Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1778

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
20-001388-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt een gevangenisstraf op van 300 dagen, waarvan 290 dagen voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uren, voor het meermalen medeplegen van voorbereidingshandelingen

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10a
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001388-18

Uitspraak : 11 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993208-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaar.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 te Luik, België, in elk geval in België en/of te Echt, gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, zijnde (een) middel(en) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens)

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of

- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heef/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders opzettelijk daartoe

- een loods (gelegen aan de [adres 2] ) gehuurd en/of ter beschikking gesteld en/of

- een voertuig (vrachtwagen Renault Midlim met kenteken [kenteken] ) gehuurd

en/of

- ( vervolgens) met/in dat voertuig

- in/naar een loods gelegen aan de [adres 2] ,

* op of omstreeks 22 september 2015

- 80 x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur en/of

- 33 x 30 liter = 990 liter aceton en/of

- 33 x 30 liter = 990 liter methanol en/of

- 33 x 38 kilogram = 1.254 kilogram mierenzuur en/of

- 40 x 25 kilogram = 1.000 kilogram natriumhydroxide capsules (caustic soda),

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie)

en/of

* op of omstreeks 2 oktober 2015

- 80 x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur en/of

- 33 x 30 liter = 990 liter methanol en/of

- 75 x 37 kilogram = 2.775 kilogram zwavelzuur en/of

- 5 x 20 liter = 100 liter dimethylformamide,

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie)

en/of

* op of omstreeks 8 oktober 2015

- 4 x 40x 25 kilogram = 4.000 kilogram natriumhydroxide capsules (caustic soda) en/of

- 80 x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur,

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie)

en/of

* op of omstreeks 30 oktober 2015

- 93 x 30 liter = 2.790 liter (2.204 kilogram) aceton en/of

- 46 x 30 liter = 1.380 liter (1.090 kilogram) methanol en/of

- 50 x 37 kilogram = 1.850 kilogram zwavelzuur en/of

- 62 x 38 kilogram = 2.356 kilogram mierenzuur en/of

- 68 x 27 kilogram = 1.836 kilogram zoutzuur,

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie)

vervoerd en/of ontvangen en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad;

2.
hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Echt, gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I),

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- 2.490 liter methanol en/of

- 2.250 liter aceton en/of

- 2.880 liter mierenzuur en/of

- 1.600 kilogram natriumhydroxide en/of

- 1.930 liter zwavelzuur en/of

- 1.400 liter zoutzuur,

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie)

voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.
hij, als marktdeelnemer, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 te Echt, gemeente Echt-Susteren, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die/dat er op wijzen/wijst of kunnen/kan wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en/of psychotrope stoffen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk

* op of omstreeks 22 september 2015 (een) hoeveelhe(i)d(en) van 80x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur en/of 33x 30 liter = 990 liter aceton

en/of

* op of omstreeks 2 oktober 2015 (een) hoeveelhe(i)d(en) van 80x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur en/of 75x 37 kilogram = 2.775 kilogram zwavelzuur

en/of

* op of omstreeks 8 oktober 2015 een hoeveelheid van 80x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur

en/of

* op of omstreeks 30 oktober 2015 (een) hoeveelhe(i)d(en) van 93x 30 liter = 2.790 liter (2.204 kilogram) aceton en/of 50x 37 kilogram = 1.850 kilogram zwavelzuur en/of 68x 27 kilogram = 1.836 kilogram zoutzuur

en/of

* op of omstreeks 30 oktober 2015 (een) hoeveelhe(i)d(en) van 2.250 liter aceton en/of 1.930 liter zwavelzuur en/of 1.400 liter zoutzuur

