Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1732

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
20-004104-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld ter zake van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Het hof heeft de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden gelast en het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004104-18

Uitspraak : 8 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 december 2018 in de strafzaak met parketnummer

03-700214-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

thans verblijvende in Vught PPC te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot moord (feit 1 primair) vrijgesproken en heeft de rechtbank de aan verdachte ten laste gelegde poging tot doodslag (feit 1 subsidiair) en poging tot zware mishandeling (feit 2 primair) bewezen verklaard.

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair volledig ontoerekenings-vatbaar verklaard, hem derhalve niet strafbaar verklaard en hem ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 2 primair heeft de rechtbank geoordeeld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en de rechtbank heeft voor dit feit geen straf opgelegd. De rechtbank heeft de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging gelast.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] ter grootte van € 14.476,00 is door de rechtbank volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is ten aanzien van de gevorderde kosten rechtsbijstand niet-ontvankelijk verklaard.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is door de raadsman bij akte d.d. 27 december 2018 uitdrukkelijk beperkt tot de bewezenverklaring van feit 1 en de oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts te kennen gegeven dat de bezwaren tegen de bewezenverklaring van feit 1 niet langer worden gehandhaafd.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank abusievelijk in het dictum van het vonnis heeft opgenomen dat de maatregel tbs met dwangverpleging enkel ten aanzien van feit 1 subsidiair is gelast. In de tweede alinea op pagina 12 van het vonnis heeft de rechtbank na het vermelden van de twee bewezen verklaarde feiten namelijk overwogen dat ten aanzien van “deze zeer ernstige feiten” geen straf opgelegd zal worden, maar dat een maatregel zal worden gelast om gevaar voor herhaling te voorkomen. Bovendien overweegt de rechtbank in de derde alinea op pagina 13 dat, hoewel de verdachte deels toerekeningsvatbaar is te achten voor feit 2 primair, met de oplegging van een straf geen redelijk strafdoel wordt gediend en dat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 37a Wetboek van Strafrecht voor dat feit geen straf zal opleggen.

In artikel 37a, tweede lid, Wetboek van Strafrecht wordt bepaald dat bij toepassing van het eerste lid (het geven van een last tot terbeschikkingstelling) de rechter kan afzien van het opleggen van straf, ook indien hij ‘bevindt dat het feit wel (al dan niet verminderd, hof) aan de verdachte kan worden toegerekend’.

Gelet op het voorgaande leest het hof, met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging, het dictum van het vonnis in dier voege dat de maatregel tbs met dwangverpleging ten aanzien van feit 1 subsidiair èn feit 2 primair is gelast. Derhalve is de sanctionering van beide ten laste gelegde feiten aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde maatregel van tbs met dwangverpleging en, opnieuw rechtdoende, dat het hof het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging tot verplichte zorg zal afwijzen en de maatregel van tbs met voorwaarden zal gelasten. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis ook op deze punten zal bevestigen, waarbij de advocaat-generaal zich gerefereerd heeft aan het oordeel van het hof ter zake van de gevorderde kosten van rechtsbijstand.

De verdediging heeft bepleit dat het hof een zorgmachtiging tot verplichte zorg zal verlenen in plaats van te gelasten dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met het bevel tot dwangverpleging. De verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] niet betwist en ten aanzien van de gevorderde kosten van rechtsbijstand heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de opgelegde sanctie, de beslissing ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] en de aan te halen wetsartikelen.

Op te leggen sanctie

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is

verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de

persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren

is gekomen.

Op 31 mei 2018 heeft de verdachte [benadeelde/slachtoffer] met geschoeide voet tegen het hoofd

getrapt, als gevolg waarvan [benadeelde/slachtoffer] letsel aan zijn kaak heeft opgelopen. Een dag later

heeft de verdachte geprobeerd om [benadeelde/slachtoffer] te doden, door hem met een mes 15 keer te

steken in hoofd, hals en bovenlichaam. [benadeelde/slachtoffer] heeft voor zijn leven moeten vrezen. Ook uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt welke enorme impact het steekincident op het slachtoffer en zijn familie heeft gehad en nog steeds heeft. Hoewel het lichamelijk wel heel redelijk gaat, heeft [benadeelde/slachtoffer] het mentaal nog steeds moeilijk. Daarvoor is hij ook nog onder psychologische behandeling. Hij is door het gebeuren een ander persoon geworden en heeft nog veel woede in zich. Het vinden en behouden van een baan kost door de verminderde concentratie veel moeite.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging tot verplichte zorg zal afwijzen en dat het hof de maatregel tbs met voorwaarden zal gelasten.

