Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1772

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
200.220.565_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf;

Zorgregeling;

Kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 11 juni 2020

Zaaknummer: 200.220.565/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/299811 / FA RK 15-5546

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. M.C. Appünn, thans mr. J.W. Weehuizen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.A. Kronenburg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats]

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juli 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder en een kinderalimentatie vast te stellen van € 178,- per kind per maand.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2017, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 mei 2017;

  • -

    productie 17, ingekomen op 29 augustus 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 30 augustus 2017, ingekomen op 1 september 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 14 mei 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 14 mei 2018;

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Weehuizen;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Kronenburg;

  • -

    Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] ;

  • -

    Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.5.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 mei 2018 zijn partijen met elkaar overeengekomen dat zij onder leiding en naar keuze van de GI systeemtherapie gaan volgen en dat daarnaast Topaze wordt ingezet voor ambulante gezinsbegeleiding bij beide ouders. Dit alles met als doel goede zorg voor de kinderen en verbetering van de onderlinge communicatie.

Partijen zijn voorts als voorlopige zorgregeling overeengekomen dat de kinderen bij de moeder verblijven de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit schoot tot vrijdagochtend naar school.

Partijen hebben deze overeenkomst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ondertekend en deze is opgenomen in een verkort proces-verbaal, dat op 29 mei 2018 aan partijen is toegezonden.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de evaluatie en het vervolgplan van aanpak van de GI d.d. 22 november 2018;

- de brief van de GI d.d. 10 december 2018 met bijlagen;

- het faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 10 december 2018;

- het V6-formulier van de advocaat van de vader, met bijlage d.d. 12 december 2018;

- het V8-formulier van de advocaat van de moeder met bijlage d.d. 25 februari 2019;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 5 maart 2019;

- het V8-formulier van de advocaat van de moeder met bijlage d.d. 14 maart 2019;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader met bijlagen d.d. 14 maart 2019;

- het V8-formulier van de advocaat van de moeder met bijlage d.d. 14 maart 2019;

- de brief van de GI d.d. 14 maart 2019;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 27 maart 2019;

- de brief van de GI met bijlagen d.d. 14 juni 2019;

- het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 juli 2019;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 25 september 2019;

- de V8-formulieren van de advocaat van de vader d.d. 21 januari 2020;

- het V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 27 januari 2020;

- de brief van de raad d.d. 4 februari 2020;

- het raadsrapport d.d. 11 februari 2020;

- de brief van de GI d.d. 20 februari 2020;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 20 februari 2020;

- het V6-formulier van de advocaat van de vader met bijlagen d.d. 25 februari 2020;

- het V8-formilier van de advocaat van de vader van 14 april 2020;

- de brief van de advocaat van de moeder van 16 april 2020;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader met bijlagen van 24 april 2020;

2.7.

Op 21 april 2020 heeft de tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vanwege de maatregelen in verband met het corona-virus (COVID-19) heeft de mondelinge behandeling digitaal plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder door middel van verbinding met videobeeld, bijgestaan door haar advocaat mr. Weehuizen door middel van verbinding met videobeeld;

  • -

    de vader door middel van telefonische verbinding, bijgestaan door mr. Chin A Fat (waarnemend voor mr. Kronenburg) door middel van telefonische verbinding;

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad 2] , als vertegenwoordiger van de raad, door middel van verbinding met videobeeld;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordiger van de GI, door middel van telefonische verbinding.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank

Oost-Brabant van 12 juni 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 1 juli 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2008 te

[geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2010 te

[geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

Partijen hebben op 24 februari 2015 een ouderschapsplan ondertekend waarin, voor zover thans van belang, is afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijf om en om bij beide ouders hebben, volgens de in bijlage A door partijen overeengekomen zorgregeling en de kinderen op het adres van de moeder in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven zullen staan.

3.3.