vervoerd en/of ontvangen en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De aan verdachte onder feit 3 tenlastegelegde schending van de meldplicht van verdachte is gebaseerd op de Europese verordening die regels stelt over het toezicht op de (internationale) handel binnen de Europese Unie (interne handel) in drugsprecursoren (Vo. 273/2004 van 11 februari 2004, aangepast bij Vo. 1258/2013 van 20 november 2013). Drugsprecursoren zijn grondstoffen die niet alleen kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van legale chemische producten, maar kunnen ook worden misbruikt voor de illegale productie van drugs. Het met deze verordeningen ingestelde controlesysteem is bedoeld om te voorkomen dat deze stoffen worden gebruikt voor de illegale productie van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Omdat het merendeel van deze stoffen ook voor talloze legale doeleinden kan worden gebruikt en de handel in deze stoffen in beginsel legaal is, kan de handel in deze stoffen niet algemeen worden verboden. In Europese verordeningen – waaronder de genoemde verordening 273/2004 – zijn daarom maatregelen genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de wens te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het streven om de chemische bedrijfstak in staat te stellen nuttige en legale toepassingen aan deze stoffen te blijven geven.

De aan de verdachte ten laste gelegde schending van de meldplicht is toegesneden op art. 8 lid 1 van de genoemde verordening. Deze bepaling luidt: ‘De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren’. De in de tenlastelegging voorkomende termen, zoals ‘marktdeelnemers’ en ‘voorval’, moeten daarom worden geacht te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in (artikel 8 lid 1 van) de genoemde verordening.

Het begrip ‘markdeelnemer’ wordt in artikel 2, onder d van de genoemde verordening ruim omschreven als: ‘elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen’. Het hof acht de verdachte weliswaar aan te merken als een marktdeelnemer in de genoemde zin. Echter, gelet op zowel de strekking van de genoemde verordening – waarbij onder andere met vergunnings-, registratie- en meldingsplichten wordt getracht een juist evenwicht tussen illegale en legale praktijken te bewerkstellingen – als die van de delictsomschrijving van artikel 8 lid 1 van de genoemde verordening, acht het hof de aard van de ten laste gelegde en feitelijk verrichte gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden – zijnde het vervoeren en/of ontvangen en/of opslaan en/of voorhanden hebben van geregistreerde stoffen – niet zodanig dat in casu sprake is van een meldingsplichtig ‘voorval’, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 Vo. 273/2004.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op tijdstippen in de periode van 22 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 in België en in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en vervaardigen en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens

- een of meer anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en

- een vervoermiddel en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers hebbende hij, verdachte, en zijn mededader opzettelijk daartoe

- een loods gelegen aan de [adres 2] gehuurd en ter beschikking gesteld en

- een voertuig (vrachtwagen Renault Midlim met kenteken [kenteken] ) gehuurd en

- vervolgens met dat voertuig

- naar een loods gelegen aan de [adres 2] ,

* op 22 september 2015

- 80 x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur en

- 33 x 30 liter = 990 liter aceton en

- 33 x 30 liter = 990 liter methanol en

- 33 x 38 kilogram = 1.254 kilogram mierenzuur en

- 40 x 25 kilogram = 1.000 kilogram natriumhydroxide capsules (caustic soda),

ten behoeve van synthetische drugsproductie

en

* op 2 oktober 2015

- 80 x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur en

- 33 x 30 liter = 990 liter methanol en

- 75 x 37 kilogram = 2.775 kilogram zwavelzuur en

- 5 x 20 liter = 100 liter dimethylformamide,

ten behoeve van synthetische drugsproductie

en

* op 8 oktober 2015

- 4 x 40x 25 kilogram = 4.000 kilogram natriumhydroxide capsules (caustic soda) en

- 80 x 27 kilogram = 2.160 kilogram zoutzuur,

ten behoeve van synthetische drugsproductie

en

* op 30 oktober 2015

- 93 x 30 liter = 2.790 liter (2.204 kilogram) aceton en

- 46 x 30 liter = 1.380 liter (1.090 kilogram) methanol en

- 50 x 37 kilogram = 1.850 kilogram zwavelzuur en

- 62 x 38 kilogram = 2.356 kilogram mierenzuur en

- 68 x 27 kilogram = 1.836 kilogram zoutzuur,

ten behoeve van synthetische drugsproductie

vervoerd en voorhanden gehad.