De verdediging heeft bepleit dat het hof het verzoek tot het verlenen van een zorg-machtiging tot verplichte zorg zal toewijzen, in plaats van de maatregel tbs met dwangverpleging of met voorwaarden te gelasten.

Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.

De keuze welke maatregel moet worden opgelegd wordt voor een belangrijk deel bepaald door het recidivegevaar en de vraag hoe dit het best te beteugelen is.

De deskundigen psychiater M.E.H. Wigard en psycholoog H.E.W. Koornstra hebben in hun op 1 november 2018 respectievelijk 2 november 2018 uitgebrachte Pro Justitia rapportages op grond van hun onderzoek als diagnose gesteld dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de zin van een psychotische stoornis in het schizofreniespectrum (of een andere psychotische stoornis, aldus de psycholoog) en een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne.

Psychiater Wigard oordeelt op basis hiervan over het recidiverisico in het rapport van 1 november 2018 als volgt:

Hoewel op dit moment nog niet duidelijk is in welk kader de psychotische episodes gezien moeten worden (…) is er overduidelijk sprake van een ernstige psychotische kwetsbaarheid waarbij de onderzochte, mede door een gebrek aan ziekte-inzicht, afhoudend is geweest in medicatiegebruik en verdere behandeling; daarnaast is er bij hem onvoldoende besef van de invloed van drugs op zijn psychotische kwetsbaarheid.

De kans op recidive wordt bij onderzochte geheel bepaald door het al dan niet aanwezig zijn van psychotische verschijnselen, vooral wanneer deze zeer prominent aanwezig zijn.

Bij adequate behandeling zal het recidiverisico, dat momenteel als matig tot hoog wordt ingeschat, teruggebracht kunnen worden naar laag niveau. Een dergelijke behandeling zal klinisch moeten starten, van voldoende lange duur moeten zijn, en gevolgd dienen te worden door een ambulante onderhoudsbehandeling. In de behandeling zal instelling op de juiste (anti-psychotische) medicatie voor lange duur (jaren-, zo niet levenslang) een belangrijk element dienen te zijn; ook zullen de risico’s van het stoppen van medicatie hem bij herhaling duidelijk moeten worden gemaakt. Tevens zal intensieve (psychotherapeutische) behandeling onder meer gericht dienen te worden op het aanvaarden van en het omgaan met een chronische, ernstige psychiatrische ziekte. Daarnaast zal een intensieve behandeling van de verslavingsproblematiek noodzakelijk zijn.

Ondergetekende adviseert om onderzochte – indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht – te ontslaan van rechtsvervolging en hem, gezien het ook ten tijde van dit onderzoek aanwezige recidivegevaar, krachtens art. 37 Wetboek van Strafrecht te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij wordt het zorg- en beveiligingsniveau van een FPA als toereikend beoordeeld. Een behandeling in dit kader acht ondergetekende passend bij de aard van zijn psychopathologie, het geschatte recidiverisico en de prognose dat een dergelijke behandeling binnen de tijdsspanne van een jaar voldoende effectief is om over te kunnen stappen naar ambulante psychiatrische behandeling.

In hoger beroep heeft Wigard op 31 december 2019 aanvullend gerapporteerd. Daarbij heeft hij vastgesteld dat er bij de verdachte sprake is van groeiend ziekte-inzicht ten aanzien van zijn psychoses, maar dat deze nog altijd gebrekkig is. Ook het inzicht ten aanzien van de aanwezige verslavingsproblematiek is aan het toenemen, maar desondanks nog gebrekkig waarbij de verdachte zichzelf hierin lijkt te overschatten. Daarnaast zijn er trekken in de persoonlijkheid passend bij cluster 5 persoonlijkheidsproblematiek welke onder andere een gebrekkige coping met zich meebrengt en het risico op terugval in verslaving vergroot.

Ten aanzien van het recidiverisico is hetgeen daarover eerder werd gerapporteerd naar de mening van de deskundige nog steeds onveranderd van kracht. Gelet op de omstandigheid dat artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht – en daarmee de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis – per 1 januari 2020 zou komen te vervallen, adviseert de deskundige thans de mogelijkheden voor de oplegging van een zorgmachtiging nader te laten onderzoeken. Het zorg – en beveiligingsniveau van een FPA wordt als het meest passend geacht en directe overplaatsing naar de reguliere GGZ wordt als een te grote overstap gezien.

