Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1792

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
200.275.692_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 292 lid 3 Fw: Appellant is niet-ontvankelijk in het hoger beroep, nu niet is gebleken van een verschoonbare termijn overschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 11 juni 2020

Zaaknummer : 200.275.692/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/272631 / FT RK 19/943

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. D.M. Gijzen te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 3 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2020, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende,

te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ex Titel III Fw op hem van toepassing is.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2020. Bij die gelegenheid is gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. Gijzen;

  • -

    De beschermingsbewindvoerder van [appellant] is niet ter zitting verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 februari 2020;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 21 april 2020 en 28 mei 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld om haar visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR: 2012: BV4010).

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] verklaard dat hij een e-mail van de beschermingsbewindvoerder heeft ontvangen, waarin zij heeft bericht dat zij verhinderd is ter zitting te verschijnen. Uit het door de advocaat ter zitting voorgelezen e-mail bericht begrijpt het hof – zakelijk weergegeven – dat de beschermingsbewindvoerder zich achter het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft geschaard. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is ontvankelijk.

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De rechtbank miskent dat de nieuwe behandeling ziet op resterende hulpvragen

(piekeren/malen) die niets van doen hebben met de beheersbaarheid van de psychosociale

problemen. Bovendien velt de rechtbank hiermee een oordeel waarvoor zij de deskundigheid ontbeert, doordat zij zich begeeft op medisch (psychosociaal) terrein, zonder zich voorts zelfs ook maar enigszins te verdiepen in de aard en inhoud van de nieuwe behandeling.

3.4.1.

[appellant] heeft verklaard dat het UWV hem heeft medegedeeld dat er geen sollicitatieplicht geldt. Hij kan dat niet verder onderbouwen dan met de telefoonnotitie van het UWV van 18 februari 2020, maar hij verdient dan op zijn minst het voordeel van de twijfel, aangezien het UWV hierin aangeeft dat per geval wordt besloten eventueel geen invulling aan de sollicitatieverplichtingen te geven. De stelling van [appellant] dat hij van het UWV niet hoefde te solliciteren is daarmee immers zeker niet ongeloofwaardig. Sterker nog, het maakt aannemelijk dat [appellant] door het UWV “op het verkeerde been is gezet”. Het verklaart het gedrag van [appellant] ten aanzien van solliciteren/werken en kan hem bezwaarlijk verweten worden in die zin, dat hij misbruik van de schuldsaneringsregeling op het oog heeft gehad. Bovendien werkt de leeftijd van [appellant] (43 jaar) en zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ook niet in zijn voordeel bij het vinden en krijgen van werk. Dat betekent dat als [appellant] wel gesolliciteerd zou hebben, de situatie hoogst waarschijnlijk niet anders zou zijn geweest dan thans het geval is. Men kan zich dan afvragen of het niet solliciteren/werken in een dergelijk geval ook in objectieve zin wel strijd met de goede trouw oplevert.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Het beroepschrift is op tijd verzonden, maar de postbezorging was te laat. Ingeval van niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep wordt verzocht een overweging ten overvloede in de uitspraak op te nemen, met name of het ingestelde hoger beroep kans van slagen had gehad. In dat geval kan [appellant] eventueel Post.nl aanspreken.

Vanwege corona heeft eerst op 19 mei 2020 een beeldgesprek met de psychiater plaatsgevonden. De psychosociale problemen zijn in de jeugdjaren van [appellant] ontstaan. Dat wil de psychiater nader onderzoeken. Daarnaast is in 2016 de diagnose ADD bij [appellant] vastgesteld.

[appellant] heeft altijd onbetaald werk verricht, want van het UWV hoefde hij niet te solliciteren. Dat is hem door het UWV telefonisch medegedeeld. Na 8 jaar heeft [appellant] veel aan zichzelf gewerkt. [appellant] heeft de zorg voor twee kinderen. Hij is altijd met PsyQ en de praktijkondersteuner van de huisartspraktijk in gesprek gebleven. Zolang [appellant] over zijn problematiek kan blijven praten is de situatie beheersbaars, maar hij heeft wel bepaalde handvatten nodig. Er zou wellicht sprake zijn van een persoonlijkheidsstoornis, mogelijk al vanaf zijn jeugd. [appellant] staat nu op de wachtlijst. PsyQ gaat eerst in gesprek met de behandelaars van [appellant] , waarna vervolgens een plan van aanpak wordt opgesteld.