Ter zitting van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2016 heeft de raad de ondertoezichtstelling van de kinderen verzocht. Dit verzoek is mondeling toegewezen en de uitspraak op 3 februari 2016 op schrift gesteld.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 januari 2020 tot 26 januari 2021.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 oktober 2019 is [minderjarige 1] uit huis geplaatst bij de moeder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Deze plaatsing is bij de beschikking van 22 januari 2020 tot verlenging van de ondertoezichtstelling, verlengd tot 26 januari 2021.

3.4.

De moeder heeft in eerste aanleg vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij haar verzocht, vaststelling van een zorgregeling inhoudende dat de kinderen een weekeind per veertien dagen als ook de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijven en een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 162,- per kind per maand.

De vader heeft verweer gevoerd en afwijzing dan wel aanhouding van de verzoeken van de moeder verzocht. De vader heeft een zelfstandig verzoek gedaan tot onderzoek door de raad, zowel ten aanzien van de opvoedingssituatie als ten aanzien van het co-ouderschap.

3.5.

Bij tussenbeschikking van 23 februari 2016 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de volgende vragen:

  1. in hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

  2. in hoeverre komt een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

  3. hoe dient die regeling qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?

en daaromtrent de adviseren en te rapporteren.

3.6.

In het rapport van de raad van 15 augustus 2016 heeft de raad de rechtbank geadviseerd de zaak zes maanden aan te houden teneinde de resultaten van de hulpverlening aan ouders om hun verstandhouding te verbeteren, af te wachten. Dit, in verband met onder andere de opstart van de hulpverlening bij Topaze. De raad zou in januari 2017 een aanvullend onderzoek opstarten waarin tot een definitieve zorgregeling wordt geconcludeerd en geadviseerd.

In het rapport van de raad van 7 maart 2017 adviseert de raad om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot maandag na school naar de moeder gaan en de andere week van donderdag uit school tot vrijdag naar school.

3.7.

Bij brief van 20 maart 2017 heeft de vader zelfstandig verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school naar de moeder gaan en de andere week van donderdag uit school tot vrijdag naar school.

3.8.

De moeder heeft haar verzoek bij brief van 21 april 2017 aangevuld in die zin dat zij verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder verblijven met een wisselmoment op maandagochtend, en subsidiair een zorgregeling waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week van woensdag na school tot maandagochtend bij de moeder zijn.

Voorts verzoekt de moeder een regeling voor de zomervakanties waarbij de kinderen drie weken aaneengesloten bij de ene ouder zijn en drie weken aaneengesloten bij de andere ouder.

Daarnaast verzoekt zij de toestemming van de vader te vervangen door een toestemming van de rechtbank voor een bezoek van drie weken tijdens de zomervakanties van de kinderen met de moeder bij de ouders van de moeder in Ethiopië.

3.9.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 12 juni 2015 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor wat betreft de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling gewijzigd als volgt:

- bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vader;

- stelt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de volgende regeling vast betreffende het contact tussen de moeder en de minderjarigen:

de moeder is gerechtigd tot contact met de minderjarigen gedurende de ene week van vrijdag uit school tot maandag na school en de andere week van donderdag uit school tot vrijdagochtend naar school en is het meer of anders verzochte afgewezen.

3.9.1.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de opvoedingssituatie bij de vader het meest tegemoet komt aan hetgeen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nodig hebben. Gezien de emotionele band die de kinderen met hun moeder hebben is het in hun belang dat zij iedere week contact hebben met hun moeder, maar een co-ouderschap of de subsidiair door de moeder verzochte contactregeling acht de rechtbank niet in hun belang. De communicatie tussen de ouders is nog steeds slecht en omdat partijen een zeer verschillende opvoedingsaanpak hebben en de aanpak van vader het meest aansluit bij de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dienen zij de meeste tijd bij hun vader door te brengen.

Ten aanzien van de vakantie heeft de rechtbank overwogen dat het niet in het belang van de kinderen is als zij langer dan twee weken van hun ouders gescheiden zijn.

