Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1724

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.274.649_01 en 200.274.649_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling op grond van artikel 1:265g lid 1 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 4 juni 2020

Zaaknummers : 200.274.649/01 en 200.274.649/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/366319 / JE RK 19-2285

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in de hoofdzaak (200.274.649/01),

tevens verzoekster in het incident (200.274.649/02),

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof,

tegen

Stichting Intervence,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

verweerster in de hoofdzaak (200.274.649/01),

tevens verweerster in het incident (200.274.649/02),

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.W. Bakkum.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep zowel in de hoofdzaak als in het incident ex artikel 223 Rv

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 februari 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

in het incident: gedurende het hoger beroep een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om de week bij de vader verblijft onder volledige begeleiding op woensdagmiddag van 14.00 uur tot 16.30 uur, waarbij de bezoekbegeleiding [minderjarige] haalt en brengt en waarbij de omgang in het kader van de veiligheid van [minderjarige] niet doorgaat of wordt afgebroken en [minderjarige] naar de moeder wordt teruggebracht indien er bij de vader een alcohollucht wordt waargenomen en/of het gedrag van de vader voor [minderjarige] als belastend wordt ingeschat, althans een zodanige regeling vast te stellen als het hof juist acht, kosten rechtens.

in de hoofdzaak: primair een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] onder begeleiding om de week op zaterdagmiddag bij de vader verblijft van 14.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de bezoekbegeleiding [minderjarige] haalt en brengt en waarbij de omgang in het kader van de veiligheid van [minderjarige] niet doorgaat of wordt afgebroken en [minderjarige] naar de moeder wordt teruggebracht indien er bij de vader een alcohollucht wordt waargenomen en/of het gedrag van de vader voor [minderjarige] als belastend wordt ingeschat; subsidiair een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] onder begeleiding om de week op zaterdag bij de vader verblijft van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de bezoekbegeleiding [minderjarige] haalt en brengt en waarbij de omgang in het kader van de veiligheid van [minderjarige] niet doorgaat of wordt afgebroken en naar de moeder wordt teruggebracht indien er bij de vader een alcohollucht wordt waargenomen en/of het gedrag van de vader voor [minderjarige] als belastend wordt ingeschat, althans een zodanige regeling vast te stellen als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2020 plaatsgevonden, waarbij de partijen en belanghebbenden in verband met de RIVM-maatregelen rondom het COVID-19 (corona) virus via een beeldverbinding dan wel telefonisch zijn gehoord. Gehoord zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Planthof;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Bakkum;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens namens de GI;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

2.3.1.

Het hof heeft van de mondelinge behandeling een proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 januari 2020 (ingediend bij V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 25 maart 2020);

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 31 maart 2020;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 14 april 2020;

  • -

    de brief met bijlage van de GI, ingediend per faxbericht d.d. 15 april 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 6 mei 2020;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 15 mei 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 1 juli 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juli 2020.

3.3.

Bij beschikking van 14 december 2017 heeft de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant een zorgregeling, zoals eerder bij beschikking van 24 mei 2017 vastgesteld (en hersteld bij beschikking van 23 juli 2017), gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft, waarbij het halen en brengen door de ouders wordt verdeeld.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank op de voet van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) de beschikking van
14 december 2017 gewijzigd en een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] om de week op zaterdag bij de vader verblijft van 9.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de bezoekbegeleiding [minderjarige] brengt en haalt en een deel van de bezoektijd aanwezig is. Verder is bepaald dat indien er een alcohollucht wordt waargenomen en/of het gedrag van de vader voor [minderjarige] als te belastend wordt ingeschat, het bezoek in het kader van de veiligheid van [minderjarige] wordt afgebroken en [minderjarige] dan wordt teruggebracht naar de moeder.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

De moeder betwist niet dat de vader een belangrijke hechtings- en identificatiefiguur voor [minderjarige] is, maar de veiligheid van [minderjarige] is bij de vader in het geding.

De vader heeft een alcoholprobleem. Over het alcoholgebruik van de vader zijn (veiligheids)afspraken gemaakt, maar de vader komt deze bij herhaling niet na. Hij heeft sinds januari 2018 de kans gekregen om de nodige stappen te zetten ten aanzien van zijn alcoholprobleem, maar de vader blijft zijn problemen bagatelliseren en hij toont weinig zelfinzicht. Er heeft zich in januari 2020 nog een incident voorgedaan waarbij de vader veel heeft gedronken terwijl [minderjarige] op dat moment boven lag te slapen. Daar komt bij dat de relatie tussen de vader en zijn partner is beëindigd, waardoor het veiligheidsplan niet langer uitvoerbaar is. Het is derhalve van belang dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader volledig wordt begeleid.