2.
hij op 30 oktober 2015 te Echt, gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en vervaardigen van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- 2.490 liter methanol en

- 2.250 liter aceton en

- 2.880 liter mierenzuur en

- 1.600 kilogram natriumhydroxide en

- 1.930 liter zwavelzuur en

- 1.400 liter zoutzuur,

ten behoeve van synthetische drugsproductie

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Inleiding

Verdachte wordt verweten zich al dan niet in vereniging schuldig te hebben gemaakt aan

voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet door – kort gezegd – chemicaliën

bestemd voor de productie van MDMA en/of amfetamine en/of mefredon te vervoeren en/of

te ontvangen en/of op te slaan en/of voorhanden te hebben. Tevens wordt hem verweten een

loods ter beschikking te hebben gesteld voor de opslag van chemicaliën en daar ook

chemicaliën voorhanden te hebben gehad.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat – conform het vonnis – feit 1 en 2 in voorgezette handeling zijn gepleegd.

Voor wat betreft feit 3 is er sprake van eendaadse samenloop met feit 1.

Het oordeel van het hof

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierboven bewezen is

verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het voorbereiden of het bevorderen een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en stoffen vervoeren en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en 2 in voortgezette handeling zijn gepleegd. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:280).

Het Hof oordeelt dat met betrekking tot het handelen van verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 niet moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling, maar dat bij de betreffende bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop. Het gaat volgens het hof bij genoemde feiten weliswaar om gedragingen waarbij sprake is van opeenvolging in de tijd, maar bij beide bewezenverklaarde feiten is geen sprake van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") welke zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Immers, de hoeveelheden stoffen welke op 30 oktober 2015 zijn aangetroffen in de loods in Echt, komen niet overeen met de hoeveelheden stoffen die zijn vervoerd tijdens de transporten die verdachte heeft verricht op 22 september 2015, 2 oktober 2015, 8 oktober 2015 en 30 oktober 2015. Er is een minder grote hoeveelheid aan stoffen aangetroffen in de loods dan de hoeveelheid stoffen die op diezelfde dag door verdachte is vervoerd. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van de omstandigheid dat de chemicaliën die werden vervoerd tijdens de door verdachte verrichte transporten, dezelfde chemicaliën betroffen als de chemicaliën die zijn aangetroffen in de door verdachte gehuurde loods. Het hof stelt derhalve vast dat het transporteren en het opslaan van de chemicaliën niet in een voortgezette handeling zijn gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Op te leggen straf of maatregel

De eis van de advocaat-generaal

Volgens de advocaat-generaal kunnen de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten

wettig en overtuigend worden bewezen. De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan

verdachte voor deze feiten een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft een strafmaat verweer gevoerd. Daartoe heeft de raadsman

verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de geringe rol van verdachte. Zo heeft hij geen structureel overleg gehad met de (hoofd)verdachten.

Verdachte is zeer korte tijd actief geweest. Bovendien had hij geen enkel winstbejag in de zin van het verdienen van veel geld; hij heeft een schamele € 5.000,00 ontvangen, welk bedrag hij heeft gebruik voor het aflossen van zijn schulden.

Hij heeft spijt van zijn handelen en neemt de volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden. Op dit moment heeft verdachte zijn leven weer goed op de rit. De ontruiming van de loods is inmiddels 4 jaar en 7 maanden geleden. Een detentie zal alle goede ontwikkelingen doorkruisen. Ook uit het reclasseringsrapport – dat in het kader van het hoger beroep is opgemaakt – blijkt onder andere dat er een laag recidive risico is, dat verdachte zijn leven op de rit heeft en dat er geen contra-indicaties bestaan voor het verrichten van een werkstraf. Het één en ander wordt tevens bevestigd door een groot aantal verklaringen van vrienden, familie en zakenrelaties van verdachte.

