Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1799

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
200.257.743_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3327
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1813
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:2639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht; uitleg van de afspraken tussen voormalige echtgenoten over pensioenrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0114
PJ 2020/110
JPF 2020/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.257.743/01

arrest van 16 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. M.A.P.J. van den Biggelaar te Waalre,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. P.A.G. Verstappen te Helmond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 december 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummers C/01/306154/HA ZA 16-223 en C/01/335085/HA ZA 18-391 gewezen vonnissen van 8 juni 2016, 15 maart 2017 en 16 januari 2019.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 december 2019 waarbij het hof heeft bepaald dat partijen gelegenheid wordt geboden voor pleidooi;

  • -

    het op 11 maart 2020 gehouden pleidooi, waarbij de advocaat van de man een pleitnota heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde en de in het tussenarrest genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

Deze zaak betreft de uitleg van de afspraken tussen partijen (voormalige echtgenoten) over pensioenrechten, zoals vastgelegd in:

- een handgeschreven verklaring d.d. 28 augustus 1995;

- een ongedateerd echtscheidingsconvenant;

- een notariële akte d.d. 21 december 1995.

Aan de orde is de vraag of de vrouw op grond van het bepaalde in deze akten afstand heeft gedaan van haar recht op verevening van pensioenrechten.

6.2.

De rechtbank heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten.

6.2.1.

Partijen zijn op 11 april 1975 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

6.2.2.

De vrouw heeft op 2 november 1994 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Daarop is bij beschikking van 2 juni 1995 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 augustus 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

6.2.3.

Partijen hebben op 28 augustus 1995 een door de man geschreven brief aan hun toenmalige advocaten ondertekend waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Pensioenrechten:

Besloten wordt dat op het moment dat pensioen ontvangen gaat worden dit onderwerp opnieuw besproken gaat worden.

Tot die tijd zullen geen stappen ondernomen worden betreffende deze.”,

hierna ook te noemen: de overeenkomst van 28 augustus 1995.

6.2.4.

Het “vervolgens” (dus op enig moment na 28 augustus 1995) door partijen ondertekende (ongedateerde) echtscheidingsconvenant bevat onder meer de volgende bepaling:

“o. Uitdrukkelijk sluiten partijen de toepasselijkheid uit van de Wet Verevening Pensioenrechten bij echtscheiding, echter komen partijen overeen dat op het moment dat het pensioen ontvangen gaat worden hieromtrent nader overleg zal plaatsvinden. Tot die tijd zullen partijen geen stappen ondernemen betreffende de verkrijging van pensioenrechten.”

6.2.5.

Medio september 1995 heeft de vrouw de voormalige echtelijke woning verlaten.

6.2.6.

Op 21 december 1995 is de notariële akte van verdeling tussen partijen gepasseerd, waarin onder meer de volgende bepaling is opgenomen:

“XI. PENSIOENVERREKENING/-VEREVENING.

Partijen sluiten uitdrukkelijk uit de toepasselijkheid van de Wet Verevening Pensioenrechten bij echtscheiding, echter partijen komen overeen dat op het moment dat het pensioen ontvangen gaat worden hieromtrent nader overleg zal plaatsvinden. Tot die tijd zullen partijen geen stappen ondernemen betreffende de verkrijging van pensioenrechten.”

6.2.7.

Partijen hebben nadien geen overleg met elkaar gehad over pensioenaanspraken.

6.2.8.

Bij brief van 16 april 2015 heeft de advocaat van de vrouw onder meer het volgende aan de man bericht:

“Cliënte is van opvatting dat u met elkaar bent overeengekomen dat er weliswaar ten tijden van de echtscheiding geen uitvoering is gegeven aan de Wet Verevening Pensioenrechten bij Echtscheiding, in die zin dat de aanspraken van cliënte op dat moment reeds zouden worden geadministreerd bij het pensioenfonds, doch dat u het wel met elkaar eens was dat cliënte aanspraak zou kunnen maken op, ik noem dat dan nu maar ‘een verdeling’, van de door u (tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioenrechten). De overeengekomen gebruikte bewoordingen kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat u op het moment dat u voor uw pensioen in aanmerking komt een regeling met elkaar zult treffen.

