Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1725

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.276.053_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vernietiging voorwaardelijke machtiging gesloten plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 4 juni 2020

Zaaknummer : 200.276.053/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/366314 / JE RK 19-2284 en C/02/369024 / JE RK 20-311

in de zaak in hoger beroep van:

[minderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [minderjarige] ,

advocaat: mr. T. van Riel,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna: de GI (Gecertificeerde Instelling).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    mevrouw [de moeder] , hierna: de moeder;

  • -

    de heer [de vader] , hierna: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 6 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 maart 2020, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover het de voorwaardelijke machtiging tot gesloten plaatsing betreft) en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    primair, het inleidend verzoek van de GI alsnog integraal af te wijzen;

  • -

    subsidiair, de eerste voorwaarde van het hulpverleningsplan te schrappen, dan wel dat het hof een zodanige beslissing neemt die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 april 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2020. Verschenen zijn:

  • -

    [minderjarige] met zijn advocaat;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [gezinsvoogd] ;

  • -

    de moeder;

  • -

    de vader.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het procesdossier in eerste aanleg;

  • -

    productie 4, overgelegd door de advocaat van [minderjarige] op 3 april 2020;

  • -

    het raadsrapport van 26 september 2019;

  • -

    de brieven van de raad van 6 mei 2020 en 12 mei 2020 waarin de raad meedeelt niet te zullen verschijnen op de mondelinge behandeling in hoger beroep;

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) geboren.

3.2.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt gezamenlijk uitgeoefend door de vader en de moeder.

3.3.

[minderjarige] staat sinds 8 oktober 2019 onder toezicht van de GI.

De ondertoezichtstelling is van kracht tot 8 november 2020.

3.4.

Bij beschikking van 9 december 2019 is aan de GI ten aanzien van [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van drie maanden (tot 9 maart 2020). Het overige gedeelte van het verzoek van de GI om haar tot en met 21 augustus 2020 een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen, heeft de rechtbank aangehouden.

Op grond van die machtiging heeft [minderjarige] drie maanden bij Almata te [plaats] verbleven.

3.5.

Sinds de machtiging gesloten jeugdhulp is afgelopen (begin maart 2020), woont [minderjarige] weer thuis bij zijn moeder en zijn stiefvader [stiefvader] .

Procedure eerste aanleg

3.6.1.

Toen [minderjarige] nog bij Almata verbleef, heeft de GI in februari 2020 de rechtbank verzocht om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp op grond van artikel 6.1.4. lid Jw tot en met 8 september 2020.

3.6.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 9 maart 2020 tot uiterlijk 9 september 2020 onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] zijn gesteld in het aan die beschikking aangehechte hulpverleningsplan, met aanpassing van de eerste voorwaarde, zoals geformuleerd in het dictum van de beschikking.

De voorwaarden waaraan [minderjarige] zich dient te houden zijn, kort gezegd:

  • -

    dat hij meewerkt aan alle afspraken met de ingezette hulpverlening (waaronder MST);

  • -

    dat hij zich houdt aan de afspraken in het verlofcontract en veiligheidsplan en dat hij alleen op de afgesproken momenten bij zijn vader is;

  • -

    dat hij alleen contact heeft met de vrienden die in het verlofcontract staan, in het bijzijn van zijn moeder of in het bijzijn van de ouders van die vrienden (en de moeder controleert dit);

  • -

    dat hij elke dag alle lesuren naar school gaat of andere (door de gezinsvoogd met de ouders) ingezette dagbesteding;

  • -

    dat hij alleen positieve contacten heeft met de politie, geen opsporings- of aanhoudingsberichten, geen overtredingen of delinquent gedrag, geen (soft)drugs of alcohol.

De rechtbank heeft het verzoek van de GI voor het overige afgewezen.

Standpunten in hoger beroep

3.7.1.

[minderjarige] kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover daarbij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp is verleend en hij is van dat gedeelte van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift voert hij, kort samengevat, het volgende aan.

Er is niet voldaan een de wettelijke vereisten voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. Er is geen sprake meer van probleemgedrag, [minderjarige] heeft zich positief ontwikkeld. Eerdere hulpverlening heeft een aantoonbaar effect gehad. Ook tijdens de plaatsing bij Almata heeft [minderjarige] zich goed ontwikkeld. Er is evenmin een risico op een terugval. Er was geen noodzaak voor afgifte van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp.