Ten aanzien van de vervangende toestemming voor een verblijf van de kinderen in Ethiopië heeft de rechtbank overwogen dat dit op dit moment niet in hun belang is. Onbekend is of de veiligheid van de minderjarigen in dat land voldoende gewaarborgd is en hoe het staat met de hygiëne aldaar. Voorts zijn de minderjarigen de taal van dit land ook niet machtig.

Nu het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen, wordt afgewezen, heeft de moeder geen belang bij haar verzoek tot vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

3.10.

De moeder is van deze beslissing in hoger beroep gekomen.

3.11.

Op 25 mei 2018 heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling hebben partijen de volgende afspraken met elkaar gemaakt:

“Partijen gaan onder leiding en naar keuze van de GI systeemtherapie volgen en daarnaast wordt Topaze ingezet voor ambulante gezinsbegeleiding bij beide ouders.

Partijen stellen zich de volgende doelen:

- goede zorg voor de kinderen

- verbetering van de onderlinge communicatie

Als voorlopige zorgregeling geldt:

De moeder heeft de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school.

Ouders komen tenslotte overeen dat zij over en weer elkaars individuele ouderschap zullen ondersteunen.

Zij realiseren zich daarbij dat dit een niet vanzelfsprekende omslag is zodat vergissingen en/of fouten niet afgestraft zullen worden.

Bij problemen op alle gebieden blijft de GI aanspreekpunt.

Partijen verzoeken het hof de zaak hangende het voorgaande aan te houden”

Partijen hebben deze overeenkomst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ondertekend en deze is opgenomen in een verkort proces-verbaal, dat op 29 mei 2018 aan partijen is toegezonden.

Sinds de mondelinge behandeling op 25 mei 2018:

3.12.

Sinds de mondelinge behandeling op 25 mei 2018 zijn er diverse pogingen gedaan hulpverleningstrajecten op de starten, o.a. bij Topaze, de Viersprong (kinderen uit de knel, hierna: KUK), Oosterpoort en wederom de Viersprong (KUK).

Deze trajecten hebben tot op heden niet tot het gewenste resultaat geleid van een verbetering van de verstandhouding en communicatie tussen de ouders.

3.12.1.

Sinds 12 september 2019 verblijft [minderjarige 1] feitelijk bij de moeder, omdat hij niet meer terug naar de vader wilde. Deze situatie is geformaliseerd door de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 oktober 2019, waarbij [minderjarige 1] op verzoek van de GI uit huis is geplaatst bij moeder.

In voornoemde beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het de ouders aan inzicht ontbreekt dat door hun toedoen de kinderen van de noodzakelijke hulp verstoken blijven. Als de ouders zich daar niet voor inzetten en blijven weigeren de communicatie aangaande de kinderen met elkaar op gang te brengen, zal er voor de kinderen nooit een goede oplossing komen en zal de zaak alleen nog maar verder verslechteren. [minderjarige 1] heeft nadrukkelijk aangegeven behoefte te hebben aan rust en deze vindt hij momenteel in de thuissituatie bij de moeder. In de aankomende periode kan de GI onderzoeken op welke wijze het contact tussen [minderjarige 1] en de vader kan worden hersteld.

Tijdens de mondelinge behandeling in het kader van het verzoek uithuisplaatsing van [minderjarige 1] op 9 oktober 2019 heeft de rechtbank met de ouders, de raad en de GI afgesproken dat de raad een nader onderzoek start en het hof (in het kader van de onderhavige procedure) van een actuele rapportage voorziet, waarbij de raad het hof tevens adviseert omtrent het hoofdverblijf en de contactregeling. Omdat het in deze procedure ook over [minderjarige 2] gaat, heeft de raad besloten zich over bovenstaande vraagstukken te buigen voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2]

3.12.3.

Op 12 februari 2020 heeft het hof het aanvullend rapport van de raad ontvangen.

De raad geeft in dit rapport aan dat er thans zo snel mogelijk een beslissing van het hof moet komen, zodat de procedure stopt en zowel de kinderen als de ouders duidelijkheid krijgen en een traject van acceptatie in kunnen gaan.