Cliënte heeft mij medegedeeld dat u omstreeks oktober 2015 in aanmerking zal komen voor ouderdomspensioen. Cliënte is van opvatting dat zij aanspraak kan maken op de helft van de door u tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen en tevens op het voorwaardelijk nabestaandenpensioen.

Nu u er destijds voor hebt gekozen om de wet verevening pensioenrechten niet toe te passen en er dus niet geadministreerd is waarop cliënte precies recht heeft, wil ik namens cliënte voorstellen dat u aan uw pensioenfonds zult verzoeken een berekening te vervaardigen die uitgaat van de helft van de door u opgebouwde aanspraken over de periode van 11 april 1975 tot 15 augustus 1995.

Ik u willen vragen mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief te bevestigen dat u bereid bent mee te werken aan de hiervoor namens cliënte verzochte verdeling van de pensioenrechten.”

6.2.9.

Bij brief van 30 mei 2015 heeft de advocaat van de man bericht dat de man niet zal meewerken aan een regeling, omdat hij van mening is dat hij zich kan beroepen op uitsluiting van de verevening van pensioenrechten.

6.3.1.

De vrouw heeft de man gedagvaard. Zij vordert (na wijziging en vermeerdering van eis), voor zover thans van belang:

a. a) de man te veroordelen aan haar te betalen:

- een bedrag van € 14.623,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank;

- met ingang van 1 september 2018 een bedrag van € 432,10 bruto per maand;

- een bedrag van € 16.181,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank;

- met ingang van 1 september 2018 een bedrag van € 462,32 per maand;

b) te bepalen dat de man gehouden is om iedere toekomstige indexering die van toepassing is op de pensioenaanspraken bij Nationale Nederlanden en PME één op één door te berekenen in de aan de vrouw toekomende maandelijkse bedragen;

c) te bepalen dat de kosten van de deskundige tot dusver gemaakt, zijnde een bedrag van € 4.368,10, door de man worden gedragen, subsidiair dat elk van partijen de helft van de kosten dient te dragen en aldus de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 4.368,10, subsidiair een bedrag van € 2.184,05.

6.3.2.

Aan deze vordering heeft de vrouw, samengevat, ten grondslag gelegd:

- primair de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps);

- subsidiair de overeenkomst van 28 augustus 1995.

Volgens de vrouw hebben partijen destijds bedoeld om niet onmiddellijk uitvoering te geven aan de Wvps. De aanspraken van de vrouw zouden niet reeds op dat moment worden geadministreerd bij het pensioenfonds. Het is zeker niet de bedoeling geweest haar de helft van de door de man opgebouwde pensioenrechten te ontzeggen. Op grond van de Wvps maakt de vrouw aanspraak op de helft van de door de man tijdens huwelijk opgebouwde pensioenrechten, subsidiair op een behoorlijke financiële tegemoetkoming van de zijde van de man ter zake van de door hem opgebouwde pensioenrechten.

6.3.3.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.3.4.

In het tussenvonnis van 8 juni 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Het hoger beroep van de man betreft ook dit vonnis. Aangezien dit evenwel een tussenvonnis betreft louter gericht op de instructie van de zaak en geen eindoordeel bevat, is de man in zoverre niet-ontvankelijk in dit hoger beroep.

6.3.5.

In het tussenvonnis van 15 maart 2017 heeft de rechtbank, samengevat, overwogen voornemens te zijn te bepalen dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening als bedoeld in de Wvps en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit voorlopig oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft in het lichaam van haar vonnis “het beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid” afgewezen (rov. 4.5).

6.3.6.

Bij vonnis van 16 januari 2019 heeft de rechtbank beslist overeenkomstig haar voornemen (dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening). De rechtbank heeft in het dictum de hiervoor in rov. 6.3.1 onder a) en b) genoemde vorderingen en de onder c) genoemde subsidiaire vordering toegewezen (met dien verstande dat de rechtbank in plaats van het onder a) gevorderde bedrag van € 16.181,18, een bedrag van drie cent minder, namelijk € 16.181,15 heeft toegewezen).

