1] [plaats] 3-10-2014 5-1-2016

[postcode 2] 36A [straat 2] [woonplaats] 19-2-2014 3-10-2014

2.2.

Het biljet waarin de aanslag IB/PVV, de rentebeschikking en de boetebeschikking over het jaar 2011 zijn opgenomen (hierna: het aanslagbiljet 2011) is gedagtekend 17 september 2014. Dit biljet is geadresseerd aan belanghebbende op het adres [straat 2] 36-A, [postcode 2] , [woonplaats] .

2.3.

De biljetten waarin de aanslagen IB/PVV en Zvw, de rentebeschikkingen en de boetebeschikking over het jaar 2012 zijn opgenomen (hierna: de aanslagbiljetten 2012) zijn gedagtekend 24 oktober 2014. Deze biljetten zijn geadresseerd aan belanghebbende op het adres [straat 1] 1, [postcode 1] , [plaats] .

2.4.

Bij brieven van 12 november 2015 heeft de ontvanger van de Belastingdienst verzoeken om uitstel van betaling van de hiervoor genoemde aanslagen afgewezen.

2.5.

Met dagtekening 3 september 2018 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de onderhavige aanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen.

3.2.

De inspecteur is van mening dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende vindt het tegenovergestelde.

3.3.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep (in eerste aanleg). Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft over de ontvankelijkheid van het bezwaar onder meer als volgt overwogen:

“2.2. Belanghebbende stelt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard en voert daartoe (onder meer) aan dat hij de aanslagen niet heeft ontvangen. De inspecteur vindt dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en voert daartoe (onder meer) aan dat de aanslagen zijn verzonden naar het juiste adres.

2.3.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 22j van de AWR). Dit is anders indien de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking. In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In gevallen waarin besluiten zijn bekendgemaakt door toezending van een aanslagbiljet aan belanghebbende, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de daarin vervatte besluiten zijn bekendgemaakt (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05063, rechtsoverweging 3.2). Indien de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, is het aan de inspecteur om die verzending aannemelijk te maken. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een schriftelijk besluit hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen (vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102).

2.4.

Gelet op het onder 2.3. genoemde rechtskader, rust op de inspecteur de last te bewijzen dat de aanslagen zijn verzonden en dat de verzending naar het juiste adres heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft diverse stellingen ingenomen ter zake van de juistheid van het toezendadres, maar heeft niets gesteld noch bewijs geleverd van de feitelijke verzending van de aanslagen. De stelling van de inspecteur dat er diverse andere stukken naar belanghebbende zijn verzonden, maakt dat niet anders. Dat zegt immers niets over de verzending van de aanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank had het wel op de weg van de inspecteur gelegen bewijs van verzending bij te brengen, nu belanghebbende de ontvangst van de aanslagen heeft betwist. Weliswaar heeft belanghebbende de stelling dat hij de aanslagen niet heeft ontvangen voor het eerst (duidelijk) ingenomen op de zitting bij de rechtbank, maar dat neemt niet weg dat de inspecteur de mogelijkheid had om op zitting een bewijsaanbod te doen ter zake van de verzending van de aanslagen.

2.5.

Nu de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen zijn verzonden en uit niets volgt dat de aanslagen belanghebbende voor het doen van de uitspraken op bezwaar (anderszins) hebben bereikt, is de termijn voor het maken van bezwaar niet aangevangen. De bezwaren zijn derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Gelet hierop zijn de beroepen gegrond verklaard. De bestreden uitspraken op bezwaar dienen te worden vernietigd. Overeenkomstig het standpunt van belanghebbende en de inspecteur volgt terugwijzing. De inspecteur is opgedragen nieuwe uitspraken op bezwaar te doen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.”

4.2.

In hoger beroep heeft de inspecteur rapportages en (systeem)uitdraaien in het geding gebracht ten bewijze van de verzending van de aanslagbiljetten 2011 en 2012 naar de daarop vermelde adressen. Het verweer van belanghebbende verschilt voor deze respectieve jaren, met dien verstande dat belanghebbende voor beide jaren de verzending van de aanslagbiljetten betwist.

4.3.

Wat betreft het jaar 2011 betoogt belanghebbende verder:

  • -

    dat hij op 22 juli 2014 was gearresteerd en sinds 25 juli 2014 verbleef in de [PI] , waarvan het adres om onbegrijpelijke redenen pas op 3 oktober 2014 als verblijfsadres van belanghebbende in de BRP is geregistreerd;

  • -

    dat het aanslagbiljet dus is verstuurd naar het verkeerde adres, namelijk [straat 2] 36A te [woonplaats] , in plaats van – naar het hof verstaat – het adres van de [PI] , zijnde [straat 1] 1 te [plaats] ;

  • -

    dat de omstandigheid dat de registratie van de Belastingdienst (waarmee belanghebbende kennelijk bedoelt: de registratie in de BRP) niet overeenkomt met de werkelijkheid, niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen.

4.4.

Wat betreft de aanslagbiljetten 2012 betoogt belanghebbende verder:

  • -

    dat er iets mis moet zijn gegaan bij de verzending of bezorging van deze aanslagbiljetten;

  • -

    dat hij hoe dan ook geen kennis heeft genomen van deze aanslagbiljetten vóór eind augustus 2018.

4.5.1.

Verzending van een aanslagbiljet leidt tot rechtsgeldige bekendmaking van de daarin opgenomen beschikkingen indien dat biljet wordt verzonden naar het juiste adres. Ook indien een eventuele onjuiste adressering niet aan de Belastingdienst is te wijten, is een (belasting)aanslag op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.1

Indien de correcte verzending aannemelijk wordt geacht, moet de stelling van de belastingplichtige dat een aanslagbiljet hem niet heeft bereikt, worden opgevat als een beroep op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb). De belastingplichtige draagt de stelplicht en (eventueel) de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit die verschoonbaarheid volgt.2 Daarbij zijn de volgende bewijsregels van belang.