Het gaat op zich goed met [minderjarige] , maar de laatste periode geeft hij steeds meer aan dat hij niet naar de vader wil gaan, omdat hij bang is. Het laatste videogesprek met de vader is belastend voor hem geweest, omdat de vader zeer emotioneel werd.

De beschikking van de rechtbank is niet uitvoerbaar, omdat het niet mogelijk is om de begeleiding op zaterdag te laten plaatsvinden.

De moeder wijzigt derhalve haar verzoek in die zin, dat zij verzoekt om de omgang tussen [minderjarige] en de vader om de week op woensdag te laten plaatsvinden, waarbij [minderjarige] door de bezoekbegeleiding wordt opgehaald bij de moeder thuis en waarbij de bezoekbegeleiding gedurende de gehele omgang bij de vader thuis aanwezig is, alvorens hem naar de moeder terug te brengen.

De moeder gaat ermee akkoord dat het hof het gewijzigde verzoek van de GI (hof: zie hierna onder 3.8) behandelt en in zijn oordeel betrekt. De moeder acht dit gewijzigde verzoek echter niet in het belang van [minderjarige] .

Het is verder in strijd met de geldende COVID-19-maatregelen om het contact te laten doorgaan indien [minderjarige] (of de vader) verkouden is.

3.7.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

Er is geen enkele aanleiding om de omgang tussen [minderjarige] en de vader te beperken of te stoppen. [minderjarige] is graag bij de vader en het is juist ook in zijn belang dat het contact met de vader wordt hersteld. De veiligheid van [minderjarige] is bij de vader niet in het geding.

De rechtbank heeft de omgang tussen hem en [minderjarige] ten onrechte teruggebracht van een weekend per veertien dagen naar een zaterdag per veertien dagen.

Aangezien het niet mogelijk is gebleken om de omgang op zaterdag te begeleiden, heeft de GI er nu tijdelijk voor gekozen om de uren over de woensdagen te verdelen, waardoor de omgang feitelijk gezien nog verder is teruggebracht. [minderjarige] zou nu iedere woensdag rond 14.15 uur bij de vader zijn en om 16.00 uur weer worden teruggebracht. De moeder wil dit nog verder terugbrengen naar 1,5 uur in de twee weken.

Mede vanwege de COVID19-maatregelen is de wekelijkse regeling echter niet van de grond gekomen en heeft de vader [minderjarige] al vier à vijf weken niet gezien. Recent mocht de vader met [minderjarige] twee uur lang videobellen. Het gesprek heeft echter maar een kwartier geduurd, omdat het niet goed liep. De vader heeft het gevoel dat [minderjarige] tijdens het videobellen niet vrij uit durft te spreken.

De vader voert verder aan dat hij twee keer per week het medicijn Antabus gebruikt, zodat hij geen alcohol meer kan drinken. Hij acht dit zelf niet nodig, maar wil er alles aan doen om zijn kinderen te zien. Om die reden staat hij ook op een wachtlijst van Emergis om een behandeling voor zijn alcoholgebruik te ondergaan.

De vader krijgt daarnaast twee keer per week ambulante begeleiding vanuit Emergis, maar vanwege de COVID19-maatregelen vindt er nu telefonisch contact of contact via Whatsapp plaats. De contacten tussen de vader en de hulpverlening verlopen goed. De vader werkt overal aan mee.

De relatie tussen de vader en mevrouw [ex-partner] is definitief verbroken, zodat [minderjarige] geen spanningen meer meekrijgt. Mevrouw [ex-partner] heeft een eigen woning en de vader kan in zijn huidige woning blijven.

3.8.

De GI voert, samengevat, het volgende aan.

De GI handhaaft haar verzoek in eerste aanleg niet meer, aangezien het niet haalbaar blijkt om de omgang tussen [minderjarige] en de vader op zaterdagen te begeleiden.

