Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1768

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
200.272.057_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling. Ernstige ontwikkelingsbedreiging, minderjarige twee keer eerder onder toezicht gesteld. Nadien ambulante en residentiele hulpverlening. Zorgen zijn weer dusdanig toegenomen dat een ondertoezichtstelling volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 11 juni 2020

Zaaknummer : 200.272.057/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/268875 / JE RK 19-224

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

en

[appellant] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie 1] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

regio Zuid-Limburg, locatie [locatie 2] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 8 januari 2020, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek ondertoezichtstelling van de raad af te wijzen, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de brief van 28 februari 2020, met bijlagen, van de advocaat van de ouders, ingekomen bij het hof op 3 maart 2020;

- het V6-formulier van de advocaat van de ouders van 4 maart 2020, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.

De GI is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verschenen.

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 10 maart 2020 buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft na een schorsing voor beraad partijen medegedeeld een nieuwe mondelinge behandeling te zullen inplannen, om daarmee de GI nogmaals in de gelegenheid te stellen te verschijnen.

2.7.

Het hof heeft nadien kennis genomen van:

- de brief van de GI van 19 maart 2020, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.8.

De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.8.1.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is

geboren:

- [de minderjarige] , op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

3.2.

De moeder en de vader oefenen het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] met ingang van 15 juli 2015.

3.3.

[de minderjarige] woont bij de moeder.

3.4.

[de minderjarige] is in 2009 vanaf 1 mei 2009 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van 6 maanden. Daarna is [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld over de periode 13 februari 2015 tot 30 september 2017.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 oktober 2019 voor de duur van twaalf maanden.

3.6.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.1.

De ouders voeren – kort samengevat – het volgende aan. De ouders staan niet achter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Er zijn namelijk nog voldoende mogelijkheden in het vrijwillig kader. De ouders zijn actief op zoek naar de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] , maar het is tot op heden niet gelukt om deze hulp op te starten. Dit kan de ouders niet verweten worden. Bovendien is de eerdere ondertoezichtstelling van [de minderjarige] in 2017 goed afgesloten. De ouders betwisten dat er sprake is van (ernstig) middelengebruik door [de minderjarige] en de ouders zijn niet bekend met enige vervolging van [de minderjarige] door politie en justitie. Daar komt bij dat de GI pas maanden na de bestreden beschikking een eerste gesprek met de ouders en [de minderjarige] heeft gehad. Er is door de GI nog geen plan opgesteld of hulpverlening ingezet. Een ondertoezichtstelling heeft volgens de ouders daarom geen meerwaarde.

3.7.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [de minderjarige] is twee keer eerder onder toezicht gesteld. Ook is er nog intensieve ambulante en residentiële hulp geweest voor [de minderjarige] . Ondanks al deze hulpverlening lukt het de ouders nog steeds niet de zorgen blijvend weg te nemen. Het is nodig dat er een professional komt die de regie voert.

3.8.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. Ook de GI heeft ernstige zorgen over [de minderjarige] en is van mening dat zij hulpverlening nodig heeft. De GI denkt daarbij aan dierentherapie, die mogelijk ook op de zorgboerderij kan worden ingezet. Ook vindt er op korte termijn een gesprek plaats met de Koraalgroep, waarbij onderzocht zal worden welke hulp [de minderjarige] verder nodig heeft. Het lukt de ouders helaas niet om de benodigde hulpverlening zelf in gang te zetten. Het contact tussen de GI en de ouders en [de minderjarige] verloopt goed.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, omdat de moeder en [de minderjarige] de Ierse nationaliteit hebben. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof onderschrijft, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Het hof zal, nu daartegen geen grieven zijn gericht, net als de rechtbank Nederlands recht toepassen.