Psycholoog Koornstra heeft in zijn rapportage d.d. 2 november 2018 met betrekking tot het recidivegevaar en een eventuele behandeling het volgende vermeld:

De klinische inschatting in combinatie met de gestructureerde risicotaxatie leidt tot de inschatting van het recidiverisico als groot indien het opnieuw tot staken van medicatie en start van zelfmedicatie (middelengebruik) komt, doch laag indien betrokkene het huidig ingezette behandeltraject voortzet binnen de psychiatrie.

Concreet wordt geadviseerd betrokkene in het kader van art. 37 over te plaatsen naar de psychiatrie voor verdere stabilisering, nadere diagnostiek en behandeling.

In zijn in hoger beroep uitgebrachte aanvullende rapportage van 2 januari 2020 stelt Koornstra dat betrokkene een basaal onverstoorbare, egocentrisch en hedonistische jongeman blijkt met een wantrouwende, onveilig gehechte attitude die geneigd is zijn angsten te dempen met middelen en deze weinig gedifferentieerd uit ageert. Er is een begin van ziekte-inzicht en –besef ontstaan dat essentieel is om een terugval te kunnen voorkomen. Voortdurende behandeling en nabehandeling is essentieel.

In verband met de nieuwe wetgeving per 1 januari 2020 raadt Koornstra (nog altijd) aan om betrokkene forensische zorg te bieden aangezien hier meer structuur gegarandeerd is. Een opname bij een FPA zou het huidige traject, waarbinnen betrokkene zich goed heeft gestabiliseerd, kunnen afronden en daar kan toegewerkt worden naar ambulante nazorg waarbij, indien zich hierbinnen problemen voordoen, middels de machtiging een (her)opname plaats kan vinden.

De deskundigen adviseren derhalve, nu per 1 januari jl. artikel 37 Sr is komen te vervallen, de mogelijkheid te onderzoeken die de strafrechter sindsdien heeft om op grond van artikel 2.3 Wet forensische zorg (Wfz) met toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) een zorgmachtiging tot verplichte zorg af te geven, waaronder opname, teneinde ernstig nadeel af te wenden.

Teneinde aan het hof de keuze te bieden tussen een maatregel tbs met voorwaarden en een zorgmachtiging heeft de advocaat-generaal bij het hof een verzoekschrift tot afgifte van een zorgmachtiging ingediend. Uit de daaraan ten grondslag liggende stukken, die op grond van de Wvggz voor beoordeling en eventuele afgifte van een zorgmachtiging nodig zijn, blijkt deze mogelijkheid echter ontoereikend te zijn.

Zo houdt het door de zorgverantwoordelijke M. Tekelenburg opgemaakte zorgplan van 5 mei 2020 met betrekking tot de benodigde zorg het navolgende in:

Er is verplichte zorg nodig, maar een duur van een half jaar is ontoereikend. Gezien de problematiek en het verleden is het wenselijk om een klinische opname te bieden, met begeleid wonen en ambulante begeleiding opvolgend. Er dient voor langere duur (toe)zicht en begeleiding te zijn om de psychotische klachten te couperen. Dhr. zal geleidelijk aan moeten wennen aan resocialisatie, druk van anderen en de maatschappij en hier weerstand tegen kunnen bieden. Het is van belang dat er voldoende toezicht en inzicht is in zijn middelengebruik, psychotische klachten en het medicatiegebruik in een minder gecontroleerde omgeving. Een zorgmachtiging is ontoereikend voor de benodigde zorg.

Op de vraag welke zorgaanbieder en/of welke accommodatie kan worden belast met de verplichte zorg, antwoordt Tekelenburg:

Radix Mondriaan kan een (langdurige) opname bieden met het mogelijk vervolg van begeleid wonen en ambulante begeleiding.