Verder heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor uitlating aan de zijde van de vrouw (over, kort weergegeven, de benoeming van een deskundige naar mogelijke verdere pensioenaanspraken van de vrouw) en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden.

6.4.

De man is tijdig, namelijk op 8 april 2019, in hoger beroep gekomen. De man heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot:

  • -

    het alsnog volledig afwijzen van de vorderingen van de vrouw;

  • -

    veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van al hetgeen de man ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betalingen tot de dag van terugbetaling;

  • -

    veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties, waaronder begrepen de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.5.

De man heeft hiertoe veertien grieven aangevoerd. Deze grieven betreffen:

- de uitleg van de overeenkomst van 28 augustus 1995 en de bepaling ter zake van de verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten in het echtscheidingsconvenant respectievelijk de notariële akte van verdeling (grieven 1 t/m 11);

- de uitvoerbaar bij voorraadverklaring (grief 12);

- de kosten van de deskundige (grief 13).

Grief 14 behoeft als zogenoemde veeggrief geen afzonderlijke bespreking.

6.6.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft gevorderd de grieven van de man ongegrond te verklaren, zijn vorderingen in hoger beroep af te wijzen en het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.

6.7.

Het hof zal de grieven 1 t/m 11 gezamenlijk bespreken. Het hof merkt voor de volledigheid nog op dat de rechtbank bij eindvonnis van 24 april 2019 heeft vastgesteld dat de vrouw afziet van nader deskundigenonderzoek en vervolgens het meer of anders gevorderde heeft afgewezen en de proceskosten heeft gecompenseerd. Het onderhavige hoger beroep betreft niet dit eindvonnis.

De uitleg van de overeenkomst van 28 augustus 1995, het echtscheidingsconvenant en de notariële akte

6.8.1.

De man betoogt met zijn grieven dat de vrouw geen aanspraak kan maken op pensioenverevening conform de Wvps omdat partijen de toepasselijkheid van de Wvps hebben uitgesloten als bedoeld in art. 2 lid 1 Wvps. Hij voert daartoe het volgende aan.

Partijen hebben buiten hun advocaten om afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de pensioenrechten. Daarbij is de man de vrouw veel tegemoet gekomen, maar niet op het punt van de pensioenrechten: de vrouw moest van hem afzien van de door hem opgebouwde pensioenaanspraken. In het geval de relatie tussen partijen hersteld zou worden (een mogelijkheid die de vrouw hem voorhield), zouden partijen daarover opnieuw overleggen. Partijen hebben de afspraak verwoord in de brief aan hun advocaten d.d. 28 augustus 1995 (de overeenkomst van 28 augustus 1995). Het nadien getekende echtscheidingsconvenant en de notariële akte van verdeling van 21 december 1995 (bij de totstandkoming waarvan partijen zich hebben laten bijstaan door hun advocaten) zijn er duidelijk over dat partijen de verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten op grond van de Wvps hebben uitgesloten. Het echtscheidingsconvenant en de akte van verdeling leveren dwingend bewijs op van de waarheid van de betreffende afspraak.

Er zijn diverse momenten geweest waarop de vrouw bezwaar had kunnen maken tegen de gang van zaken (bijvoorbeeld omdat zij zich onder druk gezet voelde). Dit heeft zij echter niet gedaan. De man mocht er dan ook van uitgaan dat de Wvps werd uitgesloten en dat de vrouw daadwerkelijk van verevening op grond van Wvps heeft willen afzien.

De zinsnede dat partijen op het moment dat het pensioen ontvangen gaat worden (hieromtrent) nader overleg zullen hebben, ziet enkel op de situatie dat de relatie tussen partijen zou zijn hersteld (zonder huwelijk). Weliswaar had de vrouw volgens de therapeut het huwelijk al definitief afgesloten, maar ook nadat relatietherapie was geëindigd, bleef de vrouw signalen afgeven dat een herstel van de relatie wellicht mogelijk was. In dat licht dient het woord “hieromtrent” in genoemde zinsnede te worden gelezen; het is niet een verwijzing naar de verevening van de pensioenrechten.

