Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1798

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
20-001387-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen, ex artikel 10a Opiumwet. Het hof spreekt verdachte vrij van schending van de meldplicht, nu het hof de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden – het vervoeren en/of ontvangen en/of opslaan en/of voorhanden hebben van geregistreerde stoffen – niet zodanig acht dat in casu sprake is van een meldingsplichtig ‘voorval’, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 Verordening 273/2004.

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10a
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001387-18

Uitspraak : 11 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993209-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren conform de rechtbank en aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te [locatie] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I),

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- 2.490 liter methanol en/of

- 2.250 liter aceton en/of

- 2.880 liter mierenzuur en/of

- 1.600 kilogram natriumhydroxide en/of

- 1.930 liter zwavelzuur en/of

- 1.400 liter zoutzuur,

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie) voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2.
hij, als marktdeelnemer, op een of meer tijdstippen op of omstreeks 30 oktober 2015 te [locatie] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die/dat er op wijzen/wijst of kunnen/kan wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en/of psychotrope stoffen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) van 2.250 liter aceton en/of 1.930 liter zwavelzuur en/of 1.400 liter zoutzuur vervoerd en/of ontvangen en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De aan verdachte onder feit 2 tenlastegelegde schending van de meldplicht van verdachte is gebaseerd op de Europese verordening die regels stelt over het toezicht op de (internationale) handel binnen de Europese Unie (interne handel) in drugsprecursoren (Vo. 273/2004 van 11 februari 2004, aangepast bij Vo. 1258/2013 van 20 november 2013). Drugsprecursoren zijn grondstoffen die niet alleen kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van legale chemische producten, maar kunnen ook worden misbruikt voor de illegale productie van drugs. Het met deze verordeningen ingestelde controlesysteem is bedoeld om te voorkomen dat deze stoffen worden gebruikt voor de illegale productie van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Omdat het merendeel van deze stoffen ook voor talloze legale doeleinden kan worden gebruikt en de handel in deze stoffen in beginsel legaal is, kan de handel in deze stoffen niet algemeen worden verboden. In Europese verordeningen – waaronder de genoemde verordening 273/2004 – zijn daarom maatregelen genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de wens te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het streven om de chemische bedrijfstak in staat te stellen nuttige en legale toepassingen aan deze stoffen te blijven geven.

De aan de verdachte ten laste gelegde schending van de meldplicht is toegesneden op art. 8 lid 1 van de genoemde verordening. Deze bepaling luidt: ‘De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren’. De in de tenlastelegging voorkomende termen, zoals ‘marktdeelnemers’ en ‘voorval’, moeten daarom worden geacht te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in (artikel 8 lid 1 van) de genoemde verordening.

Het begrip ‘markdeelnemer’ wordt in artikel 2, onder d van de genoemde verordening ruim omschreven als: ‘elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen’. Het hof acht de verdachte weliswaar aan te merken als een marktdeelnemer in de genoemde zin. Echter, gelet op zowel de strekking van de genoemde verordening – waarbij onder andere met vergunnings-, registratie- en meldingsplichten wordt getracht een juist evenwicht tussen illegale en legale praktijken te bewerkstellingen – als die van de delictsomschrijving van artikel 8 lid 1 van de genoemde verordening, acht het hof de aard van de ten laste gelegde en feitelijk verrichte gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden – zijnde het vervoeren en/of ontvangen en/of opslaan en/of voorhanden hebben van geregistreerde stoffen – niet zodanig dat in casu sprake is van een meldingsplichtig ‘voorval’, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 Vo. 273/2004.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 30 oktober 2015 te [locatie] , tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- 2.490 liter methanol en/of

- 2.250 liter aceton en/of

- 2.880 liter mierenzuur en/of

- 1.600 kilogram natriumhydroxide en/of

- 1.930 liter zwavelzuur en/of

- 1.400 liter zoutzuur,

ten behoeve van synthetische drugsproductie,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.


Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het verweer gevoerd dat: 1) de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , afgelegd bij de FIOD op 1 maart 2016, niet mag worden gebezigd tot het bewijs, aangezien de verdediging deze medeverdachte niet effectief heeft kunnen bevragen. [medeverdachte] beriep zich bij de rechter-commissaris immers op zijn verschoningsrecht. De belastende verklaring van [medeverdachte] wordt verder niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Als het hof vindt dat verdachte als heftruckchauffeur de chemicaliën heeft verzet, dan had verdachte 2) de chemicaliën daarmee nog niet voorhanden. Verdachte heeft de goederen in de zeecontainer immers niet aangeraakt en de goederen in de loods ook niet. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder niet dat 3) verdachte wist dan wel redelijkerwijs het vermoeden had dat het om een voorbereidingshandeling in het kader van de productie van synthetische drugs ging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte] is in het kader van de inbewaringstelling op 25 februari 2016

gehoord door de rechter-commissaris en op 1 maart 2016 door de FIOD. [medeverdachte] heeft

voor verdachte belastende verklaringen afgelegd. [medeverdachte] is op 11 september 2017 op

verzoek van de verdediging als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft zich

toen beroepen op zijn verschoningsrecht. De raadsman van verdachte heeft daarop te kennen

gegeven voor dat moment af te zien van verdere vragen.

Het verweer stelt dat de verklaringen van [medeverdachte] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Het hof stelt voorop dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont op grond van een daartoe door de wet gegeven bevoegdheid en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging (vgl. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017, rov. 3.4.3.). Echter, de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, rov. 3.2.1.-3.2.2. overwogen dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid van het ondervragen van de getuige, eraan niet in de weg staat dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. Of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel (vgl. HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, rov. 2.3).

Het Hof acht de verklaring van [medeverdachte] bruikbaar voor het bewijs, nu de betrokkenheid van de verdachte niet in beslissende mate op die verklaring is gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring van [medeverdachte] die door de verdachte zijn betwist. Het hof wijst daarvoor op het volgende.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof het navolgende.

Op 30 oktober 2015 zijn tijdens een doorzoeking omstreeks 15.35 uur in de loods aan de

[adres 2] en in de in die loods bevindende zeecontainer de in de tenlastelegging

genoemde chemicaliën aangetroffen. De aangetroffen zeecontainer was voorzien van

hangsloten. De aangetroffen jerrycans waren ontdaan van de wettelijk voorgeschreven

etikettering met daarop onder meer de stofnaam.

[medeverdachte] heeft bij de FIOD verklaard dat hij vier keer, waaronder op 30 oktober 2015

chemicaliën heeft gehaald in Luik en deze naar de loods in [locatie] heeft gebracht. De

chemicaliën werden daar opgeslagen. Voorts heeft hij verklaard dat [verdachte] van de vier keer

twee keer heeft geholpen de kannen en zakken te lossen in de loods en tevens heeft

geholpen met het in de container zetten van de chemicaliën. Als ze de zwarte folie van de

pallets haalden, zagen ze nog niet wat er in de kannen zat omdat er geen etiketten op zaten.

Op de zwarte kannen zaten stickers met daarop Brenntag en zoutzuur. Die plakkers moesten

er af in opdracht van de opdrachtgever en [verdachte] en [medeverdachte] hebben samen die etiketten

verwijderd. Als getuige ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 mei 2020 heeft [medeverdachte] verklaard dat hij bleef bij zijn bij de FIOD afgelegde verklaring. Tijdens het opsporingsonderzoek zijn in de container twee vuilniszakken met onder meer etiketten aangetroffen.