Daarnaast heeft de raadsman een aantal relevante en vergelijkbare uitspraken aangehaald waaruit zijns inziens zou blijken dat bij dergelijke feiten, kijkend naar het tijdsverloop en de persoonlijkheid van verdachte, kan worden volstaan met een taakstraf. Tenslotte heeft de raadsman nog de doelen van straffen aangehaald, waaruit zou blijken dat het opleggen van een gevangenis voor verdachte geen van de doelen dient.

De raadsman verzoekt derhalve om een taakstraf voor de duur van 240 uur, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een ruimte proeftijd op te leggen.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In het nadeel van verdachte

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van grote hoeveelheden

chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of

verwerking van synthetische drugs. Verdachte heeft gedurende een periode van ruim een

maand in totaal vier keer chemicaliën vervoerd. Tevens heeft verdachte een loods voor de

opslag van chemicaliën gehuurd en ter beschikking gesteld.

Verdachte was professioneel vrachtwagenchauffeur en wist heel goed waar hij mee bezig

was. Verdachte heeft de handel in chemicaliën ten behoeve van de productie van drugs

gefaciliteerd en bijgedragen aan de productie van synthetische drugs te produceren, te

verwerken dan wel te bewerken. Hierdoor heeft hij ook bijgedragen aan de instandhouding

van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat de productie en handel van drugs

gepaard gaat met (zware) criminaliteit, gevaar voor de omgeving en milieuschade. Het

gebruik van drugs heeft ook nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade

voor gebruikers. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij.

Hoewel ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof is gebleken dat verdachte het laakbare in zijn handelen lijkt in te zien, heeft verdachte nimmer willen verklaren wie zijn opdrachtgevers waren.

In het voordeel van verdachte

Bij de bepaling van de duur van de straf houdt het hof in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 13 februari 2020, niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld ter zake van enig soortgelijk strafbaar feit.

Verdachte heeft ter terechtzitting laten blijken het laakbare van zijn handelen in te zien. Hij heeft daarbij verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en spijt betuigd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting alsmede uit het reclasseringsrapport is tevens gebleken dat verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven en door hard werken al zijn schulden heeft afgelost. Bovendien bleek uit het reclasseringsrapport dat er een laag recidive risico is.

De redelijke termijn

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 22 februari 2016, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 20 april 2018 vonnis gewezen. In eerste aanleg is dus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de ingangsdatum van de redelijke termijn. Deze overschrijding bedraagt ongeveer 2 maanden.

Verdachte heeft op 24 april 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 11 juni 2020. In hoger beroep is dus eveneens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding bedraagt minder dan 2 maanden.

De beide overschrijdingen zijn, mede gelet op de omvang van de zaak (de zaak tegen verdachte maakt deel uit van een megazaak) en de totale duur van de strafprocedure bezien, dermate gering, dat het hof hieraan geen andere consequentie zal verbinden dan de constatering dat de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden.

Conclusie

De bewezen verklaarde feiten betreffen zeer ernstige feiten die zeer ontwrichtend zijn voor

de maatschappij. Echter, gelet op de omstandigheden die in het voordeel van verdachte werken (de positieve wending die verdachte aan zijn leven heeft gegeven, geen eerdere veroordeling voor (soortgelijke) strafbare feiten en een laag recidive risico), zal het hof volstaan met het opleggen van de maximale taakstraf, te weten voor de duur van 240 uur.

Daarnaast zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 300 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal 290 dagen van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 3 jaar om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof zal een lichtere straf opleggen dan de door de advocaat-generaal gevorderde

straf, nu het hof verdachte voor het onder feit 3 ten laste gelegde vrijspreekt en het hof van oordeel is dat de straf die het hof zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 290 (tweehonderdnegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,

en op 11 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.