De rechtbank is volledig voorbijgegaan aan de letterlijke tekst van het echtscheidingsconvenant en de notariële akte. In die gevallen dat partijen op de tekst van het echtscheidingsconvenant haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beide interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is, mag de rechter voorshands uitgaan van de betekenis die op grond van de letterlijke tekst van het convenant het meest voor de hand ligt. Tegenbewijs door de andere partij is mogelijk, mits deze daartoe voldoende heeft gesteld (Hoge Raad, 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303).

In casu is de letterlijke tekst helder: de Wvps is uitgesloten. De vrouw heeft op geen enkele manier tegenbewijs geleverd voor een andere lezing.

De rechtbank kent wel dwingend bewijs toe aan de tweede zinsnede, maar gaat voorbij aan de dwingende bepaling dat partijen de toepasselijkheid van de Wet verevening Pensioenrechten bij echtscheiding uitdrukkelijk uitsluiten.

De rechtbank haalt omstandigheden aan die zijdens partijen überhaupt niet zijn aangevoerd. Dat de overeenkomst van 28 augustus 1995 is opgesteld door de man is geen relevante omstandigheid en wordt bovendien ingehaald door het feit dat vervolgens met behulp van de advocaten van partijen een echtscheidingsconvenant is opgesteld, waarin de werking van de Wvps is uitgesloten. De inwerkingtreding van de Wvps per 1 mei 1995 heeft er (juist) toe geleid dat partijen goed over die wet geïnformeerd waren.

De redelijkheid en billijkheid staan aan toewijzing van de vorderingen van de vrouw in de weg. De vrouw is onaangekondigd uit de voormalige echtelijke woning vertrokken en heeft daarbij alle spullen van waarde meegenomen en de bankrekening leeggehaald. Voorts heeft zij ruim zeven jaar ten onrechte alimentatie genoten, omdat zij – informeel – samenwoonde met haar partner. De man heeft zelf juridische maatregelen moeten treffen om daaraan een einde te maken. In het licht van deze geschiedenis kan van de man niet gevergd worden om nog iets aan de vrouw te betalen. Ook na het wijzen van het tussenvonnis van 16 januari 2019 heeft de vrouw zich verre van correct naar de man toe gedragen (er is op buitensporige wijze beslag gelegd, waarmee onnodig kosten zijn gemaakt).

6.8.2.

De vrouw voert daartegen, samengevat, het volgende aan.

Met de overeenkomst van 28 augustus 1995 heeft zij niet uitdrukkelijk en zonder meer afgezien van de door de man opgebouwde pensioenrechten. Reden om daar bezwaar tegen te maken, was er dus niet.

Met de zinsnede dat partijen op het moment dat het pensioen ontvangen gaat worden (hieromtrent) nader overleg zullen hebben, kunnen partijen hoogstens hebben bedoeld om de vrouw niet onmiddellijk een directe aanspraak op het pensioenfonds te geven, maar niet om de vrouw haar helft van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken te ontzeggen.

Uit niets blijkt dat het de bedoeling van partijen was dat alleen als zij bij de man zou terugkeren opnieuw met elkaar over de pensioenrechten zou worden overlegd.

Het echtscheidingsconvenant is niet mede door haar advocaat opgesteld, althans zij heeft na 1 september 1995 niets meer van haar advocaat vernomen. Dat het echtscheidingsconvenant door de advocaat van de man is opgesteld, blijkt ook uit het gebruikte lettertype. De vrouw kan zich niet herinneren dat zij het echtscheidingsconvenant heeft ondertekend. Wel herinnert zij zich dat de man destijds bij de notaris ongeveer aan het slot van de bespreking aan haar heeft gevraagd: “dit moet je ook nog even ondertekenen” en dat zij dat ook heeft gedaan. Het ligt zeer voor de hand dat zij toen het echtscheidingsconvenant heeft ondertekend.