Psychiater J. à Campo van Radix Mondriaan schrijft in zijn medische verklaring omtrent de verdachte ten behoeve van de voorbereiding van een zorgmachtiging, d.d. 6 mei 2020, het navolgende:

Betrokkene behoeft nu een klinisch zorgkader met aandacht voor de ernstige psychopathologie in de vorm van een schizofreniespectrumstoornis gecompliceerd door een verslavingsgevoeligheid aan drugs en alcohol. De combinatie van genoemde pathologie draagt een ernstig risico met zich mee tot forse agressie-regulatieproblemen die permanent in de vorm van risicotaxatie gemeten en gehanteerd dienen te worden. Op langere termijn is wellicht plaatsing in een beschermde woonvorm met FACT-behandeling mogelijk. Een zorgmachtiging voor de daarvoor geldende duur van een half jaar is te kort en dus niet realistisch. Er is nu geen garantie dat na een half jaar een machtiging tot voortgezet verblijf wordt afgegeven en dat is een serieus veiligheidsrisico. Betrokkene behoeft zeker voor een jaar een beveiligd behandelkader zoals vaak geboden wordt binnen de transforensische psychiatrie.

Uit de bevindingen van geneesheer-directeur J.L.M. Dinjens van Radix Mondriaan d.d. 11 mei 2020 volgt ten slotte dat ook deze het verlenen van een zorgmachtiging onvoldoende vindt voor de noodzakelijk geachte behandeling en de beteugeling van het recidiverisico. Dinjens schrijft:

Betrokkene is lijdende aan een “andere gespecificeerde psychotische en/of schizofreniespectrumstoornis” (voorheen psychose NAO) en een stoornis in middelengebruik (cannabis, alcohol). Het toestandsbeeld is thans gestabiliseerd met behulp van medicatie en externe structuur en begrenzing. Het betreft echter een fragiel evenwicht en betrokkene lijkt zich hierin zelf te overschatten Er is ernstig nadeel voortkomend uit de psychische stoornis, vooral in de vorm van agressieve impulsdoorbraken en geweldsdelicten onder invloed van psychoses, waarin ook middelengebruik een belangrijke rol speelt. Er is thans geen sprake van verzet, waardoor een zorgmachtiging minder opportuun is. Een zorgmachtiging geeft naar verwachting onvoldoende garanties qua maximale behandelduur en het ontbreken van voldoende behandeldruk (vangnetfunctie) alsook langdurende abstinentie van middelen, om het recidiverisico voldoende (lang) te kunnen beteugelen. Een ander strafrechtelijk kader, zoals een tbs met voorwaarden is wellicht meer passend. Bijkomend probleem is de forse wachtlijst voor plaatsing met een zorgmachtiging schakelartikel 2.3 wegens de andere financieringsstroom, waardoor zij niet plaatsbaar zijn op een regulier FPA-bed.

Niet alleen is volgens de bij de voorbereiding van het verzoekschrift Zorgmachtiging geraadpleegde deskundigen een verplichte zorgmachtiging in dit geval ontoereikend om het recidiverisico te beteugelen, ook de reclassering vermoedt dat de zorgmachtiging tekortschiet en heeft een voorkeur voor een tbs met voorwaarden.

In het door de reclassering op 6 april 2020 omtrent de verdachte uitgebrachte advies staat daarover het volgende:

De reclassering ziet mogelijkheden voor toezicht in het kader van tbs met voorwaarden, en heeft vanwege de langduriger klinische mogelijkheden, en de controle (op medicatie) en begeleidingsduur ook de voorkeur voor deze modaliteit ten opzichte van de zorgmachtiging. Kortgezegd kan het risicomanagement met een tbs met voorwaarden beter worden uitgevoerd waarbij betrokkene in de optiek van de reclassering ook beter kan faseren en inbedden in nog niet duidelijke behandel- en zorgomgeving.

Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) heeft een indicatie richting een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) geadviseerd. FPA Radix heeft een opname akkoord gegeven op 1 april jl. Echter, FPA Radix heeft de nadrukkelijke voorkeur voor opname binnen een tbs met voorwaarden ten opzichte van een plaatsing binnen een zorgmachtiging.

Ten aanzien van een zorgmachtiging vermoedt de reclassering dat deze, gelet op de duur van zes maanden, in de optiek van de reclassering te kort zal zijn voor verscherping van de diagnostiek, behandeling, inzicht en blijvende stabiliteit om dit voorts in het kader van de Wet verplichte zorg voort te zetten.

Gelet op de door de pro Justitia onderzoekers gediagnosticeerde stoornissen, het gebrek aan een beschermend netwerk en de eerder gebleken gebrekkige behandelrespons (hoewel nu van meer ziektebesef en -inzicht sprake is en hij medicatietrouw is), wordt het risico op herhaling ook door de reclassering ingeschat op hoog, indien betrokkene niet klinisch behandeld zal worden, en zich zal onttrekken aan behandelafspraken en voorwaarden.

