Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
19/00279
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1731, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoening op aangifte BPM. Geen toepassing ex-rentalkorting bij auto zonder huurverleden. Diverse andere onderwerpen (met veelal beroep op Unierecht): schending hoorplicht bezwaarfase, heffing griffierecht, rentevergoeding over terugbetaalde BPM, rente over griffierecht, beslissing (im)materiële schadevergoeding door andere rechters, vergoeding van materiële schade, hoogte (proces)kostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-06-2020
V-N Vandaag 2020/1659
FutD 2020-1944
V-N 2020/53.28.4
O&A 2020/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 19/00279

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 april 2019, nummer BRE 17/4574, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333. De rechtbank heeft het beroep ten dele gegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De griffier van het hof heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 519. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Bij tussenuitspraak van 13 maart 20201 heeft het hof gemachtigde geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaak dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

1.7.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 7 oktober 2016 aangifte BPM gedaan voor de registratie van een ingevoerde auto, een [automerk] , VIN eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De auto heeft als datum eerste toelating 1 januari 2012.

2.2.

In de aangifte is de handelsinkoopwaarde bepaald aan de hand van de koerslijst XRAY (marge-auto). Belanghebbende is bij de aangifte voor de auto uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 33.890 en een handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijst XRAY van € 6.804, resulterend in een afschrijving van 79,92%. De bruto BPM bedraagt volgens de aangifte € 8.413. Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 1.691 en belanghebbende heeft dit bedrag op 24 oktober 2016 voldaan.

2.3.

Op 9 november 2016 heeft [gemachtigde] (hierna: de gemachtigde) namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2017 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en een teruggaaf van € 87 (€ 1.691 -/- € 1.604) verleend in verband met het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017.2 De inspecteur heeft aan belanghebbende een forfaitaire kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 246 toegekend. Belanghebbende is in bezwaar niet gehoord.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, behoudens de beslissing omtrent de kostenvergoeding, een (extra) teruggaaf van de op aangifte voldane BPM van € 111 verleend, de belastingrente vastgesteld over voornoemde teruggaaf over de periode 1 april 2017 tot en met 30 mei 2017 en de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de bij uitspraak op bezwaar aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding. Daarnaast heeft de rechtbank een immateriële schadevergoeding en een veroordeling in de proceskosten en het griffierecht uitgesproken.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft belanghebbende recht op een ex-rentalkorting?

  2. Is de hoorplicht in de bezwaarfase geschonden?

  3. Is het door de griffiers van de rechtbank en het hof geheven griffierecht te hoog?

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het terugbetaalde bedrag aan BPM?

5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het terugbetaalde griffierecht?

6. Dient de beslissing op het verzoek om (im)materiële schadevergoeding te worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen?

7. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten?

8. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Overwegingen vooraf

4.1.

Het hof heeft in een tussenuitspraak van 13 maart 2020,3 geoordeeld dat gemachtigde geweigerd wordt om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaken dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen. Deze tussenuitspraak wordt als hier ingelast aangemerkt.

Ten aanzien van het geschil

1. Ex-rentalkorting

4.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat een ex-rentalkorting moet worden verleend, ongeacht of de auto een huurverleden heeft. Onder verwijzing naar de uitspraken van het HvJ EU in de zaken Haahr Petroleum4 en X5, stelt belanghebbende dat moet worden aangesloten bij de laagst denkbare heffing, zijnde de BPM met toepassing van de ex-rentalkorting.

4.3.

De rechtbank heeft in zijn uitspraak het volgende overwogen:

“2.6. Belanghebbende heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat nog rekening

moet worden gehouden met een waardedruk in verband met ex-rental. Desgevraagd ter

zitting of de auto een ex-rental auto is, heeft belanghebbende gesteld dat de ex-rentalkorting

altijd moet worden toegepast los van het feit of daadwerkelijk sprake is van een ex-rental.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze stelling niet. Indien en voor zover een

waardedruk bij een ex-rental auto al gelegen zou zijn in de enkele omstandigheid dat sprake

is van een “huurverleden”, zijn auto’s zonder een dergelijk huurverleden in zoverre juist niet

vergelijkbaar. Voor zover waardedruk bij een ex-rental auto komt door schade die de

normale gebruiksschade te boven gaat, kan een andere auto daarmee vergelijkbaar zijn indien bij deze auto sprake is van een vergelijkbaar schade(verleden). Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is met betrekking tot de onderhavige auto. Voor een standaard “ex-rentalkorting” is geen aanleiding (vgl. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 4 oktober 2018

ECLI:NL:GHSHE:2018:4117). Het gelijk is aan de inspecteur.”