Niet in te zien is waarom de redelijkheid en billijkheid haar aanspraak op het pensioen van de man in de weg staan. De vrouw betwist dat de man te hoge en ten onrechte alimentatie aan haar heeft betaald (en dat dit van invloed zou zijn op hoe de afspraken dienen te worden uitgelegd).

6.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Art. 2 lid 1 van de Wvps luidt als volgt.

In geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.

In geschil is de uitleg van de overeenkomst van 28 augustus 1995, het echtscheidingsconvenant en de notariële akte. Volgens de man hebben partijen daarmee de toepasselijkheid van de Wvps uitgesloten als bedoeld in art. 2 lid 1 Wvps, met als gevolg dat de vrouw geen recht heeft op pensioenverevening. De vrouw heeft dit weersproken. Volgens haar houden de genoemde akten alleen in dat partijen niet onmiddellijk uitvoering zouden geven aan de Wvps, met name zouden de aanspraken van de vrouw niet reeds op dat moment worden geadministreerd bij het pensioenfonds.

Op de man rust de stelplicht van de bedoelde uitsluiting. De man heeft zich (onder meer) beroepen op de dwingende bewijskracht van het echtscheidingsconvenant en de akte van verdeling. Het echtscheidingsconvenant is een ondertekend geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen (art. 156 lid 1 Rv). Het echtscheidingsconvenant is een onderhandse akte (art. 156 lid 3 Rv), de akte van verdeling is een authentieke akte (art. 156 lid 2 Rv). Een authentieke of onderhandse akte levert ingevolge art. 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op – behoudens tegenbewijs – dat partijen hebben verklaard wat in die akte is vastgelegd en dat hetgeen is verklaard tussen partijen als waarheid geldt.

Voor de dwingende bewijskracht van de akten komt het aan op (uitleg van) alleen die akten zelf (zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263, rov. 3.4.2). (Uitleg van) Hetgeen partijen hebben verklaard is, gelet op het woord “echter”, evenwel dubbelzinnig, waardoor daaraan niet met dwingende bewijskracht de conclusie kan worden verbonden dat (wel of geen) sprake is van uitsluiting van de toepasselijkheid van de Wvps.

Omdat de bepalingen in het echtscheidingsconvenant en de akte van verdeling op zichzelf beschouwd aldus niet duidelijk zijn, dient het hof die bepalingen samen met de overeenkomst van 28 augustus 1995 (dat die terzijde zou zijn gesteld door het echtscheidingsconvenant en de notariële akte heeft de man niet betoogd) aan de hand van de Haviltex-maatstaf uit te leggen (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158):

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

De man heeft zich in dit verband beroepen op de beschikking van de Hoge Raad van 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303. Maar daarin staat geenszins wat de man daarin leest, niet op het punt van het voorshands uitgaan van de letterlijke tekst, noch op het punt van tegenbewijs. In die beschikking staat juist het volgende:

“De uitleg van de overeenkomst (…) dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Deze maatstaf brengt mee dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx)).
Anders dan het hof heeft overwogen, is de Haviltexmaatstaf ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is.
Het hof had dan ook mede in het licht van de door partijen aangevoerde omstandigheden moeten vaststellen welke betekenis aan de desbetreffende passage in de overeenkomst toekomt.”

In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in de vaststellingsovereenkomst is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315).

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

Terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en na zelfstandige beoordeling tot de zijne maakt, heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw aanspraak kan maken op pensioenverevening. In aanvulling hierop overweegt het hof nog als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende aanknopingspunten gesteld die tot het aanvaarden van de door hem bepleite uitleg van het convenant, de notariële akte en de overeenkomst van 28 augustus 1995 kunnen leiden.