Op 30 oktober 2015 hebben er observaties plaatsgevonden bij de loods in [locatie] . Uit deze

observaties maakt het hof op dat [medeverdachte] op 30 oktober 2015 arriveert met de

vrachtwagen met chemicaliën. Een andere persoon, die een sterke gelijkenis vertoont met de

persoon van [medeverdachte] , rijdt vervolgens met een heftruck een pallet met voorwerpen de

loods in. Bij de loods is op 30 oktober 2015 ten tijde van het lossen een Volkswagen Polo [kenteken] , die op naam van [verdachte] staat, gezien. Voorts beschikte [verdachte] over de sleutels van de loods en van de zeecontainer. Ten slotte heeft verdachte bij de FIOD verklaard dat hij wel eens heeft geholpen met laden of lossen van pallets jerrycans.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het

verdachte is geweest die op 30 oktober 2015 de heftruck heeft bestuurd en heeft geholpen bij het lossen van de chemicaliën. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte]

op onderdelen wordt bevestigd door de overige bewijsmiddelen.

Ter zake van het verweer onder 2) stelt het hof het volgende. Verdachte was, mede gelet op de verklaring van [medeverdachte] , er van op de hoogte dat het om chemicaliën ging die hij heeft gelost en in de loods gezet. Verdachte had naar het oordeel van het hof door het op de heftruck vervoeren en lossen van de chemicaliën en het in bezit hebben van de sleutels van de sloten op de zeecontainer ook de beschikkingsmacht over deze chemicaliën, met andere woorden; hij was degene die de chemicaliën feitelijk tot zijn beschikking had en heeft deze dus voorhanden gehad.

Ter zake van het onder 3) vermelde verweer stelt het hof het volgende. Voor strafbaarheid op grond van de voorbereidingshandelingen in artikel 10a van de Opiumwet is vereist dat de dader daadwerkelijk wetenschap heeft gehad op de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van harddrugs bevorderde. Niet is vereist dat bekend is welk delict als bedoeld in het vierde lid van art. 10 Opiumwet wordt voorbereid of bevorderd (vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:BA3142 en HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6767). Dit opzet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak van artikel 10a Opiumwet, omvat ook voorwaardelijk opzet (vgl. Kamerstukken II 1982-1983, 17 975, nr. 3, p. 11-12 en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2757, rov. 2.4.).

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is daarbij afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Het hof is, samen met de rechtbank, van oordeel dat verdachte door zijn handelen minst genomen het voorwaardelijk opzet op het ten laste gelegde heeft gehad. Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, waarbij verdachte eerder etiketten van de kannen heeft gehaald, moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat het hier niet om een legale handel van chemicaliën ging. Door onder de gegeven omstandigheden aan het opslaan van chemicaliën een wezenlijke bijdrage te leveren, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de chemicaliën die werden opgeslagen zouden worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs en dat de stoffen die hij en zijn mededader voorhanden hadden, een illegale/criminele bestemming hadden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van grote hoeveelheden

chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of

verwerking van synthetische drugs. Verdachte heeft op 30 oktober 2015 geholpen bij het

lossen van de chemicaliën en ook nog op een eerder moment geholpen bij het lossen.

Verdachte heeft met voornoemd handelen bijgedragen aan de productie van synthetische

drugs. Hierdoor heeft hij ook bijgedragen aan de instandhouding van het illegale

drugscircuit. Algemeen bekend is dat de productie en handel van drugs gepaard gaat met

(zware) criminaliteit, gevaar voor de omgeving en milieuschade. Het gebruik van drugs

heeft ook nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor gebruikers

Verdachte heeft zich bij zijn handelen niets aangetrokken van de belangen van de

maatschappij.

Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 22 februari 2016, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 20 april 2018 vonnis gewezen. Hiertegen is op 24 april 2018 hoger beroep ingesteld namens verdachte. Het hof wijst dit arrest op 11 juni 2020. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is dan ook sprake van schending van de redelijke termijn en wel met een periode van één maand en 17 dagen. Echter, wanneer het strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, is er geen sprake van een schending van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden anders dan de enkele constatering dat de termijn in hoger beroep is geschonden.

Het hof zal een lichtere straf opleggen dan de door de advocaat-generaal gevorderde

straf, gelet op de gegeven vrijspraak voor het onder 2 ten laste gelegde.

Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 11 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.