Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1770

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
200.274.608_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling heeft geen zin nu de GI zijn wettelijke taak niet kan uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 11 juni 2020

Zaaknummer : 200.274.608/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/351187 / JE RK 19-1513

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. Proenings,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

statutair gevestigd te [statutaire vestigingsplaats] , vestiging [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

Deze zaak gaat over:

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] ;

en

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] .

Als belanghebbenden ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

Als belanghebbende ten aanzien van [de minderjarige 2] wordt aangemerkt:

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de stiefvader;

Als belanghebbende ten aanzien van [de minderjarige 1] wordt aangemerkt:

[belanghebbende 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de stiefmoeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming

gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 29 november 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 21 februari 2020, met producties, ingekomen ter griffie op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder, van 3 maart 2020, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, met bijlagen;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 16 april 2020, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, met als bijlage het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 22 november 2019 ;

- het V8-formulier van 16 maart 2020, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI;

- de stiefvader.

2.4.1.

De vader en de stiefmoeder hebben op 8 mei 2020 het hof telefonisch te kennen gegeven niet naar de mondelinge behandeling te zullen komen.

De raad heeft bij brief van 4 mei 2020 het hof laten weten niet op de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] ,

en

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] .

3.2.

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] berust bij de ouders. [de minderjarige 1] woont bij de vader en de stiefmoeder en [de minderjarige 2] woont bij de moeder en de stiefvader.

3.3.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn onder toezicht gesteld met ingang van 2 juni 2017. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, en voor het laatst bij beschikking van 27 mei 2019 tot 2 december 2019.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd met ingang van 2 december 2019 tot 2 juni 2020. De beschikking is pro forma voor het overige aangehouden tot 18 mei 2020, in afwachting van de rapportage van de GI die uiterlijk 11 mei 2020 aan de rechtbank en de belanghebbenden dient te zijn toegestuurd.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. De moeder kan zich niet vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling én het aanhouden van het resterende deel van het verzoek tot 18 mei 2020. De moeder stelt dat er onvoldoende grond is voor een verlenging. Belangrijkste reden is dat de GI zelf uitdrukkelijk aangeeft geen mogelijkheden meer te zien om de situatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met inzet van hulpverlening te kunnen verbeteren. De GI is daarnaast niet in staat tot uitvoering van haar wettelijke taak. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben veel weerstand tegen de ondertoezichtstelling en zij zijn hulpverleningsmoe. Dit werkt averechts. Daarnaast is de ondertoezichtstelling praktisch onuitvoerbaar. In de afgelopen periode zijn er al 6 gezinsvoogden geweest. Sinds de bestreden beschikking heeft er nog geen enkel gesprek plaatsgevonden met de gezinsvoogdijwerker. Een ondertoezichtstelling heeft daarom geen enkele toegevoegde waarde.

3.7.

De GI voert – kort samengevat – mondeling ter zitting het navolgende aan. De GI is van mening dat de OTS niet meer verlengd dient te worden en zal dan ook geen verzoek tot verlenging bij de rechtbank indienen.

De kinderen zien beiden de andere ouder niet en ook zien zij elkaar niet. Desondanks gaat het heel goed met de kinderen ieder in hun eigen gezin.

Er zijn geen problemen in verband met het vragen van toestemming aan de andere ouder bijvoorbeeld voor reizen naar het buitenland.

De kinderen zijn klaar met de hulpverlening en het voortzetten van de gedwongen hulpverlening in het kader van een OTS is op dit moment een even grote ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen als het feit dat zij de andere ouder en hun broer/zus niet zien.

De GI geeft aan niet meer zo veel voor deze kinderen te kunnen doen.

De juridische strijd tussen de ouders is nog niet beëindigd en daarom is het KUK traject stopgezet. Er is geen parallel ouderschap mogelijk gebleken. De ouders willen daarover niet in gesprek gaan. Aan de wens van de kinderrechter dat met de ouders gesprekken gevoerd zullen gaan worden en te komen tot een situatie waarin ouders zich proberen te voorzien van therapeutische hulp om inzicht in eigen situatie en problematiek te krijgen, is dan ook niet voldaan.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden, die het hof overneemt en na eigen afweging en waardering tot de zijne maakt, de rechtbank in de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 2 december 2019 tot 2 juni 2020 heeft verlengd. In die beschikking heeft de rechtbank een duidelijke opdracht aan de GI en de ouders gegeven.

Het hof heeft moeten constateren dat de ouders niet aan deze opdracht hebben voldaan.

De ouders zijn nog steeds met elkaar in strijd en dat impliceert dat het voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds niet haalbaar is dat zij onbelast contact kunnen opbouwen met de andere ouder of met elkaar. Dat is een bedreiging van de identiteitsontwikkeling van de kinderen en daarmee een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen.

Het hof constateert verder dat de GI niet in staat is aan de door de rechtbank aan haar verstrekte opdracht te voldoen. De GI geeft aan dat het met de beide kinderen ondanks die ontwikkelingsbedreiging heel goed gaat en dat zij voor deze kinderen niet zoveel meer kan betekenen. Zij zal dan ook geen verzoek tot verlenging van de OTS bij de rechtbank indienen.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat, wat er ook verder zij van de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, inmiddels duidelijk is geworden dat de GI met deze ouders niet in staat is verder aan die ontwikkelingsbedreiging te werken en de GI derhalve niet in staat is om haar wettelijke taak zoals bedoeld in art. 1:262 BW uit te voeren. Nu de kinderen hebben aangegeven hulpverleningsmoe te zijn en naar rust te verlangen, begrijpt het hof de keuze van de GI voor het niet verder verlengen van de ondertoezichtstelling. Gelet op het feit dat de huidige ondertoezichtstelling op 2 juni 2020 is afgelopen en er naar het oordeel van het hof geen gronden zijn om de ondertoezichtstelling eerder dan 2 juni 2020 te beëindigen, leidt dit tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3.7.4.

Het hof voegt hier aan toe dat de ouders ieder hun verantwoordelijkheid zullen moeten nemen om hun eigen rol in deze ouderproblematiek onder ogen te zien en wat de gevolgen hiervan zijn voor het welzijn van hun kinderen. Zij dienen zicht te realiseren dat de onderlinge strijd tussen de ouders de kinderen zwaar belast en dat dat in de toekomst een nog grotere impact kan hebben op de beide kinderen dan nu reeds het geval is. Het is dan ook, dringend noodzakelijk dat de ouders, zo nodig met hulpverlening, aan deze ouderproblematiek gaan werken. Het hof vertrouwt er op dat indien de kinderen weer openstaan voor contact met elkaar of met de andere ouder, zij daarvoor van de ouder bij wie zij wonen de toestemming en de ruimte zullen krijgen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 29 november 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 11 juni 2020 in het openbaar uitgesproken door mr. C.D.M. Lamers in tegenwoordigheid van de griffier.