Partijen zijn zelf, in onderling overleg, zonder betrokkenheid van buitenstaanders, in het bijzonder advocaten, in de overeenkomst van 28 augustus 1995 overeengekomen dat het pensioen besproken zal worden op het moment dat pensioen ontvangen gaat worden. Het gevolg daarvan is dat de vrouw overeenkomstig de hoofdregel van art. 2 Wvps recht heeft op pensioenverevening. In die overeenkomst zijn geen althans onvoldoende concrete aanknopingspunten door de man gesteld die duiden op het prijsgeven door de vrouw van haar pensioenaanspraken. Op grond van de tekst van de overeenkomst kan evenmin uitgesloten worden dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw haar aanspraken behoudt, ofschoon op een ver moment in de toekomst, namelijk als partijen pensioen zullen ontvangen (of wellicht de eerste die pensioengerechtigd is, de man) het pensioen opnieuw besproken gaat worden. De man heeft nagelaten met voldoende concrete feiten en omstandigheden toe te lichten hoe het dan kan komen tot een afspraak met een daar recht tegenoverstaande uitkomst, te weten dat de vrouw géén recht heeft op pensioenverevening. De enkele door de man gestelde betrokkenheid van advocaten bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant en de notariële akte is onvoldoende om te verklaren dat de vrouw het grote financiële nadeel dat afstand van pensioenverevening voor haar meebracht, zou aanvaarden.

In de tekst van het echtscheidingsconvenant en de akte van verdeling staat weliswaar dat “de toepasselijkheid van de Wvps wordt uitgesloten”, maar een verwijzing naar art. 1 lid 2 Wvps ontbreekt. Dat daaraan het gevolg is verbonden dat de vrouw haar recht op pensioenverevening prijs geeft, staat er niet en dit is zonder nadere toelichting ook niet uit de tekst af te leiden. De man heeft nagelaten met concrete feiten aan te geven dat partijen, en in het bijzonder de vrouw, zich ervan bewust waren (was) dat met die tekst rechten op pensioenverevening zouden worden prijsgegeven. Ook is de uitsluiting van de Wvps een geclausuleerde en geen ondubbelzinnige uitsluiting. Daaraan is namelijk toegevoegd de bepaling, die begint met “echter” (dit woord dient ter aanduiding van een beperkende tegenstelling (Van Dale) en dient “om te verhinderen, dat men uit den vorigen zin eene verkeerde gevolgtrekking zou maken” (Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen 1908), dat op het moment dat het pensioen ontvangen gaat worden hieromtrent nader overleg zal plaatsvinden. De stelling van de man dat die toevoeging slechts in de stukken is opgenomen voor het geval de relatie tussen partijen hersteld mocht worden (en het woord “hieromtrent” in dat licht moet worden gelezen), roept de vraag op welk belang de vrouw in dat geval (van verzoening waarbij zij samen verder zouden gaan) nog bij een verdeling van het pensioen zou hebben (welke vraag de man nalaat te beantwoorden) terwijl de vrouw die stelling ook gemotiveerd heeft betwist en de man van díe stelling geen bewijs heeft aangeboden.

Voorts volgt na deze bepaling (de echter-zin) nog de zin dat tot het moment dat het pensioen ontvangen gaat worden “partijen geen stappen ondernemen betreffende de verkrijging van pensioenrechten.” Die zin sluit aan bij de overeenkomst van 28 augustus 1995 en kan er ook op duiden dat het recht op pensioenverevening niet wordt prijsgegeven. Op grond van de Wvps hééft de vrouw al recht op pensioenverevening; daar hoeven geen stappen voor ondernomen te worden.

Zou de vrouw haar aanspraak op pensioenverevening wél hebben prijsgegeven, zoals de man betoogt, dan valt niet in te zien welke stappen de vrouw zou kunnen ondernemen om alsnog pensioenrechten te verkrijgen, zodat die lezing niet kan worden aanvaard. Niet uitgesloten kan worden immers dat partijen, zoals de vrouw betoogt, met “uitsluiting van de toepasselijkheid van de WVPS” het oog hebben gehad op het prijsgeven door de vrouw van een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan (art. 2 lid 2 Wvps).