Na de vele pogingen tot het inzetten van hulpverlening aan ouders voor het gezamenlijk vormgeven van het ouderschap, is gebleken dat dit niet van de grond komt en dat ouders blijven polariseren. Er moet niet langer ingezet worden op hulpverleningstrajecten voor de ouders om de onderlinge strijd te verminderen en de communicatie en/of de samenwerking te verbeteren. De raad ziet hier geen heil meer in.

Wel kan ingezet worden op het verbeteren en ondersteunen van de relatie tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die door de ontstane situatie onder druk is komen te staan en zelfs beschadigd is. Daar is hulpverlening bij nodig. Omdat de ouders niet in staat zijn een eenduidige hulpvraag te formuleren, moet deze hulpvraag door de GI geformuleerd worden. Beide jongens moeten in een omgeving zijn waar de kans het grootst is voor het slagen van deze hulpverlening inclusief de emotionele toestemming die zij hiervoor ervaren.

3.12.4.

De raad adviseert het hof het hoofdverblijf van beide jongens bij de moeder te bepalen.

De raad concludeert dat de belangen van [minderjarige 1] gewijzigd zijn ten opzichte van 2017. [minderjarige 1] vraagt hetzelfde van zijn ouders als in 2017, maar het is gebleken dat de ouders hier, met behulp van hulpverlening, geen gehoor aan hebben kunnen geven. Hierdoor is [minderjarige 1] in een positie terechtgekomen waarin hij is gaan kiezen en splitten. Dit had [minderjarige 1] nodig om zich staande te houden in een situatie die voor hem onhoudbaar was. Een situatie waarin met name de vader de moeder diskwalificeert, onvoldoende ruimte geeft in haar rol als moeder van de kinderen en zijn eigen zienswijze leidend heeft laten zijn boven de behoefte van de kinderen. De raad kan zich daarnaast goed indenken dat de wijze waarop de moeder met de vader communiceert niet aansluit bij wat de vader voor ogen heeft, hetgeen op moeders conto valt te schrijven. De moeder gaat mee in de stem van de kinderen en kan zich nu wat meer verschuilen achter het “gevecht” van [minderjarige 1] en persisteert; de vader vecht en gaat meer diskwalificeren. Beide handelingswijzen zijn niet in het belang van de kinderen, waarbij zichtbaar en hoorbaar is dat de kinderen meer last hebben van de zienswijze / handelingswijze van de vader.

Het bijzondere is dat de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet zijn gewijzigd en opzichte van 2017, maar wel de manier waarop zij hun behoeften zijn gaan uiten.

Uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat het hof een beslissing rondom het hoofdverblijf van de kinderen voortdurend heeft uitgesteld, in de hoop dat hulpverlening op gang zou komen. Steeds ook met enigszins uitgesproken commitment van de ouders, maar in de praktijk geen standhoudend commitment.

In de hulpverlening waar het hof bij voortduring op heeft gefocust, én waar de GI in is blijven zitten, ziet de raad geen heil meer. Het is de ouders ook in deze interventies niet gelukt, waardoor de aanvaardbare termijn om rust te creëren in de opvoedingssituatie reeds lang en breed is verstreken. Adequate hulpverlening komt niet van de grond, ook niet voor [minderjarige 1] persoonlijk of voor de jongens onderling, terwijl niet alleen de GI maar ook school aangeeft dat dit nodig is. Hulpverlening stokt immers op de steeds weer terugkerende polarisatie tussen de ouders, die niet te doorbreken valt.