De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belastingplichtige die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Indien de belastingplichtige aldus een beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb, is het voldoende dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst of die aanbieding.3

4.5.2.

Het voorgaande is, voor een geval als het onderhavige, anders voor zover het een boetebeschikking betreft. Daarvoor geldt dat indien de beboete belastingplichtige stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten, terwijl omtrent de juistheid van die stelling in rechte geen zekerheid valt te verkrijgen, de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, tenzij de onjuistheid van die stelling door de inspecteur wordt bewezen.4

4.6.

Wat betreft de verzending van de aanslagbiljetten voor beide jaren acht het hof aannemelijk dat die biljetten zijn verzonden naar de juiste adressen, zijnde de in de BRP geregistreerde adressen van belanghebbende.

Uit de door de inspecteur in het geding gebrachte rapportages kan worden afgeleid dat het aanslagbiljet 2011 is gedagtekend 17 september 2014 met BSN-nummer [nummer] . Deze aanslag maakt onderdeel uit van een partij met kenmerk [kenmerk 1] . Dit volgt uit de mail van 13 december 2019 13.37 uur van [A] in antwoord op de mail van 13 december 2019 12:24 uur van [B] . Deze partij bestaat uit 4.114 stuks. Deze partij is samengevoegd met een aantal andere partijen en hebben als kenmerk [kenmerk 2] . Deze samengevoegde partij bestaat uit 6.020 stuks. Deze samenstelling blijkt uit het dossier Outputcontrole. Deze partij is steekproefsgewijs gecontroleerd. Vervolgens blijkt uit de dispositielijst en het stuk [C] dat een partij van 6.020 stuks is aangeboden aan de postbezorger (PostNL en/of Sandd).

Vergelijkbare rapportages zijn overgelegd voor de aanslagbiljetten 2012.

Op grond van deze rapportages is het hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen daadwerkelijk zijn verzonden naar de in de BRP geregistreerde adressen van belanghebbende. Daarmee verschilt de onderhavige zaak van de zaak die aan de orde was in het arrest HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674, waarin uit de rapportage kennelijk niet kon worden afgeleid dat het relevante document onderdeel uitmaakte van een bepaalde partij stukken.

4.7.

Met de verzending van de aanslagbiljetten zijn de daarin opgenomen aanslagen en beschikkingen rechtsgeldig bekendgemaakt. Anders dan belanghebbende betoogt, mocht de inspecteur uitgaan van de in de BRP geregistreerde adressen. Het blijft de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige om zorg te dragen voor het doorgeven van een wijziging van zijn adres aan de gemeente voor verwerking in de Basis Registratie Personen. Dat geldt ook voor degene die in een PI verblijft.5 Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur, op grond van hem destijds ter beschikking staande gegevens, aanwijzingen had dat belanghebbende destijds elders verbleef. Dat geldt in het bijzonder voor de door belanghebbende in het geding gebrachte detentieverklaring.

4.8.

De omstandigheid dat het aanslagbiljet 2011 belanghebbende niet heeft bereikt wegens zijn detentie kan niet aan de Belastingdienst worden toegerekend. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de verhuurder van de woning met het genoemde adres in verband met een aldaar aangetroffen hennepplantage de woning heeft (doen) ontruimen en opleveren in verband met de intrek van nieuwe huurders. Dat belanghebbende als gevolg daarvan over post na een bepaalde datum niet meer zou kunnen beschikken, is evenmin aan de Belastingdienst toe te rekenen. In deze omstandigheden kan ook geen aanleiding worden gevonden om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten, nog afgezien van hetgeen hierna wordt overwogen inzake brieven van de ontvanger van de Belastingdienst.

4.9.

Wat betreft de aanslagbiljetten 2012 heeft belanghebbende onder andere gesteld dat die biljetten hem hoe dan ook niet hebben bereikt. Ook indien daarin aanleiding zou worden gezien voor een op zichzelf beschouwd gegrond beroep op artikel 6:11 Awb, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de bezwaarschriften zijn ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd. Tot de gedingstukken behoren brieven van de ontvanger van de Belastingdienst aan belanghebbende met dagtekening 12 november 2015, waarin verzoeken om uitstel van betaling (of een betalingsregeling) ter zake van de onderhavige aanslagen worden afgewezen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij die brieven niet heeft ontvangen. Het hof leidt daaruit af dat belanghebbende omstreeks 12 november 2015 op de hoogte moet zijn geweest van de desbetreffende aanslagen. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting ook geen verklaring kunnen geven voor het feit dat voor het eerst in 2018 en niet eind 2015 bezwaar is gemaakt. Gelet op deze omstandigheden, kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar heeft gemaakt.

4.10.

Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaar tegen de onderhavige belastingaanslagen en bijbehorende beschikkingen terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het hof acht geen reden aanwezig voor een vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep in alle zaken ongegrond.

De uitspraak is gedaan door P.C. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van S.B.A. Vriens, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063 (https://www.navigator.nl/document/inodf6160d5ed0a6de227447c47a4021e99a?anchor=id-6f8317e4268c82c2f994611d07622ead), ov. 3.2.

2 HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, ov. 2.4.1 tot en met 2.4.3.

3 HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, ov. 2.4.1 tot en met 2.4.4.

4 HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102 en HR 22 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3854.

5 CRvB 28 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF0075.