Om te voorkomen dat er een nieuwe procedure bij de rechtbank moet worden gestart, verzoekt de GI om haar gewijzigde verzoek in hoger beroep te behandelen en een nieuwe regeling vast stellen waarbij de bezoekbegeleiding [minderjarige] iedere woensdag op school ophaalt, naar de vader brengt en hem om 17.00 uur weer bij de moeder terugbrengt. In de tussenliggende tijd kan het contact tussen de vader en [minderjarige] onbegeleid zijn, zij het dat de begeleiding bij aanvang een inschatting maakt of de vader gedronken heeft respectievelijk het gedrag van de vader voor [minderjarige] belastend is. Indien er sprake is van een dranklucht, maar de vader rustig is en aansluiting kan hebben met [minderjarige] , kan het bezoek worden voortgezet, maar blijft de begeleiding gedurende het hele bezoek aanwezig. Indien de vader geagiteerd is en daardoor het bezoek met [minderjarige] onvoldoende kan invullen, wordt het bezoek beëindigd en wordt [minderjarige] door de begeleiding teruggebracht naar de moeder.

De GI heeft de afgelopen tijd gezien dat de vader zijn ouderrol goed vorm geeft. Hij heeft vanaf oktober/november stapjes gezet om te werken aan een behandeling voor zijn alcoholproblematiek, waarbij hij goed heeft meegewerkt aan bloedwaardecontroles bij de huisarts. Vanwege het COVID19-virus kunnen deze controles op dit moment echter niet plaatsvinden. De medicatie die de vader gebruikt en waardoor hij geen alcohol kan nuttigen neemt hij onder toezicht in. Er wordt door de GI verder geconstateerd dat de vader de afgelopen tijd helder oogt en adequaat reageert. De vader heeft zijn emoties voldoende onder controle en hij komt afspraken goed na.

Na de uitspraak van de rechtbank was er in overleg met de vader en de moeder een tijdelijke regeling getroffen waarbij er eenmaal per veertien dagen volledig begeleid contact was tussen de vader en [minderjarige] op de woensdagmiddag. Het was de bedoeling om dit contact uit te breiden naar een wekelijks contact, maar vanwege de huidige COVID19-maatregelen is de omgang vanwege een verkoudheid van [minderjarige] tijdelijk stilgezet.

De GI is van mening dat het contact tussen de vader en [minderjarige] - met inachtneming van voornoemde maatregelen - weer kan worden opgepakt. Desnoods kan er ook in een speeltuin worden afgesproken. De GI heeft er vertrouwen in dat er met de vader goede afspraken kunnen worden gemaakt in verband met de 1,5 meter-maatregel. Bovendien is er per direct bezoekbegeleiding beschikbaar.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

In het incident (200.274.649/02)

3.9.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek om voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen ingetrokken.

Nu de moeder dit verzoek niet langer handhaaft, zal het hof haar in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

In de hoofdzaak (200.274.649/01)

3.9.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Ingevolge het tweede lid kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.9.3.

Het hof overweegt allereerst als volgt.

De moeder is ermee akkoord gegaan om het in hoger beroep gewijzigde verzoek van de GI te behandelen. Hiermee wordt voorkomen dat de GI zich op grond van artikel 1:265g BW opnieuw tot de rechtbank dient te wenden, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Het gewijzigde verzoek van de GI ligt derhalve in hoger beroep ter beoordeling voor.

3.9.4.

Uit de stukken is gebleken dat de ouders er de afgelopen jaren niet in zijn geslaagd om een structurele zorgregeling tot stand te brengen. Er is veel wantrouwen over en weer en de ouders zijn niet goed in staat om met elkaar te communiceren.

In het kader van de ondertoezichtstelling heeft de GI een gezinsonderzoek laten verrichten. Dit onderzoek is door Format uitgevoerd, waarbij Format op 28 augustus 2019 een rapportage heeft uitgebracht.

Tijdens het onderzoek is gezien dat de vader veel van [minderjarige] houdt en dat hij veel betrokkenheid toont bij [minderjarige] , waarbij de vader tevens in staat is om de noodzakelijke structuur te bieden. De vader is een belangrijke hechtings- en indentificatiefiguur voor [minderjarige] .

Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat er bij de vader sprake is van alcoholproblematiek, agressieregulatieproblematiek, een gebrekkig zelfinzicht en zelfoverschatting en dat er bij beide ouders sprake is van een groot wantrouwen jegens elkaar.

3.9.5.

