Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1763

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
20-001385-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt een gevangenisstraf op van 8 maanden voor medeplichtigheid aan voorbereidingshandelingen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10a
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 49
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001385-18

Uitspraak : 11 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993319-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren conform de rechtbank en aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2015 tot en met 08 januari 2016 te [adres 1] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende amfetamine, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of

- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heef/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders opzettelijk daartoe

- een loods en/of twee koelcellen en/of een silo (gelegen aan de [adres 1] ) ter beschikking gesteld en/of (in voornoemde loods en/of koelcellen en/of silo)

- 40 x 25 liter jerrycans, allen gevuld met zoutzuur en/of

- 40 x 25 kilogram zakken, allen gevuld met caustic soda en/of

- 1 emmer met ongeveer 5 kilogram BMK-glycidezuur en/of

- 1 emmer met ongeveer 5 kilogram citroenzuur en/of

- 10 x 25 liter jerrycans, waarvan 9x vol en 1x 20 liter zoutzuur bevattende en/of

- 2 x 30 liter jerrycans, gevuld met mierenzuur en/of

- 2 x 25 liter jerrycans, waarvan 1x geheel gevuld en 1x 23 liter formamide en/of

- 2 x 200 liter dopvaten, beiden geheel gevuld met formamide en/of

- 3 x 25 kilogram zakken, gevuld met citroenzuur (merk Liwau), waarvan 1 zak was aangebroken en/of

- 7 x 25 kilogram zakken, gevuld met citroenzuur (merk RZBC) en/of

- 6 x 25 kilogram zakken met caustic soda (merk Anwill),

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische drugs(productie) en/of

- 3 x 1.000 liter IBC('s) en/of

- 10 x klemdekselvaten en/of

- 6 x 25 liter jerrycans (schoon en ongebruikt) en/of

- 5 plastic kratten gevuld met pollepels, trechter, handbediende vloeistofpompen, gasslangen, slangenklemmen, T-meter tot 160 graden Celsius, elektrische temperatuurmeter en diverse kunststof koppelstukken en/of

- een RVS reactievat met reflux en/of

- 40 x 150 liter klemdekselvaten en/of

- 4 x 60 liter klemdekselvaten en/of

- 6 x 30 liter klemdekselvaten en/of

- 5 x metalen "au-bain-marie"-bakken, waarin onder andere in 4 bakken gele waterslangen, koppelingen, reduceer ventielen, 12 gasbranders met slangen, gasslangen, een emmer met bouten en moeren ten behoeve van een reactievat, een metalen buis met afsluiter, een pijpentang en een 25 liter jerrycan en/of

- een amfetamine destillatieketel; met 3 gasbranders, een destillatiespiraal en een opvangvat en/of

- een amfetamine reactievat met reflux, inhoud 630 liter en/of

- 1 grote en 9 kleine gasbranders

ontvangen en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:


een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2015 tot en met 08 januari 2016 te [adres 1] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende amfetamine, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of

- een of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heef/hebben gehad, waarvan die een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebbende voornoemde tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk daartoe

- een loods en/of twee koelcellen en/of een silo (gelegen aan de [adres 1] ) in gebruik genomen en/of

(in voornoemde loods en/of koelcellen en/of silo)

- 40 x 25 liter jerrycans, allen gevuld met zoutzuur en/of

- 40 x 25 kilogram zakken, allen gevuld met caustic soda en/of

- 1 emmer met ongeveer 5 kilogram BMK-glycidezuur en/of

- 1 emmer met ongeveer 5 kilogram citroenzuur en/of

- 10 x 25 liter jerrycans, waarvan 9x vol en 1x 20 liter zoutzuur bevattende en/of

- 2 x 30 liter jerrycans, gevuld met mierenzuur en/of

- 2 x 25 liter jerrycans, waarvan 1x geheel gevuld en 1x 23 liter formamide en/of