Subsidiair stelt [minderjarige] dat hij met de opgestelde voorwaarden afhankelijk is van het gedrag en de medewerking van zijn (stief)ouders. Met name de voorwaarde dat [minderjarige] uitsluitend in aanwezigheid van zijn moeder of stiefvader omgang met zijn vader kan hebben, is niet uitvoerbaar. De moeder voelt er niet voor om [minderjarige] steeds naar de vader te moeten brengen en alsdan aanwezig te zijn. De consequentie van de manier waarop MST de afspraak over het bezoek van [minderjarige] aan de vader heeft geformuleerd, is dat [minderjarige] geen contact en omgang meer met de vader kan hebben. Dit is onwenselijk en onverteerbaar voor [minderjarige] en zijn ouders.

3.7.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [minderjarige] hieraan, kort gezegd, toegevoegd dat sanctioneren bij hem niet werkt. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en hij moet dat nog verwerken. Er is nooit gekeken waarom [minderjarige] zelfbepalend is en waarom hij agressief gedrag vertoont. [minderjarige] is blij dat hij eindelijk de EMDR-therapie krijgt waar hij al zeker drie jaar lang om vraagt. Hij heeft eerder gesloten geplaatst gezeten (toen hij 11 à 12 jaar oud was) en daardoor ging hij juist de verkeerde kant op. [minderjarige] heeft een vriend die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met een eigen bedrijfje in brommeronderdelen (in- en verkoop). [minderjarige] wil daar vier dagen per week stage gaan lopen. Hij wil een nieuwe start maken op het MBO, installatietechniek bij [school] in [plaats] . Hij is gestopt met blowen en hij wil stoppen met roken. Hij vraagt het hof om een eerlijke kans om zichzelf te bewijzen; die kans heeft hij nog nooit gehad.

3.8.

De GI voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

Er is wel degelijk een risico op terugval als er geen voorwaarden aan (het gedrag van) [minderjarige] worden gesteld. Om het risico op terugval in oud gedrag van [minderjarige] te minimaliseren, zijn er voorwaarden opgesteld door Almata waar [minderjarige] zich aan dient te houden. [minderjarige] blijkt hier moeite mee te hebben, gezien de meerdere overtredingen die hij de afgelopen weken heeft begaan, onder andere het rijden zonder rijbewijs op een opgevoerde scooter en het niet houden aan de regels van samenscholing tijdens de coronacrisis. Daarnaast heeft [minderjarige] zich niet aan de afspraken van de ingezette hulpverlening gehouden, door (alleen) naar zijn vader te gaan terwijl dit anders was afgesproken.

[minderjarige] is aangemeld bij [school] in [plaats] en heeft een intake gehad voor EMDR therapie.

3.9.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat zij de samenwerking met MST heeft beëindigd. MST kwam drie keer per week en zij hadden vreemde ideeën, zoals dat [minderjarige] zijn vader niet meer mocht zien. Sindsdien gaat het beter met [minderjarige] . De moeder weet negen van de tien keer waar hij is en hij is altijd telefonisch bereikbaar voor haar. [minderjarige] heeft nu EMDR-therapie. Deze therapie heeft hij ook nodig. De moeder wil op deze manier doorgaan. De moeder kent de vriend bij wie [minderjarige] stage wil gaan lopen goed en zij heeft wekelijks contact met de ouders van deze vriend; zij laten het de moeder weten als [minderjarige] daar is. De moeder en [minderjarige] hebben goede gesprekken met elkaar en zij ziet dat er bij [minderjarige] sprake is van een stijgende lijn.

3.10.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat hij [minderjarige] de afgelopen tijd minder vaak heeft gezien vanwege alle restricties die er zijn opgelegd. De vader is lange tijd bezig geweest om een geschikte school te zoeken voor [minderjarige] . Hij kent de vriend (en diens onderneming) bij wie (waar) [minderjarige] stage wil gaan lopen. De vader heeft er alle vertrouwen in dat [minderjarige] er wel komt.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Artikel 6.1.4. lid 2 Jeugdwet (hierna: Jw) bepaalt dat een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie kan worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.

3.11.2.

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in onder meer artikel 6.1.4. Jw bekwaam om in rechte op te treden.

Op die grond, mede gelet op artikel 6.1.12 Jw, komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

De formele vereisten van artikel 6.1.4 Jw

3.11.3.

Het hof stelt vast dat aan de formele voorwaarden van artikel 6.1.4 lid 1 jo 6.1.2 lid 3 aanhef en sub a Jw en artikel 6.1.4 lid 3 Jw is voldaan: [minderjarige] staat onder toezicht van de GI en de GI heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

3.11.4.

Ook heeft het verzoek op grond van artikel 6.1.4 lid 4 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die [minderjarige] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.11.5.