3.8.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.8.3.1. Er zijn al lange tijd ernstige zorgen over [de minderjarige] . [de minderjarige] is in het verleden twee keer eerder onder toezicht gesteld, waarvan de laatste ondertoezichtstelling in 2017 is geëindigd. Daarnaast is [de minderjarige] in de periode mei 2017 tot september 2018 opgenomen geweest op een intensieve behandelgroep van Gastenhof [vestigingsnaam] . Vervolgens is [de minderjarige] weer bij de moeder gaan wonen. [de minderjarige] heeft hulpverlening gekregen vanuit de Koraalgroep (Intensieve Ambulante Thuisbegeleiding) en later vanuit Jet Jeugdzorg. Ondanks alle hulpverleningstrajecten zijn de zorgen over [de minderjarige] weer toegenomen.

Volgens de raadsrapportage van 12 september 2019 is [de minderjarige] gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis. Ook heeft zij last van stemmingswisselingen en heeft zij moeite om met haar angsten om te kunnen gaan. [de minderjarige] kampt daarnaast met trauma’s ten gevolge van huiselijk geweld, de scheiding van haar ouders en het overlijden van vrienden. Uit de rapportage blijkt verder dat [de minderjarige] negatieve sociale contacten heeft gehad en zij door de politie meerdere keren is aangetroffen in onveilige situaties. Ook zijn er zorgen over middelengebruik en is er sprake van verbale en fysieke agressie tussen de moeder en [de minderjarige] . Daar komt bij dat [de minderjarige] al sinds begin 2019 niet meer naar school gaat. De ouders zijn onvoldoende in staat geweest [de minderjarige] hierin te sturen en haar een veilig, stabiel en voorspelbaar opvoedklimaat te bieden. De raad heeft aangegeven dat het tij nu gekeerd moet worden, om daarmee een uithuisplaatsing van [de minderjarige] te voorkomen. Gelet op het voorgaande is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] .

3.8.3.2. Gebleken is dat beide ouders, maar ook [de minderjarige] , inzien dat er passende hulpverlening moet komen. Hoewel de moeder aangeeft dat zij haar uiterste best heeft gedaan de benodigde hulpverlening in te schakelen, is dit niet gelukt. De moeder wijt dit met name aan bureaucratische regels, en zij legt de oorzaak voor het feit dat het haar niet gelukt is de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] in te schakelen, daarmee buiten zichzelf. Daar komt bij dat de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof niet hebben kunnen benoemen welke hulp voor [de minderjarige] in het vrijwillig kader ingeschakeld zou kunnen worden. Vast staat dat er op dit moment geen hulpverlening voor [de minderjarige] in het vrijwillig kader door de ouders is geregeld en dat betekent dat het vrijwillig kader op dit moment niet toereikend is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.

Hoewel het hof helaas heeft moeten constateren dat ook de (gedwongen) hulpverlening in het kader van de OTS traag op gang is gekomen, lijkt daar nu een kentering in te zijn komen. De gezinsvoogdijwerker is tijdens de tweede mondelinge behandeling bij het hof verschenen en zij heeft aangegeven in februari 2020 met de ouders en met [de minderjarige] kennis te hebben gemaakt. De GI heeft er inmiddels voor gezorgd dat [de minderjarige] naar een zorgboerderij gaat, (helaas ligt dit nu in verband met de corona-crisis stil) en er is op korte termijn een afspraak met de Koraalgroep gepland. Daar zal onderzocht worden welke hulpverlening er voor [de minderjarige] en het gezinssysteem ingezet dient te worden. Voorts hebben zowel de ouders als de GI aangegeven dat er een goed wederzijds contact is, en daarmee lijkt het erop dat deze gezinsvoogdijwerker een ingang heeft in dit gezin.

Het hof acht het noodzakelijk dat de GI de benodigde hulpverlening voor zowel [de minderjarige] als voor het systeem waarbinnen zij opgroeit, verder in gang zet en ook houdt.

3.8.3.3. Nu niet is gebleken dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] voor hun rekening te nemen, betekent dit dat aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling is voldaan.

3.9.

Het voorgaande leidt er toe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 oktober 2019,

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 11 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.