Het hof verenigt zich met de weergegeven informatie en bevindingen van de deskundigen met betrekking tot het recidiverisico en de noodzaak van langdurige behandeling. Zonder een dergelijke behandeling acht het gerechtshof de kans op recidive vanuit de stoornissen van de verdachte groot. Gelet op de hiervoor weergegeven rapportages, acht het hof een opname in een civiele setting, op grond van een zorgmachtiging, niet aangewezen. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat een zorgmachtiging tot verplichte zorg onvoldoende waarborgen biedt dat de verdachte de behandeling krijgt die noodzakelijk is om het recidiverisico te beteugelen. Een zorgmachtiging tot verplichte zorg kan slechts voor een half jaar worden afgegeven, terwijl uit de aangehaalde rapporten en stukken blijkt dat de duur van zes maanden niet afdoende is. Weliswaar is een verlenging van de zorgmachtiging mogelijk, maar zoals psychiater À Campo van GGZ Mondriaan al opmerkte “Er is nu geen garantie dat na een half jaar een machtiging tot voortgezet verblijf wordt afgegeven en dat is een serieus veiligheidsrisico”.

Ook het noodzakelijk geachte langdurige toezicht na de klinische behandeling is via een zorgmachtiging tot verplichte zorg niet (op voorhand dwingend) te realiseren. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging tot verplichte zorg dan ook afgewezen en zal het hof een tbs met voorwaarden opleggen.

Met betrekking tot het opleggen van de maatregel van tbs stelt het hof het navolgende voorop.

Het hof stelt vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan: bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, de door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel.

Het hof acht het noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld in een forensisch kader zodat er, naast het behandelen van de stoornis zelf, ook genoeg aandacht is voor het voorkomen van recidive. Het hof ziet, met de advocaat-generaal, aanleiding af te zien van de door de rechtbank opgelegde tbs met dwangverpleging en in plaats daarvan tbs met voorwaarden op te leggen nu dat minder vergaande kader voorshands afdoende lijkt voor de noodzakelijke behandeling van verdachte ter beteugeling van het recidivegevaar.

Gelet op het bewezen verklaarde wordt de maatregel van tbs gelast ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof sluit zich voor wat betreft de op te leggen voorwaarden aan bij de door de reclassering in het reclasseringsrapport van 6 april 2020 geformuleerde voorwaarden en aan de op te leggen maatregel zullen deze voorwaarden dan ook worden verbonden, welke voorwaarden in het dictum worden weergegeven. De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bereid verklaard de door de reclassering geformuleerde voorwaarden na te leven.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de maatregel van tbs met voorwaarden – in aanmerking genomen de ernst van de feiten en de ernst van het ziektebeeld van de verdachte – met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de samenleving is omkleed.

De maatregel brengt met zich dat als de verdachte de door de rechtbank gestelde voorwaarden niet naleeft of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, de maatregel kan worden omgezet in tbs met dwangverpleging.

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel tot tbs met voorwaarden bevelen, opdat direct kan worden begonnen met de uitvoering van de voorwaarden. Naar het oordeel van het hof dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte, indien hij niet wordt behandeld en begeleid, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, hoewel de verdachte deels toerekeningsvatbaar is ten aanzien van het bewezen verklaarde onder 2 primair, met de oplegging van een straf voor dat feit geen redelijk strafdoel is gediend. Het hof zal op grond van het bepaalde in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht voor dat feit dan ook geen straf opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 14.476,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij bestaat uit de volgende posten:

1. Materiële schade: € 1.976,-

 medische kosten € 1.090,-

 reiskosten € 108,-

 kosten mantelzorg € 399,-

 kledingschade € 150,-

 kosten opvragen medische informatie € 229,-

2. Immateriële schade: € 12.500,-

Voorts heeft de benadeelde partij de materiële schade aangevuld met de kosten van rechtsbijstand, te weten een bedrag van € 1.086,-.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een bedrag van € 14.476,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de gevorderde kosten rechtsbijstand heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep kenbaar gemaakt de vordering tot schadevergoeding te handhaven, met dien verstande dat de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg dienen te worden gematigd. Daarnaast heeft de benadeelde partij het hof verzocht om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand, welke vastgesteld dienen te worden volgens het liquidatietarief, heeft de benadeelde partij verzocht dat het hof de kosten in eerste aanleg zal vaststellen op een bedrag van € 720,- en de kosten in hoger beroep zal vaststellen op een bedrag van € 1.086,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 14.476,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand overweegt het hof het navolgende.