Tot slot blijkt uit de bij de bestreden beschikking aangehechte hulpverleningsplan wat de voorwaarden zijn waaraan [minderjarige] zich dient te houden. De voorwaarden zijn hiervoor in deze beschikking omschreven onder rechtsoverweging 3.6.2.

Inhoudelijke beoordeling

3.11.6.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op het moment dat de bestreden beschikking is gegeven (op 6 maart 2020) de juiste beslissing heeft genomen. Het hof onderschrijft dat er bij [minderjarige] sprake was van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die het verlenen van een voorwaardelijke machtiging tot gesloten plaatsing op dat moment rechtvaardigden. Het hof acht het nu echter niet meer noodzakelijk om [minderjarige] te houden aan de voorwaarden, gelet op het volgende.

3.11.7.

[minderjarige] heeft al jaren te maken met de hulpverlening. Hij is op zijn elfde voor het eerst gesloten geplaatst en hij, maar ook zijn ouders, hebben hier vervelende herinneringen aan. [minderjarige] wil graag een eerlijke kans en hij heeft het gevoel die nog nooit te hebben gekregen. Het hof geeft [minderjarige] die kans. [minderjarige] is bijna zestien jaar en het hof acht [minderjarige] redelijkerwijs in staat om vanaf nu verantwoorde keuzes te maken zonder in de problemen te komen. [minderjarige] heeft hierin zelf al meerdere positieve stappen gezet: hij volgt EMDR-therapie, heeft een doordacht plan hoe hij zijn leven vanaf nu wil vormgeven met school en stage, hij is gestopt met blowen en hij heeft het serieuze voornemen om ook te stoppen met roken. [minderjarige] snapt dat hij zijn gedrag moet veranderen en dat hij hierbij hulp nodig heeft. Het hof constateert dat de inzet van MST voor [minderjarige] (en zijn ouders) niet effectief is gebleken. Beide ouders hebben inmiddels de samenwerking met MST beëindigd. [minderjarige] geeft aan dat deze vorm van hulpverlening niet bij hem past, maar EMDR-therapie daarentegen wel. [minderjarige] wil zelf ook graag begrijpen waar zijn gedrag vandaan komt. Deze intrinsieke motivatie heeft [minderjarige] eerder niet laten zien. Het hof vindt het verder positief, zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep waargenomen, dat de ouders met elkaar samenwerken en eensgezind achter hun zoon staan: zij ondersteunen de EMDR-therapie en school en-stage-keuzes die [minderjarige] maakt. Het hof hecht hier waarde aan. Of [minderjarige] de goede weg blijft bewandelen, is mede afhankelijk van de opstelling van de ouders: hoe zij individueel met [minderjarige] omgaan, maar zeker ook hoe zij als ouders met elkaar omgaan. Voor [minderjarige] is het een belangrijke stimulans dat zijn ouders vertrouwen in hem hebben. Dat vertrouwen krijgt [minderjarige] nu ook van het hof.

3.11.8.

Het hof zal de bestreden beschikking met ingang van 4 juni 2020 vernietigen, voor zover het de voorwaardelijke machtiging gesloten plaatsing betreft. Het hof wijst [minderjarige] erop dat de ondertoezichtstelling van kracht blijft, tot uiterlijk 8 november 2020. [minderjarige] zal de komende tijd nog te maken hebben met de GI, en meer in het bijzonder met de gezinsvoogd, dat is de heer [gezinsvoogd] . In dit kader merkt het hof op dat de verstandhouding tussen [minderjarige] en de gezinsvoogd gespannen verloopt, zoals blijkt uit zowel de stukken en als de indruk die het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft gekregen. Om de ondertoezichtstelling tot een goed einde te brengen, zouden zowel [minderjarige] als de voogd hierin ieder een stap dienen te zetten: [minderjarige] moet laten zien dat hij serieus bezig is om iets van zijn leven te maken en het hof adviseert de GI om aandacht te schenken aan de plek die de vader van [minderjarige] zou kunnen gaan innemen.

3.12.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van 4 juni 2020 de bestreden beschikking, voor zover daarbij aan de GI een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp tot plaatsing van [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ) is verleend onder de voorwaarden die zijn openomen in het dictum van die beschikking;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidende verzoek van de GI tot verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp tot plaatsing van [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ), voor zover dit ziet op de periode vanaf 4 juni 2020;

bekrachtigt voormelde beschikking voor wat betreft de periode van 9 maart 2020 tot 4 juni 2020;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, L.Th.L.G. Pellis en C.A.R.M. van Leuven en is op 4 juni 2020 uitgesproken door mr. C.A.R.M. van Leuven in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.