- 2 x 200 liter dopvaten, beiden geheel gevuld met formamide en/of

- 3 x 25 kilogram zakken, gevuld met citroenzuur (merk Liwau), waarvan 1 zak was aangebroken en/of

- 7 x 25 kilogram zakken, gevuld met citroenzuur (merk RZBC) en/of

- 6 x 25 kilogram zakken met caustic soda (merk Anwill),

in elke geval (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën ten behoeve van synthetische

drugs(productie) en/of

- 3 x 1.000 liter IBC('s) en/of

- 10 x klemdekselvaten en/of

- 6 x 25 liter jerrycans (schoon en ongebruikt) en/of

- 5 plastic kratten gevuld met pollepels, trechter, handbediende vloeistofpompen, gasslangen, slangenklemmen, T-meter tot 160 graden Celsius, elektrische temperatuurmeter en diverse kunststof koppelstukken en/of

- een RVS reactievat met reflux en/of

- 40 x 150 liter klemdekselvaten en/of

- 4 x 60 liter klemdekselvaten en/of

- 6 x 30 liter klemdekselvaten en/of

- 5 x metalen "au-bain-marie"-bakken, waarin onder andere in 4 bakken gele waterslangen, koppelingen, reduceer ventielen, 12 gasbranders met slangen, gasslangen, een emmer met bouten en moeren ten behoeve van een reactievat, een metalen buis met afsluiter, een pijpentang en een 25 liter jerrycan en/of

- een amfetamine destillatieketel; met 3 gasbranders, een destillatiespiraal en een opvangvat en/of

- een amfetamine reactievat met reflux, inhoud 630 liter en/of

- 1 grote en 9 kleine gasbranders

ontvangen en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad

tot/bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 18 december 2015 tot en met 08 januari 2016 te [adres 1] , in elk geval in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een loods en/of twee koelcellen en/of een silo (gelegen aan de [adres 1] ) ter beschikking te stellen aan die tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en);

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat ten aanzien van medeplegen het volgende toetsingskader geldt. In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte voor het medeplegen een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Met de raadsman en de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het te laste gelegde is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht voor het aannemen van medeplegen.

Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) in de periode van 18 december

2015 tot en met 08 januari 2016 te [adres 1] , om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben gehad, waarvan die tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) wist(en) dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebbende voornoemde tot nu toe onbekend gebleven personen opzettelijk daartoe

- een loods en twee koelcellen en een silo, gelegen aan de [adres 1] , in gebruik genomen en

(in voornoemde loods en/of koelcellen en/of silo)

- 40 x 25 liter jerrycans, allen gevuld met zoutzuur en

- 40 x 25 kilogram zakken, allen gevuld met caustic soda en

- 1 emmer met ongeveer 5 kilogram BMK-glycidezuur en

- 1 emmer met ongeveer 5 kilogram citroenzuur en

- 10 x 25 liter jerrycans, waarvan 9x vol en lx 20 liter zoutzuur bevattende en

- 2 x 30 liter jerrycans, gevuld met mierenzuur en

- 2 x 25 liter jerrycans, waarvan lx geheel gevuld en lx 23 liter formamide en

- 2 x 200 liter dopvaten, beiden geheel gevuld met formamide en

- 3 x 25 kilogram zakken, gevuld met citroenzuur (merk Liwau), waarvan 1 zak was aangebroken en

- 7 x 25 kilogram zakken, gevuld met citroenzuur (merk RZBC) en

- 6 x 25 kilogram zakken met caustic soda (merk Anwill),

ten behoeve van synthetische drugsproductie

en

- 3 x 1.000 liter IBC('s) en

- 10 x klemdekselvaten en

- 6 x 25 liter jerrycans (schoon en ongebruikt) en

- 5 plastic kratten gevuld met pollepels, trechter, handbediende vloeistofpompen, gasslangen, slangenklemmen, T-meter tot 160 graden Celsius, elektrische temperatuurmeter en diverse kunststof koppelstukken en/of