In 2012 is [appellant] ook behandeld. Dat was naar aanleiding van een echtscheiding, het feit dat hij vanuit de ziektewet werd ontslagen en vervolgens een WIA-uitkering kreeg waarbij hij gedurende acht maanden € 300,-- per maand te weinig uitkering ontving. [appellant] heeft voor 75% de zorg voor zijn twee kinderen die bij hem wonen. In het 4e kwartaal vindt er een herbeoordeling plaats door het UWV.

Dat [appellant] de post niet meer openmaakte is niet meer aan de orde. De psychiatrische intensive thuiszorg heeft dat destijds opgepakt, alles uitgezocht en vervolgens toegezonden aan de beschermingsbewindvoerder. Vanaf 2016 is de terugvalpreventie opgestart.

De ontvankelijkheid

3.6.

De rechtbank heeft op 3 maart 2020 uitspraak gedaan en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen. Dat betekent dat de termijn voor het instellen van hoger beroep verstreek op 11 maart 2020.

Bij brief van 28 mei 2020 heeft de advocaat van [appellant] een kopie van de datumstempel van Post.nl overgelegd, waaruit blijkt dat hij het beroepschrift op 10 maart 2020, één dag vóór het verstrijken van de beroepstermijn, aangetekend naar het gerechtshof heeft verzonden.

Uit het bij deze brief gevoegde Track & Trace journaal blijkt evenwel dat het beroepschrift eerst op 13 maart 2020 om 08:07 uur door Post.nl is bezorgd.

Dit heeft tot gevolg dat het beroepschrift te laat ter griffie is ingekomen.

Nu van de zijde van [appellant] geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die maken dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding is [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

De inhoudelijke beoordeling

3.7.

Het hof overweegt ten overvoede als volgt.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.1.

Het hof stelt voorop dat niet ter discussie staat dat ten aanzien van [appellant] sprake is van psychische problematiek, zoals onder meer de diagnose ADD welke stoornis in 2016 is vastgesteld. Zoals door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep is gesteld, zou ten aanzien van [appellant] daarnaast sprake zijn van een persoonlijkheidsstoornis.

Inmiddels heeft op 19 mei 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en een psychiater. Op grond hiervan moet nog een plan van aanpak opgesteld worden voor de behandeling van de resterende hulpvragen van [appellant] . Uit dit plan van aanpak zal moeten blijken voor welke problematiek [appellant] nog zal worden behandeld en hoe lang deze behandeling gaat duren.

Het hof gaat ervan uit dat daarnaast zal worden onderzocht of ten aanzien van [appellant] daadwerkelijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.

3.7.2.

Met betrekking tot de psychische problematiek rond [appellant] verwijst het hof, evenals eerder de rechtbank in het vonnis waarvan thans beroep, naar artikel 5.4.3. Bijlage IV Procesreglement insolventiezaken rechtbanken. Hierin is bepaald dat een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie

Het hof hecht eraan, ook in meer algemene zin, te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig overigens niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan.

Het hof stelt vast dat de hierbovengenoemde bevestiging ook in hoger beroep niet is overgelegd. Het hof overweegt dat een dergelijke verklaring op dit moment ook niet kan worden overgelegd, omdat, zoals reeds hiervoor is overwogen, er nog een plan van aanpak moet worden opgesteld voor de nabehandeling van [appellant] met betrekking tot zijn psychosociale klachten.

3.7.4.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellant] om thans te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling nog te vroeg is. Weliswaar is [appellant] naar het oordeel van het hof op de goede weg, maar het is nu nog niet althans onvoldoende gebleken dat de persoonlijke situatie van [appellant] op dit moment zo stabiel is dat hij in staat moet worden geacht aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen te kunnen gaan en blijven voldoen. [appellant] dient eerst zijn nabehandeling, waarmee hij nog moet aanvangen, te doorlopen en af te ronden, althans daarin zodanig punt te bereiken dat van beheersbaarheid als hierboven bedoeld sprake is zodat alsdan [appellant] saneringsrijp kan worden geacht. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat op dit moment het risico te groot is dat [appellant] , op het moment dat hij wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, en vervolgens niet in staat zal zijn aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen met als gevolg dat de schuldsaneringsregeling door de rechtbank tussentijds wordt beëindigd en hij gedurende 10 jaar geen hernieuwd verzoek bij de rechtbank kan indienen om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.7.5.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof de slotsom dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt, dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, hetgeen op zichzelf beschouwd voldoende grond oplevert om het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

Dat betekent tevens dat het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet goeder trouw zou zijn geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden geen afzonderlijke bespreking behoeft.

3.8.

[appellant] zal in verband met de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.W. van Rijkom en T. van Malssen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.