Voor de rechtsgang in eerste aanleg moet aansluiting worden gezocht bij het liquidatietarief ‘Salarissen in rolzaken kanton’, dat gebruikelijk wordt toegekend in soortgelijke zaken. Bij een vordering met een hoofdsom tot € 20.000,- wordt in de regel € 300,- per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt voor het proces in eerste aanleg in dit verband twee punten toe: één punt voor het door de advocate indienen van de vordering en één voor de aanwezigheid van de advocate ter terechtzitting in eerste aanleg.

Voor de rechtsgang in hoger beroep is het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven (per 1 mei 2018) van toepassing. Daarbij geldt ten aanzien van een “principaal appel van rechtbank op hof”, een tarief van € 1.074,- per punt in zaken met een geldswaarde van een hoofdsom tussen € 10.000,- en € 20.000,-. De benadeelde partij komt 1,5 punten toe: een halve punt van het door de advocate indienen van de aanvullende stukken en één punt voor de aanwezigheid van de advocate ter terechtzitting.

Op basis van het voorgaande wordt een bedrag van € 600,- (eerste aanleg) plus een bedrag van € 1.611,- (hoger beroep), in totaal € 2.211,- aan proceskosten toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte onder 1 subsidiair rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde/slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 14.476,-. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 45, 57, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde c.q. het wijzen van dit arrest.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde sancties en de beslissing ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.

Gelast dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair bewezen verklaarde ter beschikking wordt gesteld met de voorwaarden:

1. dat de verdachte zich niet schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten;

2. dat de verdachte mee zal werken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

 dat de verdachte zich zal melden op afspraken bij de reclassering, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

 dat de verdachte een of meer vingerafdrukken laat nemen en/of een geldig identiteitsbewijs laat zien om de identiteit van de verdachte vast te stellen.

 dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

 dat de verdachte de reclassering zal helpen aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, welke foto nodig is voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

 dat de verdachte zal meewerken aan huisbezoeken.

 dat de verdachte de reclassering inzicht zal geven in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

 dat de verdachte zich niet zal vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

 dat de verdachte zal meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het toezicht.

 dat de verdachte zal meewerken aan de totstandkoming van de zgn. 3-partijenovereenkomst waarin informatie-uitwisseling tussen de verschillende partijen wordt vastgelegd.

3. dat de verdachte niet naar het buitenland of naar de Nederlandse Antillen zal gaan, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

4. dat de verdachte zich zal laten opnemen in een forensisch klinische behandelsetting FPA, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra er een opnamedatum beschikbaar is en duurt zolang de geneesheer-directeur dat nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, zal de verdachte meewerken aan de indicatiestelling en plaatsing;

5. dat de verdachte zich aansluitend op de forensische klinische behandeling laat behandelen door een nader te bepalen ambulante (forensische) behandelsetting, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

6. dat de verdachte direct aansluitend aan de klinische behandeling zal verblijven in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen, indien door de reclassering noodzakelijk geacht en te bepalen door de reclassering en geïndiceerd door de justitiële instelling die voor verwijzing en aanmelding verantwoordelijk is. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

7. dat de verdachte gedurende het verblijf in een instelling voor beschermd wonen zal meewerken aan een time-out in een Forensisch Psychiatrische setting of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

8. dat de verdachte geen drugs zal gebruiken en zal meewerken aan controle op dit verbod door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;

9. dat de verdachte geen alcohol zal gebruiken en zal meewerken aan controle op dit alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest).

Geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Bepaalt dat ter zake van feit 2 primair wordt afgezien van het opleggen van straf.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 14.476,00 (veertienduizend vierhonderdzesenzeventig euro) bestaande uit € 1.976,00 (duizend negenhonderdzesenzeventig euro) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 2.211,00 (tweeduizend tweehonderdelf euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde/slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 14.476,00 (veertienduizend vierhonderdzesenzeventig euro) bestaande uit € 1.976,00 (duizend negenhonderdzesenzeventig euro) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 107 (honderdzeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 juni 2018.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 8 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.