Het hof onderschrijft de zorgen die er ten aanzien van de vader zijn en die voor een groot deel gelegen zijn in de alcoholverslavingsproblematiek van de vader. Alhoewel de vader zijn problematiek nog steeds niet volledig lijkt te erkennen, staat hiertegenover dat de vader onder druk en in het belang van zijn kinderen wel gemotiveerd lijkt te zijn om zijn medewerking te verlenen aan de aanpak van zijn problematiek, teneinde het contact met [minderjarige] (en [naam] ) nader vorm te kunnen geven. Zo werkt de vader op dit moment mee aan alcoholcontroles en neemt hij medicatie in om zijn alcoholgebruik tegen te gaan. Bovendien staat de vader op een wachtlijst van Emergis om een behandeling te ondergaan. Weliswaar heeft de vader nog een lange weg heeft te gaan, maar hij lijkt nu de eerste stappen te hebben gezet om zijn alcoholverslaving aan te pakken.

Het hof acht het verder positief dat de vader zich begeleidbaar opstelt en dat de contacten met de hulpverlening, waaronder de GI, goed verlopen.

Het is nu aan de vader om aan te tonen dat hij zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van [minderjarige] langdurig kan nemen en dat hij de afspraken die in het kader van de veiligheid van [minderjarige] zijn gemaakt, de afspraken ten aanzien van het niet nuttigen van alcohol inbegrepen, nakomt.

3.9.6.

Gelet op de verdere omstandigheden, waarbij het niet mogelijk is gebleken om de omgang tussen [minderjarige] en de vader op zaterdagen te begeleiden, is het hof van oordeel dat in overeenstemming met hetgeen de GI en de ouders reeds hebben afgesproken, er een zorgregeling dient te komen waarbij [minderjarige] en de vader op de woensdagmiddagen contact met elkaar hebben. Daarbij acht het hof het van belang om niet langer vast te houden aan de frequentie van eenmaal per veertien dagen. Gelet op het beperkte aantal uren zijn [minderjarige] en de vader dan onvoldoende in staat om een goede band met elkaar te onderhouden en is er een gerede kans dat het dan voor [minderjarige] telkens spannend is om naar de vader toe te gaan. Het hof zal ook bepalen dat de begeleiding [minderjarige] bij school zal ophalen en naar de vader zal toebrengen, zodat het contactmoment op de woensdagmiddag wat langer kan duren. Het hof vertrouwt er daarbij op, gehoord de GI, dat het voor [minderjarige] geen onoverkomelijke problemen zal opleveren dat hij door een derde van school wordt opgehaald. Ten slotte is het hof van oordeel dat, gelet op de beperkte duur van de middag, er geen beletsel is om een deel van de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden. Aangezien de begeleiding in het begin van het bezoek aanwezig is vertrouwt het hof erop dat de begeleiding een goede inschatting kan maken of [minderjarige] op een prettige en veilige manier bij de vader kan verblijven.

Daarbij wordt verder in overweging genomen dat de GI nauw betrokken is bij de wijze waarop de contacten tussen de vader en [minderjarige] plaatsvinden en hieraan een invulling geeft die past binnen de mogelijkheden en beperkingen van de vader, zonder daarbij de belangen van [minderjarige] uit het oog te verliezen. Indien blijkt dat de hiervoor genoemde zorgregeling niet langer in het belang van [minderjarige] is, vertrouwt het hof erop dat de GI zich opnieuw tot de rechtbank zal wenden.

3.10.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de grieven van de moeder falen, zodat haar verzoek in hoger beroep dient te worden afgewezen. Op grond van het voorgaande zal het gewijzigde verzoek van de GI worden toegewezen.

3.11.

Gelet op de aard van de zaak zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident (200.274.649/02):

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak (200.274.649/01):

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 januari 2020;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 14 december 2017 en stelt een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast waarbij [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot omgang met elkaar iedere woensdagmiddag, waarbij de omgangsbegeleiding [minderjarige] op school ophaalt en naar de vader brengt en om 17.00 uur bij de moeder terugbrengt,

waarbij het contact in de tussenliggende tijd onbegeleid is, zij het dat de begeleiding bij aanvang een inschatting maakt of de vader gedronken heeft respectievelijk het gedrag van de vader voor [minderjarige] belastend is;

indien er sprake is van een dranklucht, maar de vader rustig is en aansluiting kan hebben met [minderjarige] , kan het bezoek worden voortgezet, maar blijft de begeleiding gedurende het hele bezoek aanwezig;

indien de vader geagiteerd is en daardoor het bezoek met [minderjarige] onvoldoende kan invullen, wordt het bezoek beëindigd en wordt [minderjarige] door de begeleiding teruggebracht naar de moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.L. Schaafsma-Beversluis en E.M.C. Dumoulin en is op 4 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.