De raad komt tot de conclusie dat sprake is van een dermate grote cultuurkloof tussen de ouders dat het een fundamenteel element is geworden binnen de zienswijze van de ouders betreffende de opvoeding van de kinderen. Iets wat naar de mening van de raad niet nodig is omdat beide ouders de kinderen een goede opvoedingssituatie kunnen bieden. Het is dus geheel onnodig om de opvoedingssituatie bij de andere ouder in twijfel te trekken. Daar waar de vader in het eerdere raadsonderzoek als de ouder met de “net wat betere” opvoedkwaliteiten naar voren kwam, merkt de raad op dat dit een klein verschil betrof, waarin mogelijk de emotionele gemoedstoestand en de taalbarrière van de moeder heeft meegespeeld. Dit verschil in 2016 wordt nu door de vader veel groter gemaakt dan het daadwerkelijk is geweest.

Ten aanzien van het hoofdverblijf heeft de raad al geconstateerd dat hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader niet langer in zijn belang is. Hoofdverblijf van [minderjarige 1] de bij moeder sluit aan bij de huidige situatie en omstandigheden.

De raad ziet geen mogelijkheden voor [minderjarige 1] in contact met de vader, laat staan verblijf van [minderjarige 1] bij de vader, omdat [minderjarige 1] hierin volledig blokkeert en vader daarin een strijdende en diskwalificerende houding naar de moeder, [minderjarige 1] en de GI laat zien.

Voor [minderjarige 2] geldt dat de raad bij moeder momenteel meer mogelijkheden ziet waarin [minderjarige 2] , zo hij zelf in het gesprek verwoordt, minder belasting voelt in het vrij aangaan van contact met beide ouders. De moeder heeft een ontwikkeling laten zien waarin zij haar eigen emoties beter naar de achtergrond kan schuiven, waardoor zij meer ruimte aan de jongens kan bieden voor de aanwezigheid van de andere ouder. Dit maakt dat de raad er een voorkeur voor heeft om ook de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder te bepalen. In de praktijk zou dit voor [minderjarige 2] veranderen dat hij de tijd die hij nu bij de vader doorbrengt, bij de moeder gaat doorbrengen, en vice versa.

3.12.5.

Ten aanzien van de zorg- en contactregeling adviseert de raad de vader het recht op omgang met [minderjarige 1] voor de duur van één jaar te ontzeggen.

De raad adviseert de volgende verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders en [minderjarige 2]:

- in de ene week van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader;

- in de anderen week van woensdag na school tot vrijdag naar school bij de vader.

Beide ouders zijn in staat ieder afzonderlijk de kinderen fysieke veiligheid te bieden, te onderhouden en er zorg voor te dragen dat de kinderen fysiek toekomen aan wat zij nodig hebben. Geen ouder heeft hierin voorsprong op de andere ouder; zij hebben beiden hun kwaliteiten om dit te doen.

Emotioneel gezien lijkt de moeder beter aansluiting te vinden bij [minderjarige 1] . In het verleden is gebleken dat de vader hier zeker ook gehoor aan kan geven, maar momenteel lukt het de vader minder goed en ziet de raad dit ook doorslaan naar [minderjarige 2] .

De raad kan zich voorstellen dat er pas omgang tussen de vader en [minderjarige 1] kan zijn zodra er passende individuele hulpverlening voor zowel de vader als [minderjarige 1] is opgestart, alsmede passende hulpverlening voor hen gezamenlijk. Daar is tot op heden geen sprake van, zodat mogelijkheden voor een contactregeling tussen de vader en [minderjarige 1] niet worden gezien.

Voor [minderjarige 2] acht de raad een wijziging in de omgang vooralsnog niet noodzakelijk, met dien verstande dat als het hof het hoofdverblijf van [minderjarige 2] zou wijzigen, de contacten (in tijd en frequentie) omgedraaid zouden moeten worden tussen de vader en de moeder.

De raad vraagt de GI nadrukkelijk deze contactregeling eens per drie maanden te evalueren en indien nodig bij te stellen.

3.12.6.

De raad concludeert dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] al klem en verloren zijn geraakt binnen dit gezinssysteem door de uitoefening van gezamenlijk gezag van ouders. Beide jongens worden zeer ernstig in hun emotionele ontwikkeling bedreigd. Het lukt ouders niet om dit om te buigen, ook niet met aangereikte en opgelegde gedwongen hulpverlening. De GI kan binnen deze constructie ook geen adequate stappen zetten t.b.v. de ontwikkeling van de kinderen.