4.4.

Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en voegt daaraan toe dat de Hoge Raad in het arrest van 28 februari 20206 heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, niet meebrengt dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder huurverleden. Nu in hoger beroep evenmin is gesteld of gebleken dat de auto een huurverleden heeft, faalt het betoog van belanghebbende.

4.5.

Belanghebbende heeft verder betoogd dat het oordeel van de rechtbank strijdig is met het Unierecht, omdat de bewijslast dat géén sprake is van een ex-rental gelet op artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en het arrest Dos Santos7 rust op de inspecteur en niet op belanghebbende. Dit betoog faalt. Gelet op de systematiek van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), waarbij de catalogusprijs als heffingsgrondslag de hoofdregel is en een vermindering van de aldus berekende BPM als uitzondering, rust op belanghebbende de bewijslast om de waardevermindering die zij stelt aannemelijk te maken.

4.6.

Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de rechtbank onbevoegdelijk uitleg heeft gegeven aan de bepalingen van het Unierecht. De Hoge Raad heeft ten aanzien van specifiek de “ex-rentalproblematiek” reeds geoordeeld dat de uitleg die de Hoge Raad geeft verenigbaar is met artikel 110 VWEU en de rechtspraak van het HvJ EU.8 Dat belanghebbende een andere uitleg geeft aan de rechtspraak van het HvJ EU en daarmee de uitleg die de Hoge Raad (en in navolging de rechtbank en het hof) geeft onjuist acht, leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank onbevoegdelijk heeft gehandeld door uitspraak te doen alvorens het geschil voor te hebben gelegd aan het HvJ EU. Het hof is, anders dan belanghebbende meent, ook niet verplicht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU en ziet daar in de bijzonderheden van dit geschil ook geen aanleiding toe.

4.7.

Het hof beantwoordt vraag 1 ontkennend.

2. Schending hoorplicht in de bezwaarfase

4.8.

Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden. Belanghebbende stelt dat hij in de bezwaarfase een koerslijst heeft overgelegd om het verschil met een margeauto inzichtelijk te maken. Op basis van deze koerslijst zou over een margeauto een rest-BPM van € 1.493 in plaats van € 1.691 verschuldigd zijn. De inspecteur heeft de teruggaaf op basis van een eigen berekening vastgesteld op € 87 (5%). Gelet hierop is belanghebbende van mening dat hij gehoord had moeten worden, aangezien de inspecteur niet volledig aan het bezwaar is tegemoet gekomen. Daarnaast heeft de inspecteur het verzoek om een werkelijke kostenvergoeding voor de bezwaarfase afgewezen alvorens belanghebbende hierover te horen.

4.9.

Volgens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft belanghebbende ter zitting onder meer het volgende verklaard:

“De gemachtigde verklaart in antwoord op vragen van de rechtbank:

- Er staat zelfs in de uitspraak op bezwaar vermeld dat het verzoek om werkelijke kostenvergoeding wordt afgewezen. Er is dan niet tegemoet gekomen aan alle grieven.

- In principe vraag ik in zo’n geval om terugwijzing, maar in dit geval kunt u het gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb passeren. Deze belanghebbende wil graag de procedure beëindigen.”

4.10.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.4 het volgende opgenomen:

“2.4. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de hoorplicht in de bezwaarfase inderdaad is geschonden, maar dat aan deze schending voorbij kan worden gegaan op grond van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen heeft daarom partijen in hun eensluidende standpunt gevolgd.”

4.11.

Gelet op de ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke verklaring van belanghebbende ter zitting bij de rechtbank, waaraan het hof niet twijfelt dat deze is gedaan, heeft de rechtbank kunnen beslissen zoals zij heeft gedaan en heeft zij zelf kunnen voorzien in deze zaak.

4.12.

Vraag 2 behoeft geen verdere beantwoording.

3. Heffing griffierecht

4.13.