- een RVS reactievat met reflux en

- 40 x 150 liter klemdekselvaten en

- 4 x 60 liter klemdekselvaten en

- 6 x 30 liter klemdekselvaten en

- 5 x metalen "au-bain-marie"-bakken, waarin onder andere in 4 bakken gele waterslangen, koppelingen, reduceer ventielen, 12 gasbranders met slangen, gasslangen, een emmer met bouten en moeren ten behoeve van een reactievat, een metalen buis met afsluiter, een pijpentang en een 25 liter jerrycan en

- een amfetamine destillatieketel; met 3 gasbranders, een destillatiespiraal en een opvangvat en

- een amfetamine reactievat met reflux, inhoud 630 liter en

- 1 grote en 9 kleine gasbranders

opgeslagen en voorhanden gehad

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 18 december 2015 tot en met 08 januari 2016 te [adres 1] , opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door

- een loods en twee koelcellen en een silo, gelegen aan de [adres 1] , ter beschikking te stellen aan die tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en).

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Medeplichtigheid

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat aangevoerd dat verdachte ontkent geweten te hebben van de chemicaliën en de overige voorwerpen in de loods. Voorafgaande aan zijn reis naar Polen is verdachte benaderd door [betrokkene] , die de koelcellen in zijn loods wilde huren voor de opslag van groenten. Verdachte is mondeling akkoord gegaan onder de afspraak dat een en ander zou worden geformaliseerd na zijn terugkomst in Polen.

Verdachte was niet op de hoogte van de aanwezigheid van de chemicaliën en de

overige voorwerpen en hij hoefde daar ook niet bedacht op te zijn en dient daarom te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop, dat het kernverwijt bij medeplichtigheid is het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474). De medeplichtigheid kan bestaan uit het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf (simultane/gelijktijdige medeplichtigheid), dan wel het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf (consecutieve/voorafgaande medeplichtigheid). Echter, een strikt onderscheid dient tussen beide vormen niet te worden gemaakt, omdat dit niet strookt met de omstandigheid dat

– zoals ook in art. 49, vierde lid, Sr tot uitdrukking is gebracht – art. 48 Sr als kernverwijt bedoelt strafbaar te stellen het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, rov. 2.2.).

Vereist is daarbij dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf als

bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° en 2°, Sr, maar ook dat verdachtes opzet al dan niet in

voorwaardelijke vorm was gericht op dit misdrijf (vgl. HR 13 november 2001,

ECLI:NL:HR:2001:AD4372). Voorwaardelijk opzet is dan aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat misdrijf zal worden begaan. De beantwoording van de vraag of de aanmerkelijke kans op het betreffende misdrijf daarbij door de verdachte bewust is aanvaard, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij moet worden gesteld dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Het gaat bij de 'handelingen' van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan (vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780, NJ 2008/156 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342). Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67, rov. 2.3.).

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte

bij het ten laste gelegde het volgende af.

In de loods en in de twee inpandige koelcellen en silo te [adres 1] , toebehorende aan

verdachte, zijn op 8 januari 2016 grote hoeveelheden chemicaliën en voorwerpen ten

behoeve van de productie van synthetische drugs aangetroffen.

Verdachte heeft in de week vóór Kerstmis de koelcellen in de loods verhuurd aan een

persoon waarvan hij alleen de naam kent. Verder kan verdachte geen persoonsgegevens van deze persoon geven. Verdachte beschikt ook niet over een schriftelijke huurovereenkomst.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van en na Kerstmis twee weken op vakantie

is geweest tot 3 januari 2016 en derhalve in die periode niet bij de loods is geweest. Het hof ziet geen aanleiding aan deze verklaring te twijfelen en gaat er dan ook vanuit dat

verdachte vanaf 3 januari 2016 weer thuis was en toegang had tot de loods.