Om deze reden overweegt de raad serieus ambtshalve stappen te zetten om over te gaan tot gezagsbeëindiging van de ouders.

3.13.

De moeder geeft aan het eens te zijn met het advies van de raad, al vindt zij de aangekondigde gezagbeëindigende maatregel te ver gaan.

3.13.1.

De vader kan zich niet vinden in de conclusies en adviezen van de raad en geeft als alternatieve opties:

- herinschrijving en hervatting KUK met aanhouding beslissing inzake hoofdverblijf en gezag, onder handhaving hoofdverblijf [minderjarige 2] bij de vader en [minderjarige 1] bij de moeder;

- niet aanhouden en de ouder waar het kind hoofverblijf heeft belasten met eenhoofdig gezag;

- de vader heeft voorts verzocht een forensisch mediator te benoemen, alvorens te beslissen over hoofdverblijf en de zorg- en contactregeling.

3.13.2.

De GI kan zich vinden in het advies van de raad. Er zijn sinds de start van de ondertoezichtstelling in 2016 al heel veel hulpverleningstrajecten ingezet, maar niets heeft tot het gewenste resultaat geleid. De kinderen zijn hierin ondergesneeuwd geraakt. [minderjarige 1] zit klem tussen de ouders en heeft hulpverlening nodig. Het blijft moeilijk met de vader tot afspraken te komen. De moeder was lange tijd onderdeel van de strijd, maar heeft in juni 2019 een ommezwaai gemaakt, waarbij zij zich heeft opengesteld voor hulpverlening, zich kwetsbaar heeft opgesteld en naar zichzelf is gaan kijken in het belang van de kinderen.

3.13.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hof op 21 april 2020 heeft de raad te kennen gegeven dat er is besloten een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders te vragen. De situatie waarin de kinderen zich thans bevinden is zodanig ernstig dat er zwaar op moet worden ingegrepen.

Zowel de vader als de moeder zijn afzonderlijk van elkaar in staat de kinderen goed op te voeden, maar in de situatie dat ouders gezamenlijk het gezag hebben wordt er veel te weinig voor de kinderen gedaan en zitten zij klem tussen de ouders.

Als ouders met (verdere) hulpverlening aan slag willen, moeten zij dat zeker doen, maar daar kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer op wachten.

3.14.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Verzoek benoeming forensisch mediator

3.15.

Op grond van artikel 194 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een deskundigenbericht bevelen.

Het hof acht zich echter op basis van alle informatie die zich thans in het dossier bevindt, voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen.

3.15.1.

Voor zover is beoogd een verzoek te doen in de zin van artikel 810a lid 2 Rv (nog daargelaten de vraag of is voldaan aan de vereisten voor het doen van een dergelijk verzoek), is het hof van oordeel dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet. De strijd tussen de ouders duurt, ondanks alle pogingen hulpverlening ter beëindiging van deze strijd op te starten, al jaren onverminderd voort en de kinderen zitten klem tussen de ouders. Er is inmiddels zoveel tijd verstreken dat het niet in het belang van de kinderen is alsnog een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 810a lid 2 Rv te gelasten. De kinderen kunnen hier niet langer op wachten. Het is in hun belang dat er thans een beslissing wordt genomen.

Het hof zal het verzoek tot het benoemen van een forensisch mediator gelet op het voorgaande dan ook afwijzen.

Hoofdverblijf

3.16.

De vader verzet zich niet langer tegen het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de moeder.

Ten aanzien van [minderjarige 2] wenst de vader dat zijn hoofdverblijf bij hem gehandhaafd blijft. De raad adviseert het hoofdverblijf van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] bij de moeder te bepalen. Dit advies wordt door de moeder en de GI onderschreven.

3.16.1.