De rechtbank heeft in deze zaak een griffierecht van € 333 van belanghebbende geheven, het hof in deze zaak een griffierecht van € 519. Onder verwijzing naar het arrest Kantarev,9 heeft belanghebbende betoogd dat de hoogte van het griffierecht haar toegang tot de rechter bemoeilijkt. Zij acht het totaal geheven griffierecht onevenredig hoog, afgezet tegen het (materiële) belang.

4.14.

Het hof is van oordeel dat belanghebbendes beroep op het arrest Kantarev niet slaagt. Volgens dat arrest mag een nationale procesregeling de uitoefening van rechten van particulieren niet praktisch onmogelijk maken. Het feit dat de toegang tot de rechter afhankelijk is van de betaling van griffierecht brengt nog niet met zich mee dat per definitie sprake is van een onoverkomelijk obstakel om toegang tot de rechter te verkrijgen (vergelijk r.o. 135 van het arrest Kantarev). Naar het oordeel van het hof staat het de wetgever vrij om te kiezen voor een vast griffierecht, zonder rekening te houden met het (proces)belang. De hoogte van het (vaste) griffierecht dat wordt geheven (in BPM-zaken) acht het hof niet buitenproportioneel. Daarbij komt dat een belanghebbende in geval van betalingsonmacht vanwege zijn financiële situatie (gedeeltelijke) vrijstelling van het griffierecht kan worden verleend. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie, in aanmerking komt voor vermindering van het verschuldigde griffierecht.

4.15.

Voorts ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot een ruimere regeling voor betalingsonmacht. Het hof wijst ten overvloede op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019.10

4.16.

Vraag 3 dient ontkennend te worden beantwoord.

4. Rentevergoeding over de terugbetaalde BPM

4.17.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat recht bestaat op vergoeding van rente in verband met de vermindering van het op aangifte verschuldigde bedrag aan BPM. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 30ha AWR recht bestaat op belastingrente. De rechtbank heeft deze belastingrente ook vastgesteld in haar uitspraak. Het hof is van oordeel dat de rechtbank hiermee op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

4.18.

Voor zover belanghebbende stelt dat recht bestaat op een rentevergoeding op grond van de in artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW) opgenomen regeling inzake Irimie-rente11 over het belastingbedrag dat aanvankelijk teveel op aangifte is betaald, heeft het volgende te gelden. Aangezien op een dergelijk verzoek door de ontvanger van de Belastingdienst dient te worden beslist, kan deze stelling in deze zaak, waarin de inspecteur en niet de ontvanger in het geding is betrokken en waarin een uitspraak op bezwaar op een dergelijk verzoek ontbreekt, niet worden behandeld.12 Dat de wetgever voor het verkrijgen van vergoeding van Irimie-rente een andere procedure heeft ingevoerd dan voor vergoeding van heffingsrente, belastingrente of invorderingsrente is daarom - buiten redelijke twijfel - niet in strijd met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.13 Dat in eerdere (lagere) rechtspraak, waaronder de door belanghebbende genoemde uitspraak van het gerechtshof Den Haag,14 welke uitspraak door de Hoge Raad in genoemd arrest van 28 september 2018 overigens is gecasseerd, anders is geoordeeld, kan belanghebbende naar het oordeel van het hof niet baten.

4.19.

Naar het hof begrijpt stelt belanghebbende zich verder op het standpunt dat voor de vergoeding van de artikel 30ha-rente over het in verband met de vermindering van het op aangifte verschuldigde bedrag aan BPM moet worden aangesloten bij de marktrente, gelet op het arrest Eesti Pagar.15 Dit betoog faalt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 19 december 2014,16 heeft geoordeeld, voldoet de in artikel 30hb AWR neergelegde rentevoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Het door belanghebbende gedane beroep op het arrest Eesti Pagar leidt niet tot een ander oordeel. Dat arrest gaat over de verplichting om onrechtmatige staatssteun terug te vorderen, inclusief rente. De rente moet op een zodanig bedrag worden vastgesteld dat de steun volledig wordt teruggevorderd. Het HvJ EU heeft daarbij geoordeeld dat de rentevoet gelijk dient te zijn aan die welke zou zijn toegepast indien de betreffende partij het bedrag van die steun tijdens die periode op de markt had moeten lenen. Zou minder rente worden gevorderd, dan zou de ontvanger van de staatssteun toch een voordeel hebben gehad. Die situatie is niet te vergelijken met de onderhavige. In het onderhavige geval gaat het om de vraag of de in de nationale regeling neergelegde rentevoet betekent dat het de belastingplichtige onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om zijn rechten voortvloeiende uit het Unierecht te verzilveren (doeltreffendheidsbeginsel). Die vraag heeft de Hoge Raad - zoals hiervóór aangegeven - reeds ontkennend beantwoord. Het hof ziet in de jurisprudentie van het HvJ EU geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

4.20.

