Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1796

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
200.225.533_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verschoning
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verschoning ex artikel 40 juncto artikel 36 Rv toegewezen. Sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Advocaat in de hoofdzaak behoort tot de zakelijke kennissenkring van verzoekster, als bedoeld in aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak.

Blijkens het door verzoekster in haar verschoningsverzoek gestelde, is bovendien sprake van een nauw zakelijk contact.

Zie voorts: ECLI:NL:GHSHE:2020:8

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 40
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/190
RBP 2020/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakings- en verschoningskamer

zaaknummer hoofdzaak: 200.225.533/01

datum beslissing: 12 juni 2020

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een verschoningsverzoek van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

op het schriftelijke verzoek zich te mogen verschonen van 22 april 2020, als bedoeld in artikel 40 juncto artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van mr. A.W. Rutten, raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, team Handelsrecht, belast met de behandeling van de zaak met zaaknummer 200.225.533/01 (hierna: de hoofdzaak) van:

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellant 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. J.T. Gommer te Tilburg,

tegen

Jabil Circuit Netherlands B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Jabil,

advocaat: mr. R.F. van der Ham te Rotterdam.

1 Het procesverloop

1.1.

In de procedure in hoger beroep in de hoofdzaak heeft op 3 oktober 2019 een pleitzitting plaatsgevonden, met mr. H.AE. Uniken Venema als voorzitter en mrs. M.E. Smorenburg en A.W. Rutten (hierna te noemen: verzoekster) als leden. Op 7 januari 2020 heeft de behandelend kamer een tussenarrest gewezen, waarin een meervoudige comparitie van partijen is bepaald. Mr. Uniken Venema is inmiddels gedefungeerd als raadsheer bij dit hof.

1.2.

Bij e-mail van 22 april 2020 aan de managementassistente van het gerechtsbestuur van het hof en aan de coördinator van de wrakings- en verschoningskamer van het hof heeft verzoekster, onder opgaaf van redenen, verzocht zich in bovenstaande procedure te mogen verschonen.

1.3.

Partijen zijn bij brief van de wrakings- en verschoningskamer van het hof van 29 april 2020 van voornoemde omstandigheid en de inhoud van het verschoningsverzoek op de hoogte gesteld en zij zijn in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen een reactie te geven op het verschoningsverzoek.

1.4.

Namens [appellant 1] en [appellant 2] heeft mr. Gommer meegedeeld dat het geen probleem is als verzoekster aanblijft. Namens Jabil heeft mr. Van der Ham meegedeeld dat hij “te nauwe banden” heeft en dat hij denkt dat het beter is iedere “schijn van” te vermijden.

1.5.

De verschoningskamer is van oordeel dat een mondelinge behandeling van het verschoningsverzoek niet noodzakelijk is. Wel zijn partijen in de hoofdzaak in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek uit te laten. Zij hebben daarvan ook gebruik gemaakt.

2 Het verzoek

Ter onderbouwing van voornoemd verzoek heeft verzoekster aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat zij in een andere zaak dan in hoger beroep aan de orde (een administratiefrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure) sinds half januari 2020, derhalve na de onder 1.1. genoemde zitting op 3 oktober 2019 en na het tussenarrest van 7 januari 2020 in de hoofdzaak, in haar (hoofd)functie van advocaat zakelijk contact heeft met de advocaat van Jabil, mr. R.F. van der Ham. Dit vanwege het feit dat hun respectieve cliënten in de administratiefrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure gedeelde belangen hebben.

Verzoekster merkt op dat - ondanks het feit dat zij beide zaken volledig kan scheiden (mr. Van der Ham en zijzelf hebben er volgens haar ook nooit een woord aan gewijd) - het haar toch raadzaam lijkt zich te mogen verschonen.

3 De beoordeling

3.1.

De verschoningskamer overweegt met betrekking tot het verzoek als volgt.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, juncto artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek kan zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting geschieden.

3.2.

Vooropgesteld wordt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, en artikel 14, eerste lid, IVBPR, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat verzoekster – subjectief – niet onpartijdig is.

3.4.

Vervolgens dient onderzocht te worden of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden – objectief – gerechtvaardigd is.

3.5.

De onder 2. vermelde omstandigheden leveren naar het oordeel van de verschoningskamer een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor onder 3.4. bedoeld. De verschoningskamer overweegt daartoe het volgende.

3.6.

Ingevolge aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak, gepubliceerd op rechtspraak.nl (hierna: de Leidraad), die op grond van aanbeveling 17 van de Leidraad voor de rechter-plaatsvervanger eveneens van toepassing is, dient de rechter ervoor te zorgen geen zaken te behandelen waarbij als procespartij iemand uit zijn persoonlijke of zakelijke kennissenkring betrokken is. Wanneer een overige procesdeelnemer behoort tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter, kan dit de rechter noodzaken tot het niet behandelen van die zaak (aanbeveling 2). Bij de definities van de Leidraad (paragraaf 1.7) is vermeld dat onder meer degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (een advocaat) wordt beschouwd als ‘overige procesdeelnemer’ in de zin van de aanbevelingen uit de Leidraad.

3.7.

Vast staat dat verzoekster sinds half januari 2020 als advocaat in een administratiefrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure, zakelijk contact heeft met mr. Van der Ham. Deze staat in de hoofdzaak partij Jabil als advocaat bij. Daarmee behoort mr. Van der Ham tot de zakelijke kennissenkring van verzoekster, als bedoeld in aanbeveling 2 van de Leidraad. Blijkens het door verzoekster in haar verschoningsverzoek gestelde, is bovendien sprake van een nauw zakelijk contact tussen verzoekster en mr. Van der Ham (hun respectieve cliënten hebben gedeelde belangen), hetgeen door mr. Van der Ham in zijn reactie op het verschoningsverzoek is bevestigd (zie rechtsoverweging 1.4).

3.8.

Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de verschoningskamer een gerechtvaardigde grond voor het verschoningsverzoek. De verschoningskamer zal het verzoek dan ook toewijzen.

4 De beslissing

Het hof (de verschoningskamer):

wijst het door mr. A.W. Rutten gedane verzoek tot verschoning toe;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verschoningsverzoek door een kamer van dit hof waarvan mr. A.W. Rutten geen deel uitmaakt;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, aan mr. M.E. Smorenburg en aan de partijen in de hoofdzaak.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. van Rijkom (voorzitter), T.A. Gladpootjes en H.A.W. Vermeulen, in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2020.