Gegeven de feitelijke situatie, waarin [minderjarige 1] in het kader van de ondertoezichtstelling uit huis is geplaatst bij de moeder, kan het hof thans niet anders dan het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de moeder te bepalen.

Het hof zal het verzoek van de moeder het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar te bepalen afwijzen. De raad heeft inmiddels bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het nemen van een gezagsbeëindigende maatregel of gaat een dergelijk verzoek op korte termijn indienen. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige 2] om, in de relatief korte periode die nog rest voordat de rechtbank op dit verzoek van de raad zal beslissen, zijn hoofdverblijf te wijzigen. Er bestaan weliswaar zorgen over [minderjarige 2] , maar die zijn onvoldoende om thans op de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot gezagsbeëindiging vooruit te lopen.

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken

3.17.

Het hof ziet onvoldoende reden het advies van de raad, de vader het recht op omgang met [minderjarige 1] voor de duur van een jaar te ontzeggen (nog los van het feit dat de moeder dit niet heeft verzocht), te volgen. Ontzegging leidt tot een totaal verbod op contact. Nu niet is gebleken dat daartoe in deze kwestie noodzaak bestaat – er loopt een ots waarbinnen de GI met de ouders en [minderjarige 1] kan beproeven of en zo ja, in welke mate, enige vorm van contact tussen de vader en [minderjarige 1] mogelijk zal zijn – is er geen aanleiding omgang geheel te ontzeggen.

Het hof zal de zorg- en contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 2] vaststellen zoals die regeling tussen partijen is overeengekomen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 25 mei 2018 en zoals die regeling feitelijk sindsdien loopt. Dit in afwachting van de beslissing van de rechtbank in de procedure tot beëindiging van het gezag van de ouders.

Onder de gegeven omstandigheden zal het hof het meer of anders verzochte afwijzen.

Alimentatie

3.18.

Nu het hof het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de moeder heeft bepaald, dient het hof te beoordelen of er aanleiding is voor het vaststellen van een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] .

Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat zij afzien van een mondelinge behandeling ten aanzien van de alimentatiekwestie. Dit brengt mee dat:

  1. Het hof beide partijen in de gelegenheid zal stellen om binnen een termijn van twee weken na de datum van deze beschikking nog actuele stukken aan het hof over te leggen, voorzien van een beknopte toelichting. De toelichting mag ook betrekking hebben op eerder in het geding gebrachte stukken. Herhaling van reeds ingebrachte stellingen en toelichtingen dient vermeden te worden.

  2. Op door een partij ingebrachte stukken en / of toelichting mag binnen een termijn van veertien dagen door de andere partij in beknopte vorm worden gereageerd. Nadere stukken worden dan niet meer toegelaten.

  3. Het hof streeft er naar om binnen een termijn van zes weken uitspraak te doen.

  4. Indien een partij zich niet strikt houdt aan het onder 1 en 2 bepaalde kan het hof daaraan gevolgen verbinden die het geraden acht, zo als het buiten beschouwing laten van ingebrachte stukken, stellingen en / of toelichtingen.

4 De beslissing

Het hof:

ten aanzien van het hoofdverblijf en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2017, voor zover het betreft het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 juni 2015 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en de zorgregeling;

bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , bij de moeder;

stelt inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot voornoemde [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] de volgende regeling vast:

- [minderjarige 2] verblijft bij de moeder de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school;

- [minderjarige 1] zal met de vader contact hebben op een wijze zoals die door de GI in de komende periode als haalbaar worden geacht, zulks door de GI te bepalen na overleg met de ouders en na consultatie van [minderjarige 1] .

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

ten aanzien van de kinderalimentatie:

stelt partijen met betrekking tot de kinderalimentatie in de gelegenheid nadere stukken in het geding te brengen en op elkaars stukken te reageren, op de wijze zoals omschreven in rov. 3.18.;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M van Leuven, C.N.M. Antens en E.L. Schaafsma-Beversluis, en is op 11 juni 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens, in tegenwoordigheid van de griffier