Belanghebbende heeft het hof ook in dit verband verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Het hof is van oordeel dat hiertoe geen aanleiding bestaat.

4.21.

Vraag 4 dient ontkennend te worden beantwoord.

5. Rentevergoeding over het terugbetaalde griffierecht

4.22.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over het bedrag van het door haar bij de rechtbank betaalde griffierecht van € 333, welk bedrag de inspecteur, naar de rechtbank heeft gelast, aan belanghebbende dient te vergoeden. De rechtbank heeft reeds beslist dat wettelijke rente moet worden vergoed indien betaling niet tijdig plaatsvindt. In zoverre faalt de klacht van belanghebbende.

4.23.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan de rechtbank, ziet het hof geen reden.17 Voorts ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht of rechtspraak van het HvJ EU noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding. Het hof verwijst naar hetgeen is overwogen onder 4.19.

4.24.

Er is derhalve geen grond voor enige andere of verdergaande rentevergoeding dan de rentevergoeding vermeld onder 4.22. Vraag 5 dient ontkennend te worden beantwoord.

6. Beslissing over (im)materiële schadevergoeding door andere rechters

4.25.

Belanghebbende heeft gesteld dat de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen. Volgens belanghebbende volgt dit uit het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) gegarandeerde recht op een behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

4.26.

Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat uit de arresten van het HvJ EU Gascogne,18 Guardian,19 en Kendrion NV,20 lijkt te volgen dat het oordeel over de vraag of recht bestaat op schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn genomen dient te worden door andere rechters dan de rechters die over de hoofdzaak oordelen en die verantwoordelijk zijn voor het overschrijden van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 2019,21 het door belanghebbende verdedigde standpunt echter verworpen. Het hof acht aannemelijk dat de Hoge Raad dit oordeel heeft gebaseerd op het feit dat in de nationale jurisprudentie een systeem is ontstaan waarbij, op grond van objectieve criteria, vastgesteld kan worden of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke gevolgen hieraan verbonden dienen te worden. Het hof wijst hierbij op de omstandigheid dat binnen de jurisprudentie vaste uitgangspunten worden gehanteerd voor de (per afzonderlijke fase) als redelijk te achten behandelingstermijn, met dien verstande dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden, welke nader geconcretiseerd dienen te worden, van deze uitgangspunten afgeweken kan worden. Het hof acht aannemelijk dat de Hoge Raad voornoemd systeem dermate geobjectiveerd en met voldoende waarborgen omkleed acht dat de rechten van een belanghebbende voldoende gewaarborgd worden indien de toetsing aan het hierboven omschreven kader wordt overgelaten aan de rechter die over het hoofdgeding beslist. Gelet hierop acht het hof de situatie waarin de rechters die oordelen over de hoofdzaak eveneens oordelen over de overschrijding van de redelijke termijn, niet in strijd met het in artikel 47, tweede alinea, Handvest neergelegde recht op behandeling door een onafhankelijke rechter.

4.27.

Vraag 6 dient ontkennend te worden beantwoord.

7. Vergoeding werkelijke proceskosten beroepsfase

4.28.

De rechtbank heeft de vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De stelling van belanghebbende dat de rechtbank de proceskostenvergoeding ten onrechte met toepassing van een wegingsfactor 0,5 (licht) heeft toegekend faalt, aangezien uit rechtsoverweging 2.15 van de rechtbankuitspraak blijkt dat de rechtbank de proceskostenvergoeding heeft vastgesteld met een wegingsfactor 1. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat zij het oneens is met toepassing van een wegingsfactor 1, faalt dit betoog eveneens. Het hof acht het hanteren van een wegingsfactor 1, mede gelet op de uitspraak van het hof van 15 november 2018,22 terecht. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden die een hogere wegingsfactor rechtvaardigen.

4.29.

Belanghebbende heeft verder betoogt dat het (wettelijk) systeem waarbij de (proces)kostenvergoeding in bezwaar en beroep forfaitair wordt vastgesteld een beperking vormt op het in artikel 47, derde alinea, Handvest gegarandeerde recht op advisering, verdediging en vertegenwoordiging. De inspecteur dient te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten, aldus belanghebbende.

4.30.

Het hof is van oordeel dat, anders dan belanghebbende stelt, artikel 47, derde alinea, Handvest de nationale rechter niet dwingt om de werkelijke proceskosten te vergoeden. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, duidt er naar het oordeel van het hof ook niet op dat het Unierecht, meer specifiek het evenredigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, dwingt tot het vergoeden van de werkelijke proceskosten of tot het hanteren van een hogere wegingsfactor.

4.31.

Ook in de stelling van belanghebbende dat de inspecteur wist, dan wel behoorde te weten, dat een tegen de heffing ingestelde procedure onmogelijk stand kon houden, omdat de heffing strijdig is met de bepalingen van het Unierecht, leidt naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een hogere kostenvergoeding dan volgt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht gerechtvaardigd is. Overigens vat het hof de in het hoger beroepschrift opgenomen verwijzingen naar geleden materiële schade, bij gebrek aan een specificatie van die kosten, op als een verzoek om vergoeding van werkelijke kosten waarvoor eveneens geldt dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een hogere kostenvergoeding dan de forfaitaire vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan worden toegekend.

4.32.

Vraag 7 dient ontkennend te worden beantwoord.

8. Vergoeding werkelijke kosten bezwaarfase

4.33.

Belanghebbende heeft de inspecteur in haar bezwaarschrift verzocht om de werkelijke proceskosten te vergoeden die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De inspecteur heeft dit verzoek bij uitspraak op bezwaar afgewezen en een forfaitaire kostenvergoeding van € 246 toegekend. Belanghebbende stelt dat de inspecteur wist of behoorde te weten dat de onderhavige BPM kennelijk in strijd met het Unierecht is geheven, hetgeen volgens belanghebbende noopte tot toekenning van een vergoeding van de werkelijke kosten die belanghebbende in bezwaar heeft gemaakt.

4.34.

De inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende betwist. Volgens hem is geen sprake van bijzondere omstandigheden die de vergoeding van werkelijke proceskosten rechtvaardigen.

4.35.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 201423 brengt het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met het Unierecht, wat daar ook van zij, niet met zich dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een hogere kostenvergoeding dan die volgt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht rechtvaardigen. Belanghebbende heeft geen bijkomende omstandigheden gesteld op basis waarvan anders moet worden geconcludeerd.

4.36.

Het is hof is van oordeel dat er geen aanleiding is om een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding die de inspecteur op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft toegekend.

4.37.

Vraag 8 dient ontkennend te worden beantwoord.

Overig

4.38.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft gesteld kan niet leiden tot een gegrond hoger beroep.

Tussenconclusie

4.39.

De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.40.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.41.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:892.

2 ECLI:NL:HR:2017:45.

3 ECLI:NLGHSHE:2020:892.

4 HvJ EU 17 juli 1997, ECLI:EU:C:1997:368.

5 HvJ EU 19 december 2013, ECLI: EU:C:2013:857.

6 ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.1 tot en met 2.3.6.

7 HvJ EU 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:275.

8 Zie het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.1 tot en met 2.3.6.

9 HvJ EU 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807.

10 ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3 en 3.1.4.

11 Vgl. HvJ EU Mariana Irimie, 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250.

12 Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341.

13 Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790.

14 24 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1386.

15 HvJ EU 5 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:172.

16 ECLI:NL:HR:2014:3606.

17 Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, en Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8049.

18 HvJ EU 26 november 2013, ECLI:EU:C:2013:770.

19 HvJ EU 12 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2363.

20 HvJ EU 26 november 2013, ECLI:EU:C:2013:771.

21 ECLI:NL:HR:2019:623.

22 ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, r.o. 4.6.4.2.

23 ECLI:NL:HR:2014:3603.