In de loods werd door de opsporingsambtenaren op 8 januari 2016 een sterke, aan synthetische drugsproductie, gerelateerde chemicaliëngeur geroken. De chemicaliën en

overige drugs gerelateerde voorwerpen stonden op meerdere plaatsen in de loods en de

koelcellen en waren goed zichtbaar.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 7 januari 2016 tussen 19.45 uur en 20.20 uur een

levering van chemicaliën in de loods heeft plaatsgevonden. De chauffeur van deze vracht,

[chauffeur] , heeft verklaard dat hij de zakken en jerrycans vlak achter de

toegangsdeuren van de loods heeft gelost.

Na terugkomst van verdachte uit Polen op 3 januari 2016 is verdachte meerdere keren in

zijn loods geweest. Ook op 7 januari 2016 is verdachte meerdere keren, waaronder ook nog

om 22.30 uur, dus ná de levering van chemicaliën die dag, in zijn loods geweest.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, met name de waargenomen sterke chemische geur in de loods, de voor eenieder in de loods duidelijk waarneembare chemicaliën en aanverwante voorwerpen en het feit dat verdachte vanaf 3 januari 2016 tot en met 7 januari 2016 meerdere keren in de loods is geweest, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte op de hoogte was van de in zijn loods aanwezige chemicaliën en de overige voorwerpen. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij niet heeft gezien dat de chemicaliën en overige voorwerpen in de loods lagen, gelet op het hiervoor overwogene, volstrekt ongeloofwaardig en gaat dan ook aan deze verklaring voorbij.

Van verdachte kon minst genomen worden verwacht dat hij nader onderzoek zou doen naar de in zijn loods opgeslagen chemicaliën en voorwerpen en naar de persoon aan wie hij de loods had verhuurd. Nu nader onderzoek van de zijde van verdachte is uitgebleven, heeft hij door onder de gegeven omstandigheden gelegenheid te verschaffen tot het opslaan van de chemicaliën en voorwerpen, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de chemicaliën die werden opgeslagen, zouden worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs.

De medeplichtigheid van de verdachte bestond uit het leveren van een faciliterende bijdrage, te weten het ter beschikking stellen van een loods en twee koelcellen. Daarmee heeft de verdachte aan een ander of anderen de gelegenheid verschaft om, ter voorbereiding van een strafbaar feit uit de Opiumwet, spullen en chemicaliën op te slaan en voorhanden te hebben. Door aldus te handelen hebben betreffende voorbereidingshandelingen plaats kunnen vinden.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte zowel opzet had op het verschaffen van gelegenheid, door zijn loods en koelcellen ter beschikking te stellen, als voorwaardelijk opzet op het gronddelict, de voorbereidingshandelingen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door opzettelijk gelegenheid tot het plegen van dat feit te verschaffen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zijn loods en koelcellen ter beschikking gesteld voor de opslag van

chemicaliën en voorwerpen voor de productie van synthetische drugs. Daarmee heeft

verdachte de producenten van synthetische drugs gefaciliteerd en was hij een essentiële

schakel in het geheel. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de productie van

synthetische drugs. Hierdoor heeft hij ook bijgedragen aan de instandhouding van het

illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat de productie en handel van drugs gepaard gaat

met (zware) criminaliteit, gevaar voor de omgeving en milieuschade. Het gebruik van drugs

heeft ook nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor gebruikers.

Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich

niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij.

En blijkens zijn strafblad heeft verdachte al eerder voor drugs gerelateerde feiten veroordeeld.

Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 23 maart 2016, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 20 april 2018 vonnis gewezen. Hiertegen is op 23 april 2018 hoger beroep ingesteld namens verdachte. Het hof wijst dit arrest op 11 juni 2020. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is derhalve sprake van schending van de redelijke termijn en wel met een periode van ongeveer één maand en drie weken. Echter, wanneer het strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, is er geen sprake van een schending van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden anders dan de enkele constatering dat de termijn in hoger beroep is geschonden.

Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 48, 49 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 11 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.