Het betoog van de man dat, bij wijze van compensatie voor het afzien van pensioenverevening, een te hoge alimentatie is vastgesteld en de vrouw is overbedeeld, heeft de vrouw voldoende gemotiveerd betwist, zodat van die beweerde compensatie zonder voldoende concrete onderbouwing niet mag worden uitgegaan. De vraag waarom de vrouw zonder die compensatie zou hebben ingestemd met het opgeven van haar aanspraak op pensioenverevening en dus een groot financieel nadeel op zich zou nemen ten gunste van de man die daarbij een groot financieel voordeel zou toevallen, heeft de man niet (genoegzaam) kunnen beantwoorden. Gelet op het voorgaande mochten partijen over en weer, in het bijzonder de man, uit de afspraken daarom redelijkerwijs niet afleiden dat sprake was van uitsluiting van de pensioenverevening in de zin van de WVPS.

De man heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen betreffende “de totstandkoming van de afspraken” (mvg, pt. 85). Bij dit bewijsaanbod heeft de man geen belang. Dat de afspraken tot stand zijn gekomen staat namelijk vast. Voor zover de man hiermee nog iets anders te bewijzen heeft aangeboden, heeft hij onvoldoende duidelijk gemaakt op welke van zijn stellingen het aanbod betrekking heeft en van welke beweerde feiten hij bewijs aanbiedt. Waar de man ten slotte aanbiedt “zijn stellingen nader te bewijzen” is het bewijsaanbod.

niet voldoende specifiek, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid (naar het hof begrijpt van art. 6:2 BW: “Een tussen [schuldeiser en schuldenaar] krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”), wijst het hof af. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij ruim zeven jaar ten onrechte alimentatie heeft genoten, zodat dat feit niet is komen vast te staan. De feiten waarop de man zich voorts heeft beroepen, ook als deze zouden vaststaan, zijn van onvoldoende gewicht om art. 1 lid 2 Wvps (over het recht op pensioenverevening) niet van toepassing te achten omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (cursivering hof) zou zijn.

De grieven van de man falen derhalve.

De uitvoerbaar bij voorraadverklaring (grief 12)

6.9.

De rechtbank heeft het verzoek van de man om de veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afgewezen. Hiertegen keert zich grief 12. De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het belang van de vrouw tot het ontvangen van de bijdragen dient te prevaleren boven een restitutierisico van de man. De man heeft nagelaten zijn grief nader te onderbouwen. Grief 12 faalt daarom.

De kosten van de deskundige (grief 13).

6.10.1.

De rechtbank heeft in het vonnis van 16 januari 2019 overwogen:

- dat de kosten van de door de vrouw ingeschakelde deskundige gelijkelijk over partijen verdeeld zullen worden en voorts

- geen reden te zien om een deel van de kosten van de door de man ingeschakelde deskundige voor rekening van de vrouw te brengen.

Hiertegen keert zich grief 13 van de man.

6.10.2.

Ter toelichting voert de man het volgende aan. Het is onjuist en onredelijk dat de rechtbank heeft bepaald dat hij de helft van de kosten van de door de vrouw ingeschakelde deskundige dient te dragen, terwijl de vrouw niet hoeft bij te dragen in de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige. De man stelt primair dat de vrouw de kosten van de door haar (zonder overleg) ingeschakelde deskundige volledig zelf te betalen, subsidiair dat de door hem gemaakte kosten voor zijn adviseur daarmee verrekend dienen te worden.

6.10.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

6.10.4.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft in het dictum van het beroepen (tussen)vonnis van 16 januari 2019 geen beslissing gegeven over de kosten van de deskundige(n). Deze grief kan derhalve niet slagen.

Proceskosten

6.11.

De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties. Dit hoger beroep ziet echter niet op het eindvonnis van 24 april 2019 waarbij de rechtbank de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd, zodat de vordering van de man voor zover het de proceskosten in eerste aanleg betreft, dient te worden afgewezen.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) in hoger beroep de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 8 juni 2016;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, C.N.M. Antens en M.A. Ossentjuk en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2020.

griffier rolraadsheer