Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1843

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
19/00030
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6628, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking hoger beroep door de inspecteur. Verzoek proceskostenvergoeding ex. artikel 8:118, lid 1, Awb toegewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:118
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-06-2020
V-N Vandaag 2020/1680
FutD 2020-1936
V-N 2020/44.18.13
NTFR 2020/2093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 19/00030

Uitspraak op het verzoek van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tot veroordeling van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 november 2018, zaaknummer BRE 17/4818.

1 Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 22 februari 2019, binnengekomen bij het hof op 8 april 2019, heeft de inspecteur het hoger beroep ingetrokken.

Belanghebbende heeft bij brief van 9 april 2019 een verzoek gedaan om proceskostenvergoeding voor het indienen van een verweerschrift op 26 maart 2019.

Belanghebbende heeft er schriftelijk mee ingestemd dat het hof zonder mondelinge behandeling uitspraak doet.

De inspecteur heeft niet binnen de door het hof gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord. Gelet hierop is het hof ervan uitgegaan dat de inspecteur geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om ter zitting te worden gehoord.

Het hof heeft het onderzoek op 10 juni 2020 gesloten.

2 Feiten

2.1.

De inspecteur heeft op 9 januari 2019 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

2.2.

De griffier van het hof heeft een afschrift van het hoger beroepschrift van de inspecteur op 12 februari 2019 naar belanghebbende doorgezonden.

2.3.

Op 26 maart 2019 heeft belanghebbende een verweerschrift ingediend. Een afschrift van dit verweerschrift is op 27 maart 2019 naar de inspecteur gestuurd.

2.4.

Op 3 april 2019 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met een medewerker van het hof. Tijdens dat gesprek heeft de inspecteur aangegeven dat hij het hoger beroep bij brief van 22 februari 2019 heeft ingetrokken. De medewerker van het hof constateert vervolgens dat de genoemde brief ontbreekt in het dossier van de onderhavige zaak en verzoekt de inspecteur alsnog een kopie van de brief naar het hof te sturen.

2.5.

Op 8 april 2019 heeft het hof van de inspecteur een kopie van de brief van 22 februari 2019 ontvangen. Het hof heeft op dezelfde dag een brief naar belanghebbende gestuurd met de mededeling dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank door de inspecteur is ingetrokken.

2.6.

Belanghebbende heeft in zijn brief van 9 april 2019 verzocht om een proceskostenvergoeding voor het indienen van het verweerschrift van 26 maart 2019.

2.7.

De griffier heeft bij brief van 18 april 2019 een afschrift van het verzoekschrift aan de inspecteur gezonden met het verzoek een verweerschrift in te dienen. De inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

3 Standpunten van partijen

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in dit geval plaats is voor een vergoeding van proceskosten.

4 Gronden

4.1.

Op grond van artikel 8:118, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan het bestuursorgaan, in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten worden veroordeeld.

4.2.

In artikel 8:118, lid 3, Awb is bepaald dat, indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, het verzoek schriftelijk wordt gedaan en dat in dat geval de artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 Awb van overeenkomstige toepassing zijn.

4.3.

Artikel 6:7 Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Overeenkomstige toepassing van dit artikel houdt in dat een verzoek tot veroordeling in de proceskosten binnen zes weken na intrekking moet worden ingediend. Deze termijn vangt met overeenkomstige toepassing van artikel 6:8, lid 1, Awb aan met ingang van de dag na die waarop de intrekking bekend is gemaakt.

4.4.

Aangezien de griffier van het hof belanghebbende bij brief van 8 april 2019 op de hoogte heeft gesteld van de intrekking van het hoger beroep, is hij toen pas bekend geworden met de intrekking van het hoger beroep. Op dat moment had belanghebbende al een verweerschrift ingediend. Het verzoek van belanghebbende om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten is op 9 april 2019 door het hof ontvangen. Dat is dus binnen de termijn van artikel 6:7 Awb.

4.5.

Het hof stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punt)1 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 525 voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof.

5 Beslissing

Het hof:

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 525.

Aldus gedaan op 19 juni 2020 door J.M. van der Vegt , in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is alleen door de griffier ondertekend aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303

2500 EH Den Haag

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 1